id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.744 Rolnummer: A. 80874/VII-17332 Zaak: Arrest 152744 - - 15/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-26 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 06:42 Fiche Arrest nr 152.744 van 15 december 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.744 van 15 december 2005 in de zaak A. 80.874/VII-17.
- In zake :
- André DE BRUYCKER,
- Camiel PLASSCHAERT,
- Jean-Marie PLASSCHAERT,
- Peter PARIDAEN,
- Joost DE VLEESCHOUWER, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- tussenkomende partijen :
- Daniël GOETRY,
- Bertrand GOETRY, die woonplaats kiezen bij Advocaat W. DE CUYPER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Vijfstraten
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André DE BRUYCKER, Camiel PLASSCHAERT, Jean-Marie PLASSCHAERT, Peter PARIDAEN en Joost DE VLEESCHOUWER op 28 oktober 1998 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 3 september 1998 waarbij de beroepen ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 5 maart 1998, houdende het verlenen aan Daniël en Bertrand GOETRY van een milieuvergunning om aan de Patrijzenstraat 1 te Schelderode-Merelbeke, op percelen kadastraal gekend onder sectie B, nrs. 352 d, 357 b en 357 c, een veeteeltbedrijf met 131 runderen en 70 varkens om te vormen naar 81 runderen, 19 varkens en 19.000 mestkippen, met bijhorende opslag van mazout en groenvoeders, ongegrond worden verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; VII-17.332-1/13 Gelet op het arrest nr. 78.449 van 28 januari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging, ingediend door derde verzoeker; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 juli 1998; Gelet op de beschikking van 13 juli 1999 die de tussenkomst van Daniël GOETRY en Bertrand GOETRY toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 22 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. HULPIAU die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat S. BEECKMAN die, loco Advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. THIENPONT die, loco Advocaat W. DE CUYPER verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-17.332-2/13 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De procedure Overwegende dat bij arrest nr. 78.449 van 28 januari 1999 de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit werd verworpen; dat de eerste, tweede, vierde en vijfde verzoekende partij geen voortzetting van de rechtspleging hebben gevraagd; dat ten aanzien van die partijen bij toepassing van artikel 17, § 4ter, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afstand van het geding wordt vastgesteld; dat dienvolgens, waar hieronder gewag wordt gemaakt van verzoeker, derde verzoeker wordt bedoeld;
- De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 2.
- Op 5 maart 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de tussenkomende partijen een milieuvergun- ning voor de omvorming van een gemengd landbouwbedrijf. 2.
- Tegen dit vergunningsbesluit wordt een administratief beroep ingesteld door de gemeente Merelbeke en door een aantal omwonenden. In het beroepschrift van deze laatsten wordt onder meer het volgende aangevoerd : "Het provinciebestuur motiveert in het bestreden besluit niet of amper waarom de argumenten die beroepers in hun bezwaarschrift hadden aangehaald niet weerhouden worden. Wel wordt op de pagina's 2 (onderaan) en 3 (bovenaan) op uitvoerige wijze weergegeven wat de inhoud van de bezwaren was, doch verder in het bestreden besluit wordt niet meer gezegd waarom de bezwaren (blijkbaar) moeten verworpen worden. Inzonderheid geldt zulks voor de opmerkingen die beroepers hadden gemaakt over de ligging van het bedrijf en de inpassing in de omgeving. Een nieuwe, grote kippenstal bij het bedrijf zou inderdaad een enorme impact hebben op de omgeving en het plaatselijke leefmilieu. Dit wordt ook bevestigd door het negatief advies dat de Administratie Gezondheidszorg op 1 december 1997 heeft uitgebracht. Beroepers genieten immers nu nog van een geprivilegieerde leef- en woonomgeving, die in gevaar wordt gebracht door de plannen van de familie Goetry. Volgens de voorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone situeert de aanvraag zich in een agrarisch gebied met