← België

Arrest 152665 - - 14/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.665 Rolnummer: A. 137840/VII-30057 Zaak: Arrest 152665 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche Arrest nr 152.665 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.665 van 14 december 2005 in de zaak A. 137.840/VII-30.057 In zake :

  1. XXX
  2. XXX die woonplaats kiezen bij advocaat S. VAN ROSSEM, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Kirgizische nationaliteit, op 12 juni 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 mei 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 14 mei 2003; Gelet op de beschikking van 17 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partijen teneinde te worden gehoord; VII-30.057-1/7 Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat S. VAN ROSSEM, verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 16 mei 2000 en verklaarden zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  5. Op 20 september 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 12 mei 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas U, een Kirgisch staatsburger van de Russische origine ontvluchtte uw land omwille van etnische problemen. Na de val van de Sovjet-Unie kregen de Russen in Kirgizië af te rekenen met discriminatie. Zo kon uw echtgenote niet studeren waar ze wenste, daar men de voorkeur gaf aan studenten van een andere origine. Ook uw dochter kende problemen met het onderwijs. In de kleuterschool werd ze soms door de leerkracht geslagen. Verder diende u als Rus meer te betalen voor medische zorgen dan Kirgiezen. In 1994 reed u per ongeluk een jongentje aan. Het kind stierf later op de dag aan zijn verwondingen. Een onderzoek naar de omstandigheden van het ongeval wees uit dat u geen schuld kon worden aangewreven voor het ongeval. De ouders van het kind namen echter geen genoegen met de uitspraak van de onderzoeksrechter. Ze begonnen u telefonisch en direct te bedreigen. U sprak de onderzoeksrechter erover aan, maar deze kon u niet helpen. Hij verklaarde dat u, gezien de traditie van bloedwraak onder VII-30.057-2/7 de moslims, beter zou verhuizen. Hij verklaarde u niet te kunnen beschermen tegen de gehele familie van het kind. Daarop verhuisde u naar een dorp in de buurt van Bishkek. U verbleef er het grootste gedeelte van de daarop volgende jaren, enkel voor het werk ging u naar de stad. U verbleef er zonder verdere problemen. Tussendoor woonde u nu en dan voor een maand in Bishkek, maar dat leverde dan weer problemen op met de familieleden van het kind, zodat u naar het dorp terugkeerde. Uw ouders en schoonouders werden wel door de familieleden benaderd en bedreigd, om zo te weten te komen waar u zich bevond. In de lente van 1999 toen u tijdelijk naar Bishkek terugkeerde ontving u weer bedreigingen. U diende een klacht in bij de rechtbank van Sverlovsk, maar er kon geen strafdossier worden geopend, daar er geen bewijzen waren. Eind maart 2000 werd u in Bishkek door de vader van het kind opgemerkt. Hij heeft u daarop ernstig mishandeld. U diende in het ziekenhuis verzorgd te worden. Op 30 april 2000 werd de voordeur van de flat waar u op dat ogenblik in Bishkek verbleef, vernield. Het werd met een mes vernield en men had gepoogd de deur in brand te steken. De vader van het kind bleek achter de feiten te zitten. Dit voorval leidde tot uw onmiddellijk vertrek uit Kirgizië. Op 10 mei verliet u Kirgizië voor België. Intussen zijn ook uw ouders en schoonouders uit Kirgizië geëmigreerd omwille van de problemen met de familie van het verongelukte kind. B. Motivering De door u aangehaalde feiten in het kader van uw asielaanvraag kunnen niet worden bestempeld als een persoonlijke en daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo dient er te worden opgemerkt dat er enkele opmerkelijke tegenstrijdigheden zijn tussen uw opeenvolgende relazen en de verklaringen die uw echtgenote aflegde. Zo verklaarde u, betreffende het voorval op 30 april 2000 dat aanleiding gaf tot uw vertrek, dat uw voordeur met een mes bewerkt werd alvorens men trachtte de deur in brand te steken (CGVS man, p. 11-12). Uw vrouw verklaarde echter dat de deur enkel met een mes bewerkt werd, zij verklaarde niet te weten waarom u een poging tot brandstichting aanhaalde (CGVS vrouw, p. 10). Uzelf verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken na het incident met de vader van het dode kind van 29 maart 2000 een klacht bij het parket