id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.675 Rolnummer: A. 139685/VII-30388 Zaak: Arrest 152675 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:38 Fiche Arrest nr 152.675 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.675 van 14 december 2005 in de zaak A. 139.685/VII-30.388 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. FEYEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Paul Bellefroidlaan 12 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 25 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 mei 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 20 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; VII-30.388-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. NAVASARTIAN, die, loco advocaat P. FEYEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 14 mei 2003 en verklaarde zich op 16 mei 2005 vluchteling. 1.
- Op 23 mei 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 juni 2003 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Indische sikh afkomstig uit Begowal, gelegen in Kapurthala. In januari 2000 vielen een zevental gewapende terroristen uw woonst binnen en dwongen uw ouders en uzelf om hen een maaltijd te verschaffen. Tien dagen later bezochten deze terroristen opnieuw uw woonst en eisten opnieuw te eten. Vier à vijf dagen later bezochten deze terroristen opnieuw uw woonst en eisten voor de derde keer een maaltijd op. Toen u op 11 februari 2000 na een bezoek aan een vriend naar huis terugkeerde, stelde u vast dat het interieur van uw huis beschadigd was en trof u bloed op de vloer aan. U vernam van uw buren dat zich de dag voordien in uw woonst een schietpartij had voorgedaan. Bij een inval in uw woonst had de politie de terroristen aangetroffen en was het tot een vuurgevecht gekomen waarbij uw ouders, twee politieagenten en twee terroristen omgekomen waren. Uw buren waarschuwden u dat de politie u opspoorde op verdenking van assistentieverlening aan deze terroristen en raadden u aan om te vluchten. Vervolgens trok u samen met een vriend naar Delhi. Op 20 februari 2000 keerde u naar Begowal terug en werd er door uw buren andermaal VII-30.388-2/6 geïnformeerd dat de politie u opspoorde op verdenking van steunverlening aan de terroristen. U keerde dezelfde dag naar Delhi terug en ging er aan de slag als schoonmaker in een restaurant. Op 4 mei 2003 werd u in Delhi opgezocht door uw vriend Babu. Deze meldde u dat het onveilig was om nog langer in het restaurant te werken omdat de politie u op het spoor was gekomen. U verliet vervolgens op 5 mei 2003 het restaurant waar u werkte en verhuisde naar een hotel. Via telefonisch contact met uw werkgever vernam uw vriend Babu vervolgens dat op 9 mei 2003 de politie het restaurant waar u werkte binnengevallen was en navraag naar u had gedaan. U vloog vervolgens op 10 mei 2003 van Delhi over naar Europa en vroeg op 16 mei 2003 asiel aan in België. B. Motivering Vooreerst dient te worden opgemerkt dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ondermijnd wordt door een aantal tegenstrijdigheden in de verklaringen die u in de verschillen de fasen van de asielprocedure aflegde. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat de terroristen na hun eerste bezoek nog zes keer terugkeerden naar uw woonst (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In strijd hiermee verklaarde u in dringend beroep dat deze terroristen in totaal slechts vier maal uw woonst bezochten (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p. 7). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal werd u gewezen op de eventuele tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop verklaarde u dat u een dergelijke verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken niet heeft afgelegd (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.7). Die verklaring kan niet als afdoende uitleg worden beschouwd, omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend heeft en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Voorts verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat het tweede bezoek van de terroristen drie à vier dagen na het eerste bezoek plaatsvond (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In dringend beroep daarentegen verklaarde u dat het tweede bezoek van de terroristen tien dagen na hun eerste bezoek plaatsvond (zie gehoorverslag CGVS, p.6). Verder verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u op 20 februari 2000 bij uw vriend Babu in het nabijgelegen dorp Nikki Miani langsging alvorens die nacht samen met uw vriend per motor voor een laatste keer uw geboortedorp Begowal te bezoeken (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In strijd hiermee verklaarde u in dringend beroep dat u op 20 februari 2000 per bus in Begowal arriveerde en ontkende u uitdrukkelijk dat u