← België

Arrest 152745 - - 15/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.745 Rolnummer: A. 91786/VII-21342 Zaak: Arrest 152745 - - 15/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:42 Fiche Arrest nr 152.745 van 15 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.745 van 15 december 2005 in de zaak A. 91.786/VII-21.342. In zake : Maria SYOEN, wonende te KORTEMARK, Kaaistraat 4 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaten G. MARTYN, P. DEJONCKHEERE, J. COLPAERT en I. DE TANDT, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria SYOEN op 12 mei 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 9 maart 2000 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de weigering van de Mestbank van 24 september 1999 tot notificatie als gezinsveeteeltbedrijf van verzoeksters inrichting, gevestigd Kaaistraat 4 te Kortemark; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 21 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoekster en de laatste memorie van de verwerende partij; VII-21.342-1/7 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BEECKMAN die, loco Advocaat I. DE TANDT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden weergegeven : 1.1. Bij brief van 21 september 1999 weigert de Mestbank de notificatie van verzoeksters bedrijf als gezinsveeteeltbedrijf wegens het ontbreken van de "voorwaarde van economische zelfstandigheid". Op 20 oktober 1999 tekent verzoekster hiertegen beroep aan. 1.2. Bij ministerieel besluit van 9 maart 2000 wordt dit beroep ongegrond verklaard op grond van volgende motivering : "Overwegende dat mevr. Syoen Maria de volgende aanspraken en bezwaren doet gelden : '... Uit de naleving van voorgaande punten moet u tot het besluit komen dat ik een zelfstandige landbouwer ben, die zowel op economisch als op financieel vlak een onafhankelijke koers vaar. Het feit dat voor bepaalde landbouwproducten prijsafspraken worden gemaakt, ontneemt het zelfstandig karakter niet. Zo is het bijvoorbeeld schering en inslag dat bij de aardappelteelt, de teelt van vollegrondsgroenten, suikerbieten, ... jaarlijks met de verwerkende industrie contracten worden afgesloten omtrent prijs en afnameverbintenissen. Dit ontneemt het zelfstandig karakter van het landbouwbedrijf niet. Zo ook kan een prijsafspraak met een afnemer van varkens of een leverancier van voeders of een andere partij de kweker zijn economische zelfstandigheid niet ontzeggen. Als bewijs van de financiële en economische zelfstandigheid heb ik de afgetekende fakturen van de aankoop van mijn biggen, de afgetekende fakturen van de aankoop van nodige voeders, de verkoopfakturen van de VII-21.342-2/7 verkoop van mijn slachtvarkens en tussenkomsten prijsgarantie, om aan de vooraf afgesproken prijsverbintenissen te voldoen, in mijn bezit ... '. Overwegende dat de voormelde weigering tot notificatie als gezinsveeteeltbe- drijf door de Vlaamse Landmaatschappij, afdeling Mestbank als volgt is gemotiveerd : Voorwaarde van de economische zelfstandigheid'. Overwegende dat het contract opgesteld tussen mevrouw Syoen Maria en de NV. Voeders Dick niet voldoet aan de voorwaarden gesteld aan een prijsgaran- tie contract; Overwegende dat in artikel 8 van het contract is opgenomen dat alle dieren waarvan sprake in de overeenkomst niet vatbaar zijn voor eventuele landbouw- voorrechten en/of hypotheken die bij de kweker door derden verworven zijn. Dat dit duidelijk wijst op het feit dat de landbouwer geen eigenaar is van de dieren; Overwegende dat in het contract geen clausule werd ingebouwd die weergeeft wat er gebeurt indien de marktprijs voor de afgenomen mestvarkens hoger of lager ligt dan de garantieprijs; Overwegende dat het bedrijf niet voldoet aan de voorwaarden opgelegd in artikel 2 bis § 2,5/