landschappelijk waardevol VII-17.332-3/13 karakter, waar volgens artikel 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 beperkingen gelden met het oog op de bescherming van het landschap. Een massieve kippenstal, opgetrokken in de klassieke, monotone bouwmate- rialen, past in casu duidelijk niet in de bestaande omgeving. De constructie zou immers ingeplant worden middenin een bij uitstek landelijk en open gebied, dat door de glooiing naar de Scheldevallei toe nog een bijkomende waardevolle dimensie heeft. Tevens zou de stal op amper 200 meter van de rand van de Makegembossen komen te liggen, die een uitgelezen oord vormen voor natuurliefhebbers en wandelaars die er van de rust en het landschap komen genieten. In deze bossen komen tal van zeldzame dier- en vogelsoorten voor, zoals de vuursalamander en de wielewaal. Zo bijvoorbeeld wordt op de komende Deze bossen zijn op het gewestplan als natuurgebied ingekleurd. Ook daarom komt het voor als onverantwoord om een industriële kippenmes- terij te vergunnen op dermate korte afstand van het bos. Het provinciebestuur beseft op zicht van het bestreden besluit blijkbaar zelf ook dat zich terzake een probleem stelt, reden waarom in artikel 3 C van het bestreden besluit een bijzondere milieuvoorwaarde wordt opgelegd, die erin bestaat dat een Het behoort tot de vaste rechtspraak van de Raad van State dat het verplicht stellen van een groenscherm rond een nieuw te bouwen stal in landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan, er eerder op wijst dat de overheid de inplanting zelf als hinderlijk aanziet, en dat dergelijk scherm op zich onmogelijk het bezwaar van de strijdigheid met het landschappelijk waardevol karakter kan opheffen (R.v.St. Hellyn, nr. 65.802, 3 april 1997; R.v.St. Vandenhende, nr. 69.722, 21 november 1997 en nr. 70.184, 12 december 1997; R.v.St. Algoet, nr. 71.049, 23 januari 1998). Er dient in dit verband ook gewezen te worden op de plannen die in uitvoering zijn om de ordening van het gebied nader te regelen middels een bijzonder plan van aanleg. (...) Hetzelfde kan eigenlijk gesteld worden betreffende de door de aanvragers naar voor gebrachte documenten betreffende de mestafzet. Artikel 5.9.8.3 §3 van het Vlarem II-besluit schrijft terzake voor dat de aanvrager moet kunnen aantonen dat alle geproduceerde mest Zoals beroepers ook in hun bezwaarschrift hebben aangetoond, levert het aanvraagdossier hiervan geenszins het bewijs. Uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij, noch uit het bestreden besluit kan opgemaakt worden of deze argumentatie van beroepers wel terdege werd onderzocht. In het aanvraagdossier steekt een lijst met een opsomming van 42 gronden waarnaar de mest zou afgevoerd worden, waarvan er echter ten hoogste 32 kunnen geïdentificeerd worden op een bijgevoegde copie van een luchtfoto. Van die resterende 32 gronden, kan men zich bovendien nog bij meerdere ernstige vragen stellen. De technische nota die in bijlage bij het bezwaarschrift werd gevoegd, toont zulks duidelijk aan. Zo liggen meerdere van de aangeduide gronden volgens het gewestplan in het natuurgebied, zoals de gronden met nrs. 13, 15, 26, en
- VII-17.332-4/13 In deze gebieden is volgens artikel 15 §5 van het mestdecreet vanaf 1 januari 1998 het uitspreiden van mest principieel verboden, zodat men zich kan afvragen of met deze percelen wel geldig rekening kan gehouden worden. Zelfs indien de aanvragers als exploitanten van een gezinsveeteeltbedrijf zouden kunnen genieten van een tijdelijke ontheffing van dit verbod, hetgeen in het advies van de Vlaamse Landmaatschappij wordt aangenomen, kan men de opportuniteit van het verder bemesten van deze percelen betwisten, die in casu bovendien nog middenin of vlakbij de Makegembossen gelegen zijn (zie de technische nota in bijlage bij het ingediende bezwaarschrift). Andere gronden die door de aanvragers opgegeven worden, liggen dan weer middenin het woonuitbreidingsgebied bij de dorpskern van Schelderode (zie de nrs. 20, 21, 22, 23 en 24). Met betrekking tot deze percelen, kan men betwijfelen of er op termijn wel waarborgen bestaan voor een ecologisch verantwoorde mestafzet, nu dit woonuitbreidingsgebied reglementair bestemd is om aangesneden te worden en om uit te groeien tot een volwaardig woongebied". 2.