te hebben ingediend betreffende de aanhoudende bedreigingen van de familieleden van het dode kind (DVZ man, vraag 42). Op het Commissariaat-Generaal verklaarde u echter dat u in de lente van 1999 een klacht indiende bij de rechtbank (CGVS man, p. 8, 10). Belangrijker is echter dat de problemen die aanleiding gaven tot uw vlucht, van gemeenrechtelijke aard zijn, daar het gaat om een conflict tussen privé-personen en dit niet omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie. Echter, u verklaarde niet op de hulp van de overheden te kunnen rekenen omwille van uw origine (CGVS man, p. 8-9, 11). In dit verband kan u niet aannemelijk maken dat de onwil van de autoriteiten om u, als Rus, te helpen systematisch was. Immers, de onderzoeksrechter had zich in 1994 over uw zaak gebogen en besloten dat er geen reden tot vervolging was (CGVS man, p. 3). Ook diende u na de feiten waarbij u medische verzorging diende te ontvangen geen klacht in (CGVS man, p. 11). Er moet aldus worden vastgesteld dat u onvoldoende initiatief genomen heeft om in uw land van herkomst gerechtigheid te bekomen. Bovendien blijkt uit uw relaas dat er een interne vluchtmogelijkheid voorhanden was. U verklaarde dat u tussen september 1994 en uw vertrek in mei 2000 voornamelijk in twee dorpen woonde en daar in alle rust kon leven (CGVS man, p. 7, 13). Betreffende de discriminatie die u onderging verklaarde u zelf dat die nooit uw leven of vrijheid in het gedrang bracht. U verklaarde hierover zelfs dat u deze misschien wel zou kunnen verdragen (CGVS man, p. 12-13). Aldus kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ter staving van uw identiteit en relaas legde u de volgende documenten voor: geboorteakte man, geboorteakte vrouw met bloedgroepbepaling, huwelijksakte, geboorteakte kind, rijbewijs man, werkbadge vrouw, diploma man, diploma vrouw, drie medische attesten man, betalingsbewijs aan vader van verongelukte kind, seponering van de zaak tegen man in 1994, twee krantenartikels (over ongeval en beroep van taxichauffeur). VII-30.057-3/7 De door u voorgelegde documenten bevestigen uw identiteit en relaas, maar doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij : "A. Vluchtrelaas U, een Kirgisch staatsburger van de Russische origine ontvluchtte uw land omwille van etnische problemen. Na de val van de Sovjet-Unie kregen de Russen in Kirgizië af te rekenen met discriminatie. Zo werd u tijdens uw studies en op de werkvloer gediscrimineerd. Ook uw dochter kende problemen. In de kleuterschool werd ze soms door de leerkracht geslagen. Toen u de directie hierover aansprak, smeet hij uw dossier weg en verklaarde u dat u maar een andere school moest zoeken. Uw kind werd ziek van stress. In 1994 reed uw echtgenoot per ongeluk een jongetje aan. Het kind stierf. Een onderzoek naar de omstandigheden van het ongeval wees uit dat uw man geen schuld trof voor het ongeval. De ouders van het kind namen echter geen genoegen met de uitspraak van de onderzoeksrechter. Ze begonnen uw gezin telefonisch en direct te bedreigen. Uw man sprak de onderzoeksrechter erover aan, maar deze kon niet helpen. Daarop verhuisde u naar een dorp in de buurt van Bishkek. U verbleef er het grootste gedeelte van de daarop volgende jaren. U kwam er niet vaak buiten en kende daardoor geen verdere problemen. Tussendoor woonde u nu en dan voor een maand in Bishkek, maar dat leverde dan weer problemen op met de familieleden van het kind, zodat u naar het dorp terugkeerde. Uw ouders en schoonouders werden wel door de familieleden benaderd en bedreigd, om zo te weten te komen waar u zich bevond. In de lente van 1999 werd uw echtgenoot door enkele misnoegde klanten mishandeld en verwond. Eind maart 2000 werd uw man in Bishkek door de vader van het kind opgemerkt. Hij heeft uw man daarop ernstig mishandeld. Hij diende in het ziekenhuis verzorgd te worden. Op 30 april 2000 werd de voordeur van de flat waar u op dat ogenblik in Bishkek verbleef, vernield. De deur werd met een mes bewerkt. De vader van het kind dreigde diezelfde avond telefonisch dat hij uw kind hetzelfde zou aandoen. Dit voorval leidde tot uw onmiddellijk vertrek uit Kirgizië. Op 10 mei verliet u Kirgizië voor België. Intussen zijn ook uw ouders en schoonouders uit Kirgizië geëmigreerd omwille van de problemen met de familieleden van het kind. B. Motivering De door u aangehaalde feiten in het kader van uw asielaanvraag kunnen niet worden bestempeld als een persoonlijke en daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo dient er te worden opgemerkt dat er een opmerkelijke tegenstrijdigheid is tussen uw relaas en de verklaringen die uw echtgenote aflegde. Zo verklaarde uw echtgenoot, betreffende het voorval op 30 april 2000 dat aanleiding gaf tot uw vertrek, dat uw voordeur met een mes bewerkt werd alvorens men trachtte de deur in brand te steken (CGVS man, p. 11-12). U verklaarde echter dat de deur enkel met een mes bewerkt werd, en verklaarde niet te weten waarom uw man een poging tot brandstichting aanhaalde (CGVS vrouw, p. 10). Belangrijker is echter dat de problemen die aanleiding gaven tot uw vlucht, van gemeenrechtelijke aard zijn, daar het gaat om een conflict tussen privé-personen en dit niet omwille van één van de criteria van de VII-30.057-4/7 Vluchtelingenconventie. Echter, uw echtgenoot verklaarde niet op de hulp van de overheden te kunnen rekenen omwille van uw origine (CGVS man, p. 8-9, 11). In dit verband kan hij niet aannemelijk maken dat de onwil van de autoriteiten om u, als Rus, te helpen systematisch was. Immers, de onderzoeksrechter had zich in 1994 over de zaak van uw man gebogen en besloten dat er geen reden tot vervolging was (CGVS man, p. 3). Ook diende uw man na de feiten waarbij hij medische verzorging diende te ontvangen geen klacht in (CGVS man ,p. 11). Er moet aldus worden opgemerkt dat jullie onvoldoende initiatieven hebben genomen om in jullie land van herkomst gerechtigheid te bekomen. Bovendien blijkt uit uw relaas dat er een interne vluchtmogelijkheid voorhanden was. U verklaarde dat u tussen september 1994 en uw vertrek in mei 2000 voornamelijk in twee dorpen woonde en daar geen problemen kende (CGVS vrouw, p. 7, 10-11). Betreffende de discriminatie die u en uw dochter ondergingen kan u niet op overtuigende wijze aantonen dat het hier om systematische discriminatie ging. Immers, u trachtte nooit uw kind op een andere school in te schrijven na op de eerste school te zijn weggestuurd (CGVS vrouw, p. 4-5, 10). U verklaarde bovendien dat uw dochters leven in het gedrang kwam door de discriminatie. Uw dochter werd ziek van stress (CGVS vrouw, p. 5-6). Echter, uw echtgenoot meldde niet dat uw dochter ziek werd omwille van de etnische spanningen. Meer nog, hij verklaarde zelfs dat hij de discriminatie misschien wel zou kunnen verdragen (CGVS man, p. 12-13). Aldus kan er in hoofde van u niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie. Ter staving van uw identiteit en relaas legde u de volgende documenten voor: geboorteakte man, geboorteakte vrouw met bloedgroepbepaling, huwelijksakte, geboorteakte kind, rijbewijs man, werkbadge vrouw, diploma man, diploma vrouw, drie medische attesten man, betalingsbewijs aan vader van verongelukte kind, seponering van de zaak tegen man in 1994, twee krantenartikels (over ongeval en beroep van taxichauffeur). De door u voorgelegde documenten bevestigen uw identiteit en relaas, maar doen geen afbreuk aan de bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit zijn de bestreden beslissingen.
  7. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van het redelijkheids- het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partijen de in de bestreden beslissingen vastgestelde tegenstrijdigheden trachten te relativeren; dat zij voorts hun asielrelaas overdoen en de feitelijke gegevens ervan aan de Raad van State opnieuw ter beoordeling willen voorleggen; dat zij eveneens stellen dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing niet binnen een redelijke termijn heeft genomen; VII-30.057-5/7 Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partijen en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partijen feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partijen dit te dezen niet aantonen; dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de verzoekende partijen willen aantonen dat de commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het inroepen van een gebeurlijke schending van de redelijke termijneis, vermits bij het gegrond bevinden van dit middel de beslissing van de commissaris-generaal zou worden vernietigd, maar de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken zou herleven;
  8. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. VII-30.057-6/7 Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.057-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.665 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.