id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.876 Rolnummer: A. 61428/IX-1242 Zaak: Arrest 152876 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 06:48 Fiche Arrest nr 152.876 van 19 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.876 van 19 december 2005 in de zaak A. 61.428/IX-
- In zake : Gerda VANDENBROUCKE, die woonplaats kiest bij advocaten I. CLAESSENS en I. LAUWAGIE, kantoor houdende te BLANKENBERGE, Elisabethstraat 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerda VANDENBROUCKE op 16 december 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “
- de beslissing van de Militaire Commissie van beroep voor geschiktheid en reform (MCBGR) de dato 26 oktober 1994 (...) waarbij verzoekster lichamelijk definitief ongeschikt verklaard werd voor de dienst
- de beslissing van de heer Minister van Landsverdediging de dato 6 oktober 1994, aangezegd op 26 oktober 1994, waarbij het verzoek tot zesendertig maanden afwezigheid om gezondheidsredenen geweigerd werd”; Gelet op het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-1242-1/14 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 2 september 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. VERBESSELT die, loco advocaten I. CLAESSENS en I. LAUWAGIE verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995; Overwegende dat dit arrest de vordering tot schorsing van de twee bestreden beslissingen verworpen heeft omdat de middelen die verzoekster aanvoerde tegen het besluit van 26 oktober 1994 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform (hierna: de MCBGR) niet ernstig waren en omdat de IX-1242-2/14 verwerping van die vordering aan verzoekster het belang ontnam bij de vordering tot schorsing van de ministeriële beslissing van 6 oktober 1994, aangezien verzoekster ten gevolge van de beslissing van 26 oktober 1994 vanaf 1 februari 1995 op rustpensioen gesteld is en een schorsing van de beslissing houdende de weigering om haar ziekteverlofkrediet tot 36 maanden te verhogen het nadeel dat zij van die beslissing mogelijk heeft ondergaan sinds haar oppensioenstelling niet meer kan goedmaken; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep betwist aangezien, wat het eerste bestreden besluit betreft, het “de facto eigenlijk uitgesloten (is)” dat de MCBGR, ingeval van vernietiging van de beslissing van 26 oktober 1994, tot een ander besluit dan de definitieve medische ongeschikt- heid van verzoekster zal komen, nu het dossier van de MCBGR een medisch verslag bevat van een geneesheer-cardioloog van het militair hospitaal waarin deze besluit dat verzoekster ongeschikt is voor de dienst met “stress als uitlokkende factor”, dat haar kwaal “ongeneesbaar en niet vatbaar voor verbetering (is)” en dat de ongeschiktheid “vermoedelijk meer dan 36 maanden zal duren”; dat zij het beroep tegen het tweede bestreden besluit onontvankelijk acht omdat de MCBGR verzoekster op 26 oktober 1994 definitief ongeschikt verklaard heeft voor de dienst en de verwerping van het beroep tegen dat besluit -het eerste bestredene- betekent dat verzoekster met ingang van 1 februari 1995 op rustpensioen gesteld is en dat zij bijgevolg “onmogelijk nog (kan) genieten van een afwezigheid om gezondheidsredenen van 36 maanden”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij niet aantoont dat de MCBGR, na vernietiging van haar beslissing van 26 oktober 1994, de absolute verplichting zal hebben een beslissing met dezelfde inhoud te treffen; dat het bijgevolg niet uitgesloten is dat, na een vernietigingsarrest, de commissie een beslissing neemt die voor verzoekster gunstiger uitvalt dan de bestredene; IX-1242-3/14 Overwegende dat de tweede exceptie stoelt op de hypothese dat het annulatieberoep tegen het besluit van de MCBGR verworpen wordt; dat in die zin de exceptie verbonden is met het onderzoek ten gronde van het beroep tegen de beslissing van de MCBGR; dat, ingeval deze beslissing vernietigd zou worden, verzoekster wel degelijk ook belang heeft bij de vernietiging van de weigering om haar een ziekteverlofkrediet voor 36 maanden toe te staan; dat het in die omstandig- heden aangewezen is eerst de gegrondheid van het beroep te onderzoeken wat het eerste voorwerp betreft; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiveringsbeginsel, doordat de beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform (hierna: de MCGR) vaag en algemeen gemotiveerd is, doordat de MCBGR, oordelend in beroep, die motivering wel nader uitgewerkt heeft maar dat zij nog altijd geen “objectieve vergelijkings- grond” aangeduid heeft evenmin als zij “een expliciet verband met de definitieve ongeschiktheid (aantoont)”; dat zij in het kader van dit middel er ook op wijst dat zij aan de MCBGR gevraagd heeft om haar tuchtdossier dat binnen haar eenheid was opgesteld bij het dossier te voegen maar dat de voorzitter eigenmachtig besloten heeft zulks niet te doen en hij daarvoor geen gegronde motivering opgeeft; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord haar opmerkingen geformuleerd in de schorsingsprocedure hernomen heeft en bijkomend verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 52.632; dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen repliek heeft gegeven; 3.3.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995 het middel, betrokken op de beslissing van de MCBGR, als volgt beoordeeld heeft : “Overwegende dat de verwerende partij terecht opmerkt dat verzoekster de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform van 26 oktober 1994 bestrijdt en niet die van de Militaire Commissie voor IX-1242-4/14 Geschiktheid en Reform van 14 juli 1994; dat het middel, wat deze laatste beslissing betreft, dan ook niet moet worden onderzocht; Overwegende dat krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de bestreden beslissingen ‘uitdrukkelijk’ en ‘afdoende’ gemotiveerd dienen te worden; dat het doel van de motiveringsplicht erin bestaat dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing, door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn; Overwegende, wat de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform van 26 oktober 1994 betreft, dat dient te worden vastgesteld dat deze uitdrukkelijk gemotiveerd is; dat deze