- In het kader van de beroepsprocedure worden gunstige adviezen verleend door de Vlaamse Milieumaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij, de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van AROHM, het hoofdbestuur Milieuvergunningen van AMINAL en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. 2.
- Op 3 september 1998 wordt de thans bestreden beslissing genomen, die als volgt is gemotiveerd : "Overwegende dat onderhavige aanvraag een wijziging van een landbouwbe- drijf omvat door vermindering van het aantal runderen met 50 tot 81, door vermindering van het aantal varkens met 51 tot 19 alsmede de uitbreiding met een mestkippenstal voor 19.000 dieren, de opslag van 3.000 1 mazout, de opslag van 450 1 oliën, een melkkoeltank van 2,8 ton, de opslag van 1.200 m³ groenvoeders en het lozen van huishoudelijk afvalwater via een septische put in oppervlaktewater om te komen tot - 81 runderen; - 19 varkens (waarvan 16 zeugen); - 19.000 mestkippen; - de opslag van 3.000 1 mazout in bovengrondse houders (1 maal 1.000 1 en 1 maal 2.000 1 ); - de opslag van 450 l motoroliën; - een melkkoeltank (2,8 ton); - de opslag van 1.200 m³ groenvoeders; - het lozen van huishoudelijk afvalwater via een septische put in oppervlakte- water; Overwegende dat de nieuwe mestkippenstal met afmetingen van ongeveer 20 m bij 48 m een strooiselvloer omvat met verluchting via ventilatoren met verticale uitstoot op minder dan 0,5 m boven de nok en zonder pet; dat er geen mestopslag is vermits de mest na iedere ronde afgevoerd wordt zodat op basis van het stalconcept en de wijze van mestopslag volgens artikel 5.9.5.1 van titel II van het VLAREM aan de inrichting 150 waarderingspunten kunnen worden toegekend; dat volgens artikel 5.9.5.3 van titel II van het VLAREM de minimale afstand tot hindergevoelige gebieden 150 m bedraagt; dat het meest nabijgelegen hindergevoelige gebied op ongeveer 250 m van de nieuwe kippenstal gelegen is; dat aan deze voorwaarde bijgevolg voldaan wordt; VII-17.332-5/13 Overwegende dat de inrichting gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de percelen van de inrichting palen aan 2 straten (de Patrijzenstraat en de Bosstraat) en onbebouwde percelen; dat de onmiddellijke omgeving matig bewoond is; dat de afstand van de kippenstal tot de meest nabijgelegen vreemde woning ongeveer 150 m bedraagt; dat mag aangenomen worden dat de geurhinder een voor de agrarische omgeving aanvaardbaar niveau niet zal overschrijden; dat geen geluidshinder voor de buurt te vrezen valt; Overwegende dat de vergunningsaanvraag volledig en ontvankelijk verklaard werd op 16 oktober 1997 zodat de bepalingen van artikel 4 van het Vergunning- enbesluit (het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen) van toepassing zijn op deze aanvraag; Overwegende dat uit het advies van 9 juni 1998 van de Vlaamse Landmaat- schappij blijkt dat krachtens artikel 46 van titel I van het VLAREM de inrichting een vergunde mestproductie heeft van 3.239 kg P2O5; dat de exploitant met zijn vergunningsaanvraag de bedoeling heeft om te komen tot een vergunde mestproductie van 5.861 kg P2O5; dat de aanvraag betrekking heeft op een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie, zodat de bepalingen van artikel 4, §2,3/ van toepassing zijn; dat voldaan wordt aan alle criteria van voormeld artikel van het Vergunningenbesluit; dat de aanvraag bij gevolg verenigbaar is met het Meststoffendecreet van 23 januari 1991; Overwegende dat voldoende mengmestopslagcapaciteit voorzien is om een periode van 6 maanden te kunnen overbruggen; Overwegende dat de hinder van de exploitatie van de overige onderdelen van de aanvraag mits naleving van de opgelegde voorwaarden tot een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht; Overwegende dat de bezwaren aangehaald door de beroepsindieners als volgt kunnen worden geëvalueerd : - uit het principieel gunstige advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen in beroep blijkt dat de inrichting verenigbaar is met de voor het terrein geldende planologische voorschriften; de opgelegde voorwaarden beperken voldoende de hinder voor de omgeving; - uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de mestafzet bewezen is; - uit de hoger geciteerde overwegingen blijkt dat de aanvraag voldoet aan alle reglementaire bepalingen". 2.