  1. a)van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden weigering te bevestigen". Dit is de bestreden beslissing; 2. Beoordeling 2.1.1. Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoekster daarover het volgende stelt : "Het bestreden besluit van de Mestbank werd door de Minister bevestigd zonder bijkomende motivering. Dergelijke overwegingen, zoals in de bestreden beslissing verwoord, kaderen niet in de vereisten van de wet van 29/07/1991, welke eist dat de individuele administratieve beslissing de feitelijke en juridische elementen moet bevatten die ze ondersteunen. De in beroep beslissende overheid, in casu de Minister, moet een eigen redengeving doen kennen, en mag zich niet zonder meer aansluiten bij een eerder gegeven advies, tenzij aangegeven wordt waarom.(zie RvSt, nr. 60.612, 28/06/1996). Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de Minister zich zonder meer aansluit bij de in Eerste Aanleg genomen beslissing en waarom kan worden voorgehouden dat er geen nieuwe elementen worden aangebracht, temeer er precies WEL nieuwe elementen bij het beroep aan de Minister werden gevoegd. Er wordt in de bestreden beslissing NERGENS gemotiveerd WAAROM de zeer concrete argumenten en stukken aangebracht door verzoekster, als onvoldoende worden geacht. Dat dergelijke weigeringsconsideransen als loutere affirmaties overkomen. VII-21.342-3/7 Verzoekster verwijst ook uitdrukkelijk naar een vergelijkbare aangelegenheid, waarbij de Raad van State een ander besluit van dezelfde Minister heeft VERNIETIGD. (zie RvSt, nr. 76.160 van 08/10/1998 inzake A. 78.474/VII- 16.652)"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij daar tegenover het volgende stelt : "Verzoekster kan onmogelijk beweren dat het besluit van de Mestbank door de Minister bevestigd werd 1. niet voldaan zijn aan de voorwaarden gesteld aan een prijsgarantiecontract 2. de eigendom van de dieren komt de kweker niet toe op grond van art.8 van de genoemde overeenkomst 3. er is geen clausule m.b.t. de gevolgen van schommeling van de marktprijzen. Daarbij komt nog dat uit de door verzoekster overgelegde prijsgarantieover- eenkomst blijkt dat alle biggen en alle voeders gekocht worden bij N.V VOEDERS DICK en dat enkel en alleen verkocht wordt aan de door dezelfde N.V VOEDERS DICK aangewezen slachthuizen. Het is dus duidelijk dat verzoekster economisch volledig afhangt van N.V VOEDERS DICK. Het (financiële) feit dat zij aan deze vennootschap alle facturen betaalt, doet niets af aan de (economische) afhankelijkheid. Naast deze feitelijke argumenten vermeldt het bestreden besluit ook uitdrukkelijk de juridische basis : artikel 2bis, 2, 5/
  2. a)van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991; In het verslag van onderzoek (stuk 5 adm.doss.), waarnaar door het bestreden besluit verwezen wordt, wordt deze bepaling uitgebreid besproken; Er is dus wel degelijk voldaan aan de motiveringsplicht, zoals onder meer vastgelegd in de wet van 29.07.1991. Als verzoekster in het verzoekschrift beweert dat heid met zich mee brengen"; 2.1.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord haar toelichting uit het verzoekschrift herneemt; 2.1.4. Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit een vergelijking van de bestreden beslissing met de in eerste aanleg genomen beslissing wel degelijk blijkt dat de bestreden beslissing een eigen redengeving bevat; dat eveneens de door VII-21.342-4/7 verzoekster ingeroepen beroepsargumenten werden beantwoord; dat de formele motivering niet vereist dat de overheid de motieven van haar motieven vermeldt; dat het middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat in een tweede middel wordt aangevoerd dat de verwerende partij een "verkeerde toepassing en invulling van het decreet van 20.12.1995" heeft gemaakt; dat het middel als volgt wordt uiteengezet : "Omtrent het begrip Het geven van de juiste interpretatie van een begrip, betreft de wettigheid van een beslissing, zodat het de Raad van State toekomt dit onderzoek te verrich- ten!( zie Raad van State, Arrest nr. 56.419, R.W. 1995-96, 924)"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij het middel interpreteert in die zin dat hoewel verzoekster een prijsgarantiecontract heeft voorgelegd, hetgeen overeenkomstig artikel 2bis, 5/,
