id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.666 Rolnummer: A. 125201/VII-27509 Zaak: Arrest 152666 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche Arrest nr 152.666 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.666 van 14 december 2005 in de zaak A. 125.201/VII-27.509 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat G. VERGAUWE, kantoor houdende te 9940 EVERGEM, Belzeelsestraat 40 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Azerbeidzjaanse nationaliteit, op 10 augustus 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juli 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 maart 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 120.946 van 25 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-27.509-1/8 Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERGAUWE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 18 februari 2002 en verklaarde zich op 4 maart 2002 vluchteling. 1.
- Op 18 maart 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 juli 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk is en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, van Armeense origine en geboren en getogen te Baku,Azerbaidjan kende in dit laatste land problemen omwille van hiernavolgende redenen. Uw vader werd op 14 januari 1984 vermoord door onbekenden. Het onderzoek werd bij gebrek aan bewijzen afgesloten. In 1987 begon u drie verschillende handelszaken (een schoenatelier, een winkel en een café/tearoom), en dit tezamen met uw zakenpartner Rafik. In september 1988 ontving u een dreigbrief van de moordenaars van uw vader. Men eiste van u 15.000 roebel die uw vader hen nog schuldig was. U richtte zich tot de autoriteiten. Er werd een onderzoek geopend. Na een drietal dagen kreeg u opnieuw bezoek van de afpersers, die u zwaar toetakelden omdat u zich tot de politie had gewend. U richtte zich na deze aanval opnieuw tot de lokale wijkagent, Nuralijev, die u de raad gaf de som geld te betalen. U betaalde hierna een eerste gedeelte van het geld. Na deze betaling te hebben gedaan, richtte U zich tot een kennis, Sjirinov Nazim, die medewerker was bij het parket. U vroeg of men u kon helpen als u hen de namen van de afpersers en moordenaars van uw vader bezorgde. Nazim Sjirinov kon u echter geen garanties geven dat u als getuige bescherming zou verkrijgen. Uw grootmoeder kreeg korte tijd hierna thuis bezoek van de afpersers, die het tweede deel van de som VII-27.509-2/8 kwamen opeisen. Ze namen enkele kostbaarheden uit het huis mee. De dag na dit bezoek overleed uw grootmoeder. U betaalde het tweede deel van de som korte tijd later aan de afpersers. U verkocht in december 1988 uw huis opdat uw afpersers u niet meer zouden vinden. Begin 1989 leerde u A. Z.n, een A. van Armeense origine kennen. U trouwde met haar op 13 juli
- Op 13 januari 1990 kregen jullie in haar appartement bezoek van 4 personen van het Volksfront (Narodny Front), waaronder één van uw afpersers. Uw vrouw werd verkracht. U werd hard geslagen. Jullie werden beiden meegenomen naar de wijk Iljimlar A. A.. U werd gedurende een uur of vijf vastgehouden. U werd ‘vrijgekocht’ door bemiddeling van R., uw zakenpartner. Na dit incident verhuisden jullie naar een datsja van A. S., te Boezavny (Baku), waar u drie jaren verbleef. Na het incident van 13 januari 1990 werden alle officiële documenten met betrekking tot uw handelszaken op naam van R. gezet, omdat hij van Lesginse origine was en geen problemen ondervond. In 1993 ontving u in de Datsja te Boezovny een dreigbrief. De eigenaar van de datsja wilde niet dat u er nog langer bleef. Na enkele dagen vonden jullie in de wijk Kislji onderdak bij Makalatija Irakli, een Georgiër. In 1995 werd uw winkel geconfisceerd omwille van ‘onbetaalde belastingen’. Begin 1997 verloor u uw schoenatelier, omdat de eigenaar zijn ruimte niet langer wenste te verhuren. In 1997 werd u door personen in camouflage uniform tegengehouden nadat u van het kerkhof terugkeerde. U werd als Armeniër ontmaskerd en u werd hard in elkaar geslagen. U werd in de koffer van de auto gegooid en buiten de stad gevoerd. U werd in een tuin geworpen. Uw auto werd in brand gestoken. U diende lange tijd te herstellen van de opgelopen verwondingen. Toen u hersteld was vernam u dat het café dat u met R. uitbaatte was afgebrand. U besloot uit Azerbaidjan te vertrekken omdat u geen mogelijkheden meer zag. U stuurde in januari 1998 uw gezin naar Chatsjmas, waar de familie van Rafik voor uw gezin zorgde. U vertrok zelf naar Georgie.U verkreeg in Tbilissi na een tijdje een paspoort van Russisch staatsburger, op naam van M. R.. Na anderhalve maand in Georgië te hebben verbleven, vertrok u naar Sotsji (Rusland). U kocht er bij de firma Gritsj-Serzj grote partijen goederen en verkocht die later bij verschillende handelaars op het grondgebied van Krasnodar. U onderhield in de tussentijd contact met Rafik. U vernam in januari 1999 dat uw vrouw in december 1998 werd aangevallen door diezelfde personen die jullie reeds in januari 1990 hadden mishandeld. Uw vrouw werd gemarteld en ook uw kinderen werden geslagen. R. betaalde hen een grote som geld en beloofde hen nog meer opdat ze uw gezin met rust zouden laten. U kreeg in Sotsji een hartinfarct toen u geld voor uw gezin ging overmaken. Tot begin 2001 woonde uw gezin in Chatsjmas