- Op 13 januari 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merelbeke de bouwvergunning voor de kippenstal. Vervolgens wordt de administratieve beroepsprocedure doorlopen, en uiteindelijk verleent de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening op 9 augustus 2000 wel de gevraagde bouwvergunning. Hiertegen worden bij de Raad van State een annulatieberoep en een vordering tot schorsing ingesteld. De vordering tot schorsing wordt verworpen met het tussenarrest nr. 98.091 van 31 juli 2001, omdat het nadeel niet was aangetoond. Het annulatieberoep is nog hangende;
- Beoordeling VII-17.332-6/13 3.1.
- Overwegende dat het eerste middel als volgt wordt uiteengezet : "Eerste middel, genomen uit de schending van artikel 2 van de voor het Vlaams Gewest gecoördineerde stedenbouwwet, uit de schending van het KB van 14 september 1977 houdende vaststelling van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, uit de schending van artikel 15.4.6.1 van het KB van 28 december 1972, uit de schending van artikel 52, 3/ van het Vlarem I-besluit, en uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht der bestuurshandelingen. Doordat bij het bestreden besluit de milieuvergunning wordt verleend voor de uitbating van een nieuwe kippenstal voor 19.000 mestkippen, met afmetingen van 48 meter lengte en 20 meter breedte. En doordat het bestreden besluit terzake een besluit dd. 5 maart 1998 van de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen bevestigt, waarin bij wijze van bijzondere milieuvoorwaarde was opgelegd een Terwijl het perceel waarop de bestreden milieuvergunning betrekking heeft, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone waar overeenkomstig de vigerende bestemmingsvoorschriften beperkingen gelden met het oog op de landschapsbescherming en -ontwikkeling. En terwijl ook een milieuvergunningsaanvraag dient getoetst te worden aan de geldende planologische bestemmingsvoorschriften. En terwijl in casu, naast de agrarische bestemming, ook het criterium van de landschappelijke waarde niet mag veronachtzaamd worden door de besturen die kennis nemen van aanvragen die zich situeren in het gebied. En terwijl de concrete argumenten die beroepers betreffende dit landschappelijk waardevol karakter van het gebied hadden ontwikkeld in hun bezwaarschriften en in hun administratief beroep dd. 16 april 1998, in het bestreden besluit nergens besproken of weerlegd worden. En terwijl elke motivering aangaande de En terwijl het opleggen van een groenscherm rond de stal (cfr. artikel 3 C van het vergunningsbesluit van de bestendige deputatie, zoals bevestigd door de minister) door het bestuur nergens gemotiveerd wordt, zodat het er eerder op lijkt dat de overheid de inplanting zelf als hinderlijk aanziet, en dergelijk scherm op zich overigens onmogelijk het bezwaar van de strijdigheid met het landschappelijk waardevol karakter kan opheffen (zie o.a. R.v.St. Hellyn, nr. 65.802, 3 april 1997; R.v.St. Vandenhende, nr. 69.722, 21 november 1997 en nr. 70.184, 12 december 1997; R.v.St. Algoet, nr. 71.049, 23 januari 1998)"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat AROHM enkel een advies diende uit te brengen over de planologische en ruimtelijke verenigbaarheid van de inrichting met de woonomgeving, en niet over de milieuhinder, dat de inrichting alleszins verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift agrarisch gebied, dat de vraag of een bepaalde stedenbouwkundige toetsing al of niet afdoende is onder meer wordt beïnvloed door de "vanzelfsprekendheid" van de vergunningsaanvraag, de argumenten die in de beroepschriften werden aangevoerd en het lot dat de (indien reeds aangevraagde) bouwvergunning heeft gekend, dat er VII-17.332-7/13 grenzen zijn aan de motiveringsplicht, dat de beslissing de voorwaarde bevestigt dat een groenscherm moet worden aangelegd, dat de provinciale milieudeskundige stelde dat door een goede erfbeplanting het ganse bedrijf wordt of kan worden ingepast in het landschap, dat de inrichting niet is ingebed in open ruimte maar in een bosrijke omgeving met diverse begroeiing en dat het vereisen van een groenscherm niet betekent dat de inrichting niet aangepast zou zijn maar integendeel de meest geëigende oplossing is voor integratie in het landschap; 3.1.