← België

Arrest 152816 - - 15/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.816 Rolnummer: A. 168440/VII-35440 Zaak: Arrest 152816 - - 15/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Fiche Arrest nr 152.816 van 15 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.816 van 15 december 2005 in de zaak A. 168.440/XIV-24.

  1. In zake : XXX, handelend in eigen naam en in naam van haar minderjarig kind XXX die woonplaats kiezen bij Advocaat M. POKORNY, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10 / 002 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX, geboren op 10 maart 1980 en van Russische nationaliteit, handelend in eigen naam en in naam van haar minderjarig kind XXX, geboren op 14 juni 2005 en van Russische nationaliteit, op 7 december 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 november 2005 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 12 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 14 december 2005 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. POKORNY, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.213-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
  3. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier en het rechtsplegingsdossier blijkt dat de bestreden beslissing dateert van 30 november 2005 en op dezelfde datum aan verzoekster werd ter kennis gebracht; dat tevens blijkt dat verzoekster per aangetekend schrijven van 7 december 2005 een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend, zodat zij alert en diligent heeft gehandeld en bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, § 1 en 2; 1.2.
  4. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoekster in een eerste onderdeel van dit middel toegeeft dat volgens de “Conventie van Dublin van 15 juni 1990”, “de wet van 11 mei 1995”, “(de) Europese Verordening (EG) 343/2003” en de “wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”, de door haar geformuleerde asielaanvraag moet worden behandeld door de Poolse autoriteiten; Overwegende dat deze zienswijze op het eerste gezicht correct is; Overwegende dat verzoekster evenwel humanitaire redenen zou hebben ingeroepen om vooralsnog te verkrijgen dat de Belgische asielinstanties haar asielaanvraag zouden behandelen; XIV-24.213-2/5 Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de Advocate van verzoekster twee brieven schreef naar de Dienst Vreemdelingenzaken, op 29 november 2005, waarin werd aangekondigd dat de partner van verzoekster zijnde de heer S. A., geboren op 28 oktober 1974 en van Russische nationaliteit, zijn schriftelijk relaas in verband met de humanitaire redenen zou overmaken aan zijn Advocate op 30 november 2005; dat de Advocate daaraan toevoegt dat zij dit schriftelijk relaas op 30 november 2005 zou overmaken aan de Dienst Vreemdelingenzaken; dat dit evenwel niet blijkt uit het administratief dossier, vermits dit schriftelijk relaas zich niet in dit dossier bevindt, zodat de verwerende partij dit relaas niet bij haar in overwegingneming kon betrekken; dat enkel verzoekster zich heeft aangemeld bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 30 november 2005 met haar minderjarig kind XXX; dat de partner van verzoekster zich niet heeft aangemeld op 30 november 2005 en evenmin op andere vroegere data, zodat hij voornoemd schriftelijk relaas niet heeft overhandigd aan de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat dit blijkt uit de samenlezing van de stukken met het nummer 34, 37 en 38 van het administratief dossier; dat de Raad van State geen acht mag slaan op stuk nr. V van het dossier van verzoekster, waarin de humanitaire redenen worden vermeld, vermits dat stuk niet werd voorgelegd aan de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat niet blijkt uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan dat verzoekster tijdens haar verhoor van 30 mei 2005, aan de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de stukken I, II, III, IV, V en VI overhandigde die de bijlagen konden uitmaken van voornoemde brieven van 29 november 2005; Overwegende dat verzoekster in een tweede onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de gemachtigde van de bevoegde Minister een appreciatiefout zou hebben begaan en de motiveringsplicht zou hebben geschonden; Overwegende dat de verwerende partij op het eerste gezicht rekening hield met alle relevante gegevens uit het administratief dossier bij het nemen van de bestreden beslissing waarvan de motieven pertinent, deugdelijk en draagkrachtig zijn, en dat prima facie geen appreciatiefout werd begaan; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; XIV-24.213-3/5 1.2.
  5. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van “de Conventie van Dublin van 15 juni 1990, de wet van 11 mei 1995 houdende de goedkeuring van de overeenkomst betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij één van de Lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingeleid”, van de “Europese Verordening (EG) 343/2003” en de “Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”; Overwegende dat verzoekster deze beweerde schending baseert op de omstandigheid dat uit het administratief dossier blijkt dat zij niet werd geïnformeerd dat de Poolse autoriteiten het verzoek tot overname volgens de bestreden beslissing hebben aanvaard op 6 juli 2005; Overwegende dat op basis van desbetreffende toepasselijke wetsbepa- lingen in materiële zin, de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat op het eerste gezicht een absoluut karakter heeft, zodat de beslissingnemende Belgische overheid, eens de verantwoordelijke lidstaat werd bepaald (Polen) en deze de Belgische overheid niet heeft verzocht het asielverzoek te behandelen -wat blijkt uit de instemming van Polen met de overname- niet meer over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zodat de aanvaarding van het verzoek tot overname door Polen op 6 juli 2005, op het eerste gezicht geen schending uitmaakt van de in het tweede middel aangehaalde Conventie, Verordening en Wetten in formele zin; dat bovendien de EG-Verordening nr. 343/2003 op het eerste gezicht geen termijn oplegt waarbinnen de asielzoeker in kennis dient te worden gesteld van de overname; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 1 en 2; dat deze vaststelling volstaat om de ingestelde vordering te verwerpen, XIV-24.213-4/5 BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-24.213-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.816 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.