← België

Arrest 152684 - - 14/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.684 Rolnummer: A. 119835/VII-26365 Zaak: Arrest 152684 - - 14/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:39 Fiche Arrest nr 152.684 van 14 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 152.684 van 14 december 2005 in de zaak A. 119.835/VII-26.365 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat S. SCHÜTT, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Van Noortstraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 17 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 18 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 30 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-26.365-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. VAN DE MERLEN, die, loco advocaat S. SCHÜTT, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 8 november 2000 en verklaarde zich op 9 november 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 14 februari 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 9 april 2002 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 14 februari 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring of/en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". VII-26.365-2/5 Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52, § 2, 4/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het fair play- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de geldige reden, zijnde het medisch attest, die blijk geeft van de onmogelijkheid voor haar om gevolg te geven aan de oproeping, niet links kan laten liggen bij gebreke aan een antwoord op een vraag tot inlichtingen, waarvan uit artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet duidelijk blijkt dat ze facultatief van aard is, omdat ze betrekking heeft op het eventueel aanbrengen van bijkomende elementen; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij bij ter post aangetekende brief van 14 februari 2002 de verzoekende partij opriep voor verhoor en haar tevens verzocht om inlichtingen; dat deze brief uitdrukkelijk vermeldde wat volgt: “Indien een geval van overmacht u belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen. (...) In geval van overmacht moet u bijgevolg eveneens antwoorden op het volgende verzoek om inlichtingen: Is de commissaris-generaal in het bezit van alle elementen die u ter ondersteuning van uw aanvraag wenst neer te leggen met het oog op het nemen van een beslissing? Indien u meent dat dit het geval is, bent u verplicht mij dit te bevestigen. Indien u meent andere elementen (...) te hebben die u nog niet hebt ingeroepen, verzoek ik u mij die zo snel mogelijk te bezorgen. Zonder antwoord van uwentwege binnen een maand na het verzenden van deze brief mag ik u de status weigeren wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen ondanks het bewijs van overmacht.”; dat de verzoekende partij weliswaar met een medisch attest aantoonde dat overmacht haar verhinderde om op het voorgestelde verhoor aanwezig te zijn doch naliet het verzoek om inlichtingen te beantwoorden; dat artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal in dat geval toelaat een weigeringsbeslissing te nemen; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal, in zijn taak gehinderd door het niet antwoorden op het verzoek om inlichtingen, de asielaanvraag van de verzoekende partij, op basis van voornoemde wetsbepaling, onontvankelijk verklaarde, zonder uitspraak te doen over de zaak zelf; dat het middel ongegrond is; VII-26.365-3/5 2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van artikel 2, 3/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en van het zorgvuldigheidsplicht doordat de brief van 14 februari 2002 het telefoonnummer niet vermeldt van de ambtenaar van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die het dossier van de verzoekende partij behandelt; Overwegende dat artikel 2, 3/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt: "(...) vermeldt elke briefuitwisseling uitgaande van een federale administratieve overheid de naam, de hoedanigheid, het adres en het telefoonnummer van degene die meer inlichtingen kan verstrekken over het dossier."; dat de eventuele miskenning van dit wettelijk voorschrift in beginsel niet leidt tot de nietigheid van de bestreden beslissing; dat het middel niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien december tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, VII-26.365-4/5 staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-26.365-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.684 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.