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog betoogt dat de gemeente Merelbeke bij besluit van 13 januari 1999 de bouwvergunning voor het bouwen van een kippenstal heeft geweigerd, omdat de aanvraag onverenigbaar was met een voorlopig vastgesteld bijzonder plan van aanleg; 3.1.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst in essentie wordt gesteld dat de vraag of een bepaalde stedenbouwkundige toetsing al of niet afdoende is onder meer beïnvloed wordt door de "vanzelfsprekendheid" van de vergunningsaanvraag, de argumenten die in de beroepschriften werden aangevoerd en het lot dat de aangevraagde bouwvergunning heeft gekend, dat de uitbating van een kippenstal overeenstemt met de grondkleur van de bestemming, en er dus principieel geen strijdigheid is met de bestemmingsvoorschriften, dat de formele motiveringsplicht niet vereist dat wordt ingegaan op elk van de in beroep aangevoerde argumenten, dat het duidelijk is dat de bestreden beslissing uitgebreid en omstandig en op afdoende wijze ingaat op de ruimtelijke en stedenbouwkundige aspecten, zodat verzoeker, mede gelet op gegevens welke hij reeds kent, kan oordelen waarom de door hem verdedigde stelling niet werd aangenomen, dat de provinciale milieudeskundige stelde dat een groenscherm de visuele hinder zal beperken en de inpassing in het landschap zal meebrengen, dat het niet is omdat er een groenscherm wordt vereist dat de inplanting van de inrichting hinderlijk is, en dat uit een luchtfoto blijkt dat er sprake is van een bosrijke omgeving zodat er geen sprake is van een homogeen open agrarisch gebied en dat er overigens een erfbeplantingsvoorstel werd opgemaakt; 3.1.
- Overwegende dat de inrichting volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, ligt in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat voor een dergelijk gebied de bestemmingsvoorschriften gelden die zijn neergelegd in artikel 11 en artikel 15.4.6.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de VII-17.332-8/13 toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen; dat artikel 15.4.6.1 van dit besluit het volgende bepaalt : "De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen"; Overwegende dat de toelaatbaarheid van inrichtingen in dergelijke gebieden derhalve aan een dubbel criterium moet worden getoetst: het planologische en het esthetische, hetgeen inhoudt dat de beoogde handelingen en werken moeten kunnen worden overeengebracht met de eisen van vrijwaring van het landschap; dat de overheid in haar beslissing de concrete gegevens moet vermelden waarop zij zich steunde om tot het besluit te komen dat de afgifte van de vergunning de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengt; dat de feitelijke gegevens en de beoordeling terzake dienen voor te komen in het besluit zelf; dat het bestreden besluit niet de minste motivering bevat omtrent de verenigbaarheid van de aanvraag met het bestemmingsvoorschrift landschappelijk waardevol gebied; dat in het beroepschrift van de omwonenden omstandig werd uiteengezet waarom de verenigbaarheid met het landschappelijk waardevol karakter van het gebied een probleem stelt; dat nochtans op die argumenten in de bestreden beslissing niet wordt ingegaan; dat het middel gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat het vierde middel als volgt luidt : "Vierde middel, genomen uit de schending van artikel 34, § 6, 2/ van het mestdecreet, uit