← België

Arrest 152668 - - 14/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.668 Rolnummer: A. 145815/VII-31293 Zaak: Arrest 152668 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche Arrest nr 152.668 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.668 van 14 december 2005 in de zaak A. 145.815/VII-31.293 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat I. MERTENS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Boondaalse Steenweg 6, bus 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 27 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 19 juni 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden aangetekend schrijven verzonden op 28 mei 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 januari 2004 aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.293-1/6 Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. MERTENS, die, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 20 september 2000 en verklaarde zich op 21 september 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 19 juni 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 26 mei 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : “Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen of aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 23/04/2003 op uw gekozen woonplaats. VII-31.293-2/6 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in een eerste middel machtsoverschrijding wordt aangevoerd alsmede een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “nalaat te verwijzen naar het toepasselijke wetsartikel dat (hem) de mogelijkheid biedt een bevestigende weigeringsbeslissing te nemen”; Overwegende dat uit de bestreden beslissing uitdrukkelijk blijkt dat zij werd genomen met toepassing van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat het middel feitelijke grondslag mist; dat uit het tweede middel blijkt dat de verzoekende partij overigens zeer goed weet op grond van welke wetsbepaling de bestreden beslissing werd genomen; 2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij reeds was verhuisd op het ogenblik dat de oproepingsbrief naar haar werd verzonden en dat zij dan ook geen kennis heeft kunnen nemen van de oproepingsbrief; dat zij benadrukt dat zij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van haar adreswijziging op de hoogte heeft gebracht met een aangetekende brief van 19 mei 2003; dat zij meent dat zij bijgevolg binnen een maand na de verzending van de oproepingsbrief aan het Commissariaat-generaal een geldige reden heeft meegedeeld; Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij, naar aanleiding van een op 30 september 2002 aan de commissaris- generaal meegedeelde adreswijziging, woonplaats koos in de ‘Place Monseigneur Heylen’ nr. 3 te 5000 Namen; dat de oproeping voor het verhoor eveneens naar dit adres werd verstuurd; dat de verzoekende partij naliet haar nieuwe adres aan de commissaris-generaal mee te delen, hoewel artikel 51/2, lid 4 van de Vreemdelingenwet hieromtrent nochtans zeer duidelijk is : “Elke wijziging van de gekozen woonplaats moet bij een ter post aangetekende zending medegedeeld worden aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alsook aan (de Minister).”; dat de commissaris-generaal er in alle redelijkheid VII-31.293-3/6 kon van uitgaan dat de uitnodiging voor het verhoor rechtsgeldig werd betekend; dat de bewering dat zij de commissaris-generaal op 19 mei 2003 alsnog op de hoogte bracht van haar adreswijziging hieraan geen afbreuk doet aangezien een verhuis geen overmacht uitmaakt in de zin van artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet; 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel een schending aanvoert van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij evenwel nalaat aan te geven welk beginsel van behoorlijk bestuur zij geschonden acht; dat de verzoekende partij er nogmaals op wijst dat zij de commissaris-generaal op de hoogte heeft gebracht van haar adreswijziging voordat de bestreden beslissing werd genomen en dat zij het de commissaris-generaal verwijt in de bestreden beslissing niet “te motiveren waarom (hij) van oordeel was dat verzoekende partij zonder geldige reden binnen de termijn van een maand de vraag van inlichtingen niet had beantwoord”; Overwegende dat kan worden verwezen naar de bespreking van het tweede middel, waaruit afdoende is gebleken dat de commissaris-generaal geenszins zijn bevoegdheid heeft overschreden door de bestreden beslissing te baseren op artikel 52, § 2, 4/, van de Vreemdelingenwet; dat de formele motiveringsplicht niet inhoudt dat de verwerende partij de motieven van haar motieven in de bestreden beslissing zou moeten weergeven; dat het middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat in een vierde middel de verzoekende partij een schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat de verzoekende partij zich in dit middel beperkt tot het geven van een definitie van het zorgvuldigheidsbeginsel, waarbij zij verwijst naar een arrest van de Raad van State, en tot een verwijzing naar hetgeen is uiteengezet in het derde middel; dat het middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel een schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat zij stelt dat de bestreden beslissing een tegenstrijdigheid vertoont, aangezien er, enerzijds, uit kan worden afgeleid dat haar asielaanvraag “kennelijk ongegrond” is terwijl, anderzijds, eveneens wordt besloten tot de “onontvankelijkheid” van haar asielaanvraag; Overwegende dat in artikel 52 van de Vreemdelingenwet een aantal gronden worden opgesomd op basis waarvan de overheid, bevoegd om een beslissing te nemen over en asielaanvraag, kunnen besluiten tot de “onontvankelijkheid” van de asielaanvraag van een kandidaat-vluchteling; dat één van die gronden het in casu gebruikte artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet is; dat voor het overige kan worden volstaan met VII-31.293-4/6 een verwijzing naar hetgeen hieromtrent reeds is gesteld tijdens de bespreking van het derde middel; dat het middel niet gegrond is; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in een zesde middel de schending aanvoert van het proportionaliteitsbeginsel; dat de verzoekende partij stelt dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt niet correct zijn en niet overeenstemmen met de feiten en gegevens die door haar hadden kunnen worden aangebracht indien zij was gehoord; Overwegende dat uit de bespreking van het tweede middel reeds is gebleken dat het te dezen geenszins kennelijk onredelijk was van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om, op basis van artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet, te besluiten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat daaruit blijkt dat het zesde middel niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing, nu de verzoekende partij in dit middel geenszins het tegendeel aantoont; 2.
  11. Overwegende dat in een zevende middel de schending wordt aangevoerd van artikel 52, 1, 2/ en 7/ van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij in wezen tracht aan te tonen dat zij wel degelijk als vluchteling in de zin van de Conventie van Genève moest worden beschouwd; Overwegende dat blijkt dat de verzoekende partij, door haar toedoen, geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping voor verhoor en aan de vraag om inlichtingen; dat deze vaststelling volstond om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat bijgevolg niet meer moest worden onderzocht of de verzoekende partij al dan niet voldeed aan de criteria om als vluchteling te worden beschouwd; dat het middel niet gegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. VII-31.293-5/6 Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.293-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.668 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.