bij dit bezoek uw vriend Babu in diens dorp opzocht (zie gehoorverslag CGVS, p.9-10). Voorts is het bevreemdend te noemen dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u van de politie-inval van 9 mei 2003 in het restaurant waar u werkte op de hoogte werd gesteld door een telefoontje van uw werkgever Harmesh aan uw vriend Babu (zie gehoorverslag DVZ, nr.42). In dringend beroep daarentegen stelde u dat u van deze politie-inval op de hoogte raakte nadat uw vriend Babu uw werkgever opbelde in verband met de achterstallige betaling van uw loon (zie gehoorverslag CGVS, p.11) Bovenstaande tegenstrijdigheden, die de kern van de door u afgelegde verklaringen uitmaken, ondermijnen de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Gesteld dat nog enig geloof wordt gehecht aan uw verklaringen dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt die erop wijzen dat u in India slachtoffer was van systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo verklaarde u India ontvlucht te zijn uit vrees door de autoriteiten van steunverlening aan terroristen te worden beticht. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat u in uw asielrelaas geen gewag maakt van enige rechtstreekse confrontatie tussen de Indische autoriteiten en uzelf. Er dient dan ook te worden geconcludeerd dat de door u ingeroepen vrees om door de autoriteiten van steunverlening aan de terroristen beschuldigd te worden uitsluitend op informatie van derden gebaseerd is en niet door concrete feiten wordt gestaafd. Uw verklaring dat de autoriteiten, noch een FIR, ( First Information Report) noch een arrestatiebevel tegen u uitvaardigden (zie gehoorverslag CGVS, dringend beroep, p.10) biedt alvast aanwijzing dat de Indische VII-30.388-3/6 autoriteiten geen inspanningen ondernamen om u op nationaal vlak op te sporen. U kan dan ook niet aannemelijk maken waarom het u onmogelijk was om aan uw voorgehouden moeilijkheden met de autoriteiten te ontsnappen door elders in het land te verblijven en aldus het interne vluchtalternatief toe te passen. Uw verklaring dat u onder uw eigen naam en gebruikmakend van een paspoort dat uw naam droeg, van de luchthaven van Delhi naar Europa overvloog zonder hierbij moeilijkheden met de luchthavenautoriteiten te ondervinden (zie gehoorverslag CGVS, p.5), biedt een aanwijzing dat u door de Indische autoriteiten niet nationaal geseind was. Verder is het bevreemdend te noemen dat u ondanks de zwaarwichtigheid van de door u ingeroepen feiten geen begin van bewijs kunt voorleggen van de moeilijkheden die u in India ondervonden zou hebben. Tenslotte was u niet in het bezit van enig reis- of identiteitsdocument waardoor uw reisweg noch uw identiteit kan worden nagegaan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht; dat de verzoekende partij aanvoert dat de vastgestelde tegenstrijdigheden ondermeer te wijten zijn aan een gebrekkige vertaling en haar zenuwachtigheid; dat zij bovendien stelt dat er geen intern vluchtalternatief mogelijk was; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag heeft besloten op grond van de door hem vastgestelde tegenstrijdigheden; dat hij bovendien tot de kennelijke ongegrondheid heeft besloten omdat de verzoekende partij onvoldoende elementen heeft aangebracht die erop wijzen dat zij in haar land van herkomst slachtoffer was van systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève en niet heeft aangetoond waarom zij geen gebruik gemaakt heeft van het intern vluchtalternatief; dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen VII-30.388-4/6 omdat de commissaris-generaal onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat de kennelijke ongegrondheid op zich volstond om de asielaanvraag af te wijzen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van het verbod op discriminatie, gewaarborgd door artikel 14 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.) doordat de bestreden beslissing geen rekening houdt met de gevolgen die zij veroorzaakt voor de veiligheid en de fysieke integriteit van de verzoekende partij; dat zij stelt dat een gedwongen terugkeer een rechtstreekse bedreiging inhoudt voor haar vrijheid en haar leven; Overwegende dat de bestreden beslissing van de commissaris-generaal niet betekent dat de verzoekende partij automatisch zou worden teruggeleid naar haar land van herkomst, nu de commissaris-generaal daarover, op grond van artikel 63/5, laatste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) slechts een advies geeft; een dergelijk advies is geen uitvoerbare rechtshandeling die voor de Raad van State kan worden aangevochten; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- VII-30.388-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-30.388-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.675 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div