de schending van artikel 4, § 2, 3/ juncto artikel 3, § 2, 3/ sub c van het Doordat in het bestreden besluit, wat de verenigbaarheid van de aanvraag met de mestreglementering betreft, verwezen wordt naar een advies dat de Vlaamse Landmaatschappij op 9 juni 1998 heeft verleend, advies waaruit volgens het bestreden besluit zou blijken dat voldaan is aan de normen van het mestdecreet en uitvoeringsbesluiten. Terwijl de in hoofding van het middel vermelde decretale en reglementaire bepalingen vereisen dat een aanvrager in de hypothese zoals in casu, bewijzen voorlegt voor een ecologisch verantwoorde mestafzet naar de toekomst toe. En terwijl beroepers, wat de mestproblematiek betreft, in hun bezwaar- en beroepschriften uitvoerig hadden gewezen op meerdere problemen die zich stellen met betrekking tot de door de aanvragers naar voor gebrachte mestafzetbewijzen voor de toekomst. VII-17.332-9/13 En terwijl aldus door beroepers was opgemerkt dat in het aanvraagdossier een lijst steekt met een opsomming van 42 gronden waarnaar de mest zou afgevoerd worden, waarvan er echter ten hoogste 32 konden geïdentificeerd worden op een bijgevoegde copie van een luchtfoto. En terwijl met betrekking tot die resterende 32 gronden, nog opgemerkt was dat meerdere percelen zich volgens het gewestplan in het natuurgebied bevinden (zoals de gronden met nrs. 13, 15, 26 en 32), waar volgens artikel 15, § 5 van het mestdecreet vanaf 1 januari 1998 het uitspreiden van mest principieel verboden is, of waar men minstens de opportuniteit van verdere bemesting kan betwisten, temeer nu bleek dat verschillende percelen zich middenin of vlakbij de Makkegembossen bevinden (zie verduidelijkingen in de technische nota gevoegd in bijlage bij het door beroepers gezamenlijk ingediende bezwaarschrift). En terwijl beroepers voorts hadden opgeworpen dat nog andere gronden die door de aanvragers opgegeven waren, middenin het woonuitbreidingsgebied bij de dorpskern van Schelderode liggen (bv. de nrs. 20, 21, 22, 23 en 24), en men in dit opzicht kan betwijfelen of er op termijn wel waarborgen bestaan voor een ecologisch verantwoorde mestafzet, nu de woonuitbreidingsgebieden reglementair bestemd zijn om aangesneden te worden en om uit te groeien tot volwaardig woongebied. En terwijl tenslotte de bestemming van meerdere door de aanvragers opgegeven percelen in het recente ontwerp-BPA En terwijl de loutere verwijzing in het bestreden besluit naar het advies dat de Vlaamse Landmaatschappij op 9 juni 1998 heeft verleend, beroepers niets leert over de precieze inhoud van dit advies, en beroepers niet duidelijk maakt om welke reden(en) hun argumenten door deze adviserende instantie niet weerhouden werden. En terwijl een bestuur dat zich de inhoud van een met zijn beslissing strokend advies eigen wenst te maken, in zijn besluit zelf tenminste moet aangeven welke de inhoud van dit advies is, temeer indien dit advies een antwoord zou vormen op argumenten die in het beroepschrift aangevoerd werden"; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat in het advies van de Vlaamse Landmaatschappij in uitgebreide termen wordt geoordeeld dat de aanvraag voldoet aan het mestdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten, dat zowel naar het verleden als naar de toekomst de mestafzet aanvaardbaar en wettig is, dat de Vlaamse Landmaatschappij rekening hield met het feit dat bepaalde gronden zich in natuurgebied bevinden, dat de bezwaren van verzoeker het nieuwe BPA en het GNOP betreffen, dat deze evenwel niet kunnen in aanmerking worden genomen wegens gebrek aan normerende kracht en dat er geen aanwijzing is dat het woonuitbreidingsgebied zal worden aangesneden; 3.2.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker stelt dat een loutere verwijzing naar het advies van de Vlaamse Landmaatschappij niet volstaat; VII-17.332-10/13 3.2.