  3. a)van het Mestdecreet geen grond is om te besluiten dat aan de voorwaarde van de economische zelfstandigheid niet is voldaan, de minister niettemin heeft besloten dat aan die voorwaarde niet is voldaan, zodat aldus de verwerende partij een eigen interpretatie en appreciatie heeft gegeven aan deze voorwaarde die geen steun vindt in het decreet; dat de verwerende partij voorts in essentie repliceert met de verwijzing naar de redenen waarom zij geoordeeld heeft dat het bedoelde contract geen prijsgarantiecontract is, met name omdat er uit blijkt dat verzoekster geen eigenaar is van de dieren; dat zij stelt dat vermits in artikel 2bis, 5/,
  4. a)geen nadere omschrijving van het begrip "contract met vooraf gegarandeerde afnameprijzen" werd gegeven, de minister niet anders kon dan dit begrip te interpreteren in zijn gebruikelijke betekenis; 2.2.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord haar toelichting uit het verzoekschrift herneemt; 2.2.4. Overwegende dat artikel 2, § 1, 2/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen; dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid welke zou zijn geschonden als de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat verzoekster niet uiteenzet hoe de VII-21.342-5/7 bestreden beslissing het begrip "economische zelfstandigheid" heeft geschonden; dat het middel niet kan worden aangenomen; 2.3.1. Overwegende dat in een derde middel de schending wordt ingeroepen van het gelijkheidsbeginsel; dat verzoekster dit middel als volgt uiteenzet : "Bepaalde bedrijven die identiek zijn aan dit van verzoekster, werden WEL als gezinsveeteeltbedrijf bestempeld. Het gelijkheidbeginsel strekt ertoe voor iedere rechtspersoon dezelfde mogelijkheden te bieden. Het is onaanvaardbaar dat wat voor één burger kan, voor een andere niet zou kunnen, louter op basis van een andere interpretatie per provincie"; 2.3.2. Overwegende dat de verwerende partij daarop het volgende antwoordt : "Verzoekster maakt geenszins duidelijk welke andere bedrijven in precies dezelfde omstandigheden anders zouden behandeld worden. Bij gebrek aan duidelijkheid en concreetheid, moet op dit middel dan ook niet geantwoord worden"; 2.3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord de uiteenzetting van het verzoekschrift herneemt; 2.3.4. Overwegende dat met de verwerende partij moet vastgesteld worden dat het middel zeer summier en vaag is uitgewerkt; dat de daarin ontwikkelde stelling in wezen slechts steunt op beweringen, die noch worden toegelicht, noch worden gestaafd; dat het middel niet kan worden aangenomen; 2.4.1. Overwegende dat in een vierde middel het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden geacht; dat verzoekster desbetreffende het volgende uiteenzet : "In casu is er een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel. Het rechtmatig vertrouwen van verzoekster in de overheid wordt geschokt door het zomaar weigeren van een vergunning op basis dan nog van een onjuiste interpretatie van wetgeving. Het is overigens zeker niet redelijk geen overgangsperiode te voorzien, temeer er op het vlak van mestafzetproblematiek bij de overheid zelf volledige onduidelijkheid heerst omtrent de haalbaarheid van bepaalde normen en invulling van bepaalde begrippen"; 2.4.2. Overwegende dat de verwerende partij het volgende repliceert : VII-21.342-6/7 "De interpretatie die verzoekster in haar vierde middel geeft van het redelijkheidsbeginsel komt erop neer dat, mocht om een andere reden een bestreden besluit effectief vernietigd worden, dit meteen ook de schending van het redelijkheidsbeginsel met zich mee brengt, omdat Het door verzoekster aangehaalde vierde middel bevat met andere woorden geen apart te beantwoorden argumentatie"; 2.4.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord opnieuw de in het verzoekschrift gegeven uiteenzetting herhaalt; 2.4.4. Overwegende dat verzoekster evenmin aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing de aangehaalde rechtsbeginselen schendt; dat deze vaststelling volstaat om het middel niet kan worden aangenomen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-21.342-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.745 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.