zonder problemen. In januari 2001 vernam u van Rafik dat uw gezin dringend weg moest uit Azerbaidjan, omdat een anti-Armeense stemming was ontstaan na het erkennen van de Armeense genocide door een aantal Europese landen. Uw gezin werd door mensen uit Chatsjmas bedreigd. U vertrok naar Dagestan om de overtocht van uw gezin te regelen. In de stad Derbent ontmoette u vrienden van Rafik, die u vertelden dat ze de transfer van uw gezin naar een Schengenland konden organiseren. U betaalde een voorschot en ging uw gezin halen. U woonde een tijdje met uw gezin in Derbent, in het huis van een vriend van Rafik. Op 5 juli 2001 vertrok u met uw gezin naar het buitenland. Toen u de stad Derbent uitreed werd u door een auto ingehaald. U herkende een van uw afpersers als inzittende van de auto. U sprong uit uw auto zodat uw gezin de tocht voort kon zetten. U werd door de achtervolgers geslagen en meegenomen. Een van hen was in uniform van de Russische politie. Hij dwong u een pistool vast te houden zodat uw vingerafdrukken op de handgreep stonden. De politieagent stelde eveneens een, valse, verklaring op als dat er tijdens een patrouille bij u een pak wit poeder, een wapen, een vals identiteitsbewijs en valse US dollars werden gevonden. U werd naar één of ander verlaten huis gebracht. U werd ingespoten met drugs. Uw lever zwol op en u kreeg hepatitis B. U vernam dat ze u wilden verkopen. Op een dag arriveerden er twee Tsjetsjenen die u vragen begonnen te stellen. Ze weigerden u eerst vrij te kopen, aangezien ze Russen nodig hadden om te ruilen tegen Tsjetsjeense vrijheidsstrijders. U vroeg hen evenwel een Tsjetsjeense vriend van u, Zelemchanov genaamd, te contacteren. Na een GSM gesprek met Zelemchanov namen de twee Tsjetsjenen u mee, en werd u uiteindelijk naar Tbilissi overgebracht. In Tbilissi werd u door twee Georgische journalisten geholpen. Op 9 februari 2002 vertrok u met een vals paspoort naar Erevan. Op 10 februari 2002 VII-27.509-3/8 reisde u naar Minsk. U bereikte Brussel op 18 februari
- U diende op 4 maart 2002 uw asielaanvraag in. U bent niet in het bezit van enig identiteitsdocument. Er dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas volledig wordt ondergraven nadat werd vastgesteld dat uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal in tegenstrijd staan met, enerzijds, uw eerdere verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, en anderzijds, de respectievelijke verklaringen van uw echtgenote voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal en de op het Commissariaat-generaal aanwezige informatie. Primo, u stelde voor het Commissariaat-generaal dat u uw appartement verkocht ten tijde van de incidenten in Sumgaït in december 1988 (verslag CGVS, p.1). Evenwel, dit staat in tegenstrijd met informatie aanwezig op het Commissariaat-generaal waaruit blijkt dat de gebeurtenissen in Sumgaït plaatsvonden in februari 1988 (Retrospective : une Décennie de Lutte, in: Nouvelles d’Arménie, Nr.45, Juli-Augustus 1999) Secundo, U stelde voor het Commissariaat-generaal dat u in 1987 drie handelsondernemingen opstartte (verslag CGVS, p.10).Vervolgens verklaarde u in het jaar 1988, ongeveer vanaf de maand september door de vroegere moordenaars van uw vader te zijn afgeperst (verslag CGVS,p.10&11). Deze elementen staan evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, waarin u vooreerst stelde dat u in 1987 uw bedrijven oprichtte en dat u in de herfst van datzelfde jaar een dreigbrief van de afpersers kreeg (verslag DVZ, pt.42). Tertio, u vermeldde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u eind 1988, omdat de houding ten aanzien van de Armeense bevolking steeds verslechterde, officieel afstand deed van uw handelsondernemingen, ten voordele van uw vriend en zakenpartner .K. (verslag DVZ, pt.42). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw latere verklaringen voor het Commissariaat- generaal waarin u aanhaalde enkel na de gebeurtenissen op 13 januari 1990 uw handelsgelegenheden op naam van Rafik Koelijev te hebben geregistreerd (verslag CGVS, p.21). Met betrekking tot de moord op uw vader verklaarde u voor het Commissariaat- generaal dat deze plaatsvond op 14 januari 1984 (verslag CGVS, p.7). Dit staat evenwel in tegenstrijd met de verklaringen van uw echtgenote voor het CGVS, waarin ze stelde dat uw vader in 1987 werd vermoord (verslag CGVS . Met betrekking tot de gebeurtenissen van 13 januari 1990 verklaarde u voor het Commissariaatgeneraal dat u na een vijftal uren opgesloten te zijn geweest weer werd vrijgelaten (verslag CGVS, p.19). Dit staat evenwel in tegenstrijd met de verklaringen van uw echtgenote voor het CGVS, waarin ze aanhaalde dat u beiden gedurende drie dagen opgesloten bleef (verslag J. Ha., CGVS, p.2). Uw echtgenote beweerde voor het Commissariaatgeneraal voorts ook dat jullie na desbetreffend incident eventjes bij R. leefden en nadien telkens “één maand hier, één maand daar (verslag J. H. CGVS p3). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal waarin u stelde dat u na desbetreffend incident één week bij R.verbleef om dan gedurende drie jaren ononderbroken in Boezavny te wonen (verslag CGVS, p.15). Met betrekking tot het sluiten van uw schoenenbedrijf verklaarde u voor het Commissariaatgeneraal dat het huurcontract ten einde liep en door de verhuurder niet meer zou worden verlengd (verslag CGVS,p.22). Dit staat evenwel in tegenstrijd met uw eerdere verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, waarin u aanhaalde dat uw schoenenfabriek verzegeld werd door de belastingsinspectie en dat u een boete diende te betalen (verslag DVZ, pt.42). Bovenstaande elementen maken dat er géén enkel geloof meer kan worden gehecht aan uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat- generaal. Bijgevolg kan er in uw hoofde dan ook geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Geneve worden weerhouden. Verder moet vastgesteld worden dat het op basis van bronnen beschikbaar op het Commissariaat-generaal niet geloofwaardig is dat u in september 1999 op dergelijke ernstige wijze vervolgd werd in Azerbeidzjan omwille van uw Armeense origine. Uit deze bronnen blijkt immers dat er geen sprake is van een ernstige vervolging ten opzichte van personen van Armeense origine (Danish delegation, Report on the Roving Attaché Mission to Azerbaidjan, Armenia and Russia, september 2000, p.13-14) Uw verklaring als zou uw familie omwille van de erkenning door enkele Europese landen van de Armeense genocide problemen hebben gekregen in het VII-27.509-4/8 dorp Chatsjmas, in januari 2001, is tegenstrijdig met de op het Commissariaatgeneraal voorhanden zijnde informatie, waarin van dergelijke problemen geen melding wordt gemaakt. Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat in het kader van de asielaanvraag van uw echtgenote, J.A.(CG:01/19074) eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, dd. 25 september 2001.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 5 en 6, 1/ en 2/ van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij letterlijk stelt: “Schending van art. 5 en 6,1/ en 2/ EVRM. Verweerder stelt al onmiddellijk dat de asielaanvraag van verzoeker ‘bedrieglijk’ is. Het is evident dat het bewijs hiervoor bij verweerder ligt. Bedrieglijk is een term die aanleunt en thuishoort in het strafrecht. Overeenkomstig art. 5 van het EVRM kan niemand geacht worden strafbaar te zijn of een strafbare handeling te hebben gesteld, indien hij niet vooraf en volgens de regels van het strafrecht is veroordeeld. Het vermoeden van onschuld speelt in het voordeel van degene die nog niet veroordeeld is. Zolang het bedrog derhalve niet bewezen is, kan de aanvraag dan ook niet als bedrieglijk te worden aanzien en is de beslissing derhalve vernietigbaar.” Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat het bedrieglijk karakter onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de commissaris-generaal beschikt; dat de stelling van de verzoekende partij dat de commissaris-generaal enkel kan besluiten tot de bedrieglijkheid indien er bedrog is aangetoond in hoofde van de aanvrager, niet kan worden gevolgd; dat de vermeende schending van de artikelen 5 en 6, 1/ en 2/ van het E.V.R.M. derhalve niet voorhanden is; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van VII-27.509-5/8 26 juni 1953 en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder van de zorgvuldigheidsplicht; dat de verzoekende partij stelt dat haar Armeense origine aan de basis ligt van haar problemen en dat de commissaris-generaal hier niet op antwoordt; Overwegende dat de beweerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, waarvan sprake in de memorie van wederantwoord, een nieuw middel is dat niet de openbare orde raakt en bijgevolg niet ontvankelijk is; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met enige bepaling van voornoemd verdrag; dat de verzoekende partij nalaat de aangevoerde schending van de zorgvuldigheidsplicht verder uit te leggen; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van de algemene motiveringsplicht en van het recht van verdediging doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing verwijst naar stukken waarvan de verzoekende partij geen kennis heeft; Overwegende dat het recht van verdediging niet van toepassing is op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; dat de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt zich in het administratief dossier bevindt zodat de verzoekende partij deze heeft kunnen inzien en in het kader van huidig beroep heeft kunnen tegenspreken; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van het redelijkheidsbeginsel; dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren door te wijzen op de betrokkenheid van drie partijen, haar lichamelijke en geestelijke toestand en het feit dat niemand zich kan herinneren wat zich vijftien jaar geleden heeft afgespeeld; Overwegende dat van de kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en opeen coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag; dat de commissaris-generaal in het huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het VII-27.509-6/8 asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat deze beslissing naar behoren formeel is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren; dat de verzoekende partij voor het overige niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk zou zijn; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-27.509-7/8 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-27.509-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.666 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div