- Overwegende dat in het verzoekschrift tot tussenkomst eerst kort wordt stil gestaan bij de reglementering en er wordt op gewezen dat de bestreden beslissing steun vindt in het gunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij dat op zijn beurt gesteund is op correcte en controleerbare feitelijke gegevens, dat de bezwaren van verzoeker werden geëvalueerd en verworpen, dat de Vlaamse Landmaatschappij wel degelijk beschikt over alle nuttige gegevens ter localisatie van de cultuurgronden nodig voor de mestafzet, dat de Vlaamse Landmaatschappij vaststelde dat de mestafzet naar de toekomst toe is bewezen, en zelfs verder ging dan nodig door rekening te houden met de verscherpte bemestingsnormen voor natuurgebieden, dat als op afdoende wijze vastgesteld is dat een verantwoorde mestafzet conform de terzake geldende reglementering werd bewezen, in het kader van de motiveringsplicht in de bestreden beslissing niet expliciet dient te worden geantwoord op de overige niet relevante bezwaren, dat aldus geen aandacht dient te worden besteed aan het ontwerp van BPA of het GNOP, bij gebrek aan normerende kracht ervan, dat niet blijkt dat het woonuitbreidingsgebied in de nabije toekomst zal worden aangesneden en dat de bezwaren van verzoeker werden beantwoord, temeer daar zijn bezwaren werden geëvalueerd door te stellen dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat de mestafzet bewezen is; 3.2.
- Overwegende dat artikel 34, §6, 2/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet) het volgende bepaalt : "§6 De Vlaamse Regering stelt per geval zoals bedoeld in §3 de regels vast waaraan deze bedrijven bij de milieuvergunningsaanvraag moeten voldoen inzake : (...) 2/ de bewijsvoering van mestafzet in de toekomst conform de normen aan de hand van afzet op tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden, overeenkomsten met gebruikers, overeenkomsten met erkende mestverhandelaars, overeenkomsten met verwerkers en/of overeenkomsten voor het exporteren van dierlijke mest. De modellen waaraan deze overeenkomsten moeten voldoen worden vastgesteld door de Vlaamse regering". dat verzoeker in zijn beroepschrift stil staat bij de vraag inzake de bewijsvoering van de mestafzet; dat hij daarin betoogt dat het aanvraagdossier van de milieuvergunning niet bewijst dat de geproduceerde mest op een ecologisch verantwoorde wijze zal kunnen worden afgezet en argumenteert waarom dit volgens hem het geval is; dat artikel 52, 3/ van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bepaalt dat de uitspraak over het beroep een gemotiveerde beslissing over de aanspraken en bezwaren die door de indieners van het beroep werden gesteld, moet VII-17.332-11/13 omvatten; dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereisen dat bestuurshandelingen zoals de thans bestredene afdoende formeel gemotiveerd moeten zijn; dat te dezen de motivering inzake de verenigbaarheid van de vergunningsaanvraag met het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten van primordiaal belang is -het gaat om een veeteeltbedrijf-, vermits een onverenigbaarheid moet leiden tot de weigering van de vergunning; dat aan de motivering terzake dus hoge eisen moeten worden gesteld, hetgeen impliceert dat een concreet en pertinent antwoord wordt geboden op de argumenten die in het beroepschrift inzake het bewijs van de mestafzetmogelijkheden werden aangevoerd; dat in de bestreden beslissing echter niet wordt uitgelegd waarom "voldaan wordt aan alle criteria van (artikel 4, § 2, 3/) van het vergunningenbesluit" en evenmin wordt aangegeven waarom de concrete bezwaren van de beroepsindieners niet werden gevolgd; dat het middel gegrond is in zoverre daarin de schending van de formele motiveringsplicht wordt aangevoerd, BESLUIT: Artikel
- De afstand wordt vastgesteld in hoofde van eerste, tweede, vierde en vijfde verzoeker. Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 3 september 1998 waarbij de beroepen ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 5 maart 1998, houdende het verlenen aan Daniël en Bertrand GOETRY van een milieuvergunning om aan de Patrijzenstraat 1 te Schelderode-Merelbeke, op percelen kadastraal gekend onder sectie B, nrs. 352 d, 357 b en 357 c, een veeteeltbedrijf met 131 runderen en 70 varkens om te vormen naar 81 runderen, 19 varkens en 19.000 mestkippen, met bijhorende opslag van mazout en groenvoeders, ongegrond worden verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel
- VII-17.332-12/13 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 867,65 euro, komen voor een vijfde ten laste van de verwerende partij, en voor vier vijfden ten laste van eerste, tweede, vierde en vijfde verzoeker, elk voor een vijfde De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 247,90 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.332-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.744 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.449 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.