← België

Arrest 152664 - - 14/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.664 Rolnummer: A. 161635/VII-33844 Zaak: Arrest 152664 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche Arrest nr 152.664 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.664 van 14 december 2005 in de zaak A. 161.635/VII-33.844 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 30 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 maart 2005 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 januari 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 21 april 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-33.844-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat K. GOVAERTS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 november 2004 en verklaarde zich op 29 november 2004 vluchteling. 1.
  3. Op 24 januari 2005 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 10 maart 2005 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Indische sikh afkomstig uit Chak Bamu, gelegen in Punjab. Samen met uw vader baatte u er een taxibedrijf uit. In juli 2003 vervoerde u tegen betaling drie onbekende mannen naar de stad Jammu. Op de terugweg werd u in Baramula staande gehouden bij een politiecontrole. Hierbij ontdekten de agenten op de achterbank van uw wagen een tas die granaten en pistolen bevatte. U stelde dat deze niet aan u toebehoorden en legde uit dat deze wapens vermoedelijk achtergelaten waren door de mannen die u die ochtend in Jammu afgezet had. Omdat de agenten u niet geloofden, werd u geslagen en vervolgens overgebracht naar het politiekantoor van Baramula. U werd er afgetuigd en werd ondervraagd over de wapens die in uw wagen aangetroffen waren. Drie dagen later werd u na bemiddeling van de dorpsburgemeester en van uw vader vrijgelaten. Hierbij werd u verplicht om zich één week later aan te melden op het politiekantoor. Om verdere confrontaties met de politie te ontlopen vertrok u de dag na uw vrijlating echter naar Baddi Miani en u dook er onder bij een oom. U vernam er dat uw vader aangehouden was en gedurende twee weken vastgehouden werd. Vier dagen later werd uw vader opnieuw aangehouden en gedurende één dag vastgehouden. Na een verblijf van drie maanden in Baddi Miani reisde u naar Delhi. U verbleef er gedurende twee weken en vloog vervolgens over naar Moskou. U reisde door naar België en vroeg hier op 29 november 2004 asiel aan. B. Motivering Vooreerst dient in dringend beroep door het Commissariaat-generaal (CGVS) te worden vastgesteld dat u onvoldoende elementen aanbrengt om aan te tonen dat u in India vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie riskeert. U stelde dat u VII-33.844-2/5 gearresteerd werd nadat in uw taxi wapens aangetroffen waren en verklaart dat u door de Indische autoriteiten van wapenbezit beschuldigd wordt en opgespoord wordt. Aangezien u verklaarde dat een wapenvergunning verplicht is in India (zie gehoorverslag CGVS, p.5), dient te worden vastgesteld dat de feiten waarvan u beschuldigd wordt van gemeenrechtelijke aard zijn. U heeft, na uw voorwaardelijke vrijlating, evenwel nagelaten om zich bij de politie aan te melden (zie gehoorverslag CGVS, p.6). U heeft uw land verlaten zonder de uitkomst van het politieonderzoek en/of de gerechtelijke procedure die tegen u zou lopen af te wachten – en dit terwijl u geen aannemelijke reden kan aanhalen waarom u een partijdig en/of oneerlijk proces zou vrezen, temeer daar u politiek niet actief was, nooit eerder in aanvaring bent geweest met de Indische autoriteiten (zie gehoorverslag CGVS, p.2) en geen elementen aanbrengt die erop wijzen dat u juridische bijstand zou worden ontzegd. Daarenboven dient te worden vastgesteld dat u niet aannemelijk weet te maken dat u in India vervolging op nationaal vlak riskeert. U verklaarde weliswaar dat tegen u een “FIR” (First Information Report) werd uitgevaardigd (zie gehoorverslag CGVS, p.5), maar bent niet in staat om dit voor te leggen en brengt ook verder geen elementen aan die erop wijzen dat u in India op nationaal vlak opgespoord wordt. Daarenboven blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie aan het administratief dossier is toegevoegd dat er in India geen systeem van registratie van burgers bestaat, dat er geen systematisch gebruik van identiteitsdocumenten bestaat en dat er weinig tot geen controle in een plaats op nieuwkomers door politie/administratie is. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat u aan uw voorgehouden problemen met de politie van Punjab kan ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen. Het feit dat u tijdens uw verblijf in Baddi Miani geen directe problemen ondervond met de autoriteiten (zie gehoorverslag CGVS, pp.5-6) biedt hiervan aanwijzing. Bijkomend dient te worden opgemerkt dat de verklaringen die u in het verloop van de asielprocedure aflegde niet coherent zijn. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat uw arrestatie plaatsvond in december 2003 (zie gehoorverslag DVZ, nr.42, p.9), terwijl u in dringend beroep beweerde dat deze arrestatie in juli 2003 plaatsvond (zie gehoorverslag CGVS, p.2 + p.7). Tijdens het gehoor in dringend beroep werd u gewezen op deze eventuele discrepantie in uw verklaringen. Hierop stelde u dat u zich mogelijk had vergist tijdens het gehoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken (zie gehoorverslag CGVS, p.7). Aangezien u uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken voor akkoord ondertekende nadat deze u in het Punjabi waren voorgelezen, dient te worden opgemerkt dat deze uitleg onafdoende verklaring biedt voor deze discrepantie in uw verklaringen (zie gehoorverslag DVZ, p. 12). Bijgevolg dient te worden opgemerkt dat deze tegenstrijdigheid in uw verklaringen, die de kern van uw asielrelaas betreft, twijfels oproept over de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Tenslotte bent u niet in het bezit van enig reis- en/of identiteitsdocument waardoor noch uw reisweg, noch uw identiteit kan worden nagegaan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. VII-33.844-3/5
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift het volgende uiteenzet: "Dat de bestreden beslissing nietig is wegens machtsoverschrijding, schending van de wet, nl. art. 52 van de wet van 15 december 1980 en de Conventie van Genève, de beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringsplicht; dat ten onrechte werd geoordeeld dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond zou zijn; dat verzoeker betwist dat de door hem aangebrachte elementen onvoldoende zwaarwichtig zouden zijn; dat verzoeker heeft aangetoond dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een vrees voor vervolging; dat de bestreden beslissing bijgevolg ook onvoldoende gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing bovendien niet onderzocht heeft in welke mate de sikhgemeenschap in de deelstaat Punjab door de Indische autoriteiten wordt vervolgd en/of gediscrimineerd; dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar alle omstandigheden van de zaak."; Overwegende dat artikel 20, tweede lid, 2/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen; dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel als het rechtsbeginsel wordt aangeduid welke zou zijn geschonden als de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat, zoals de verwerende partij terecht stelt, het verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de feiten en de middelen; dat geen rekening mag worden gehouden met de verduidelijkingen die de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord aanbrengt;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-33.844-4/5 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-33.844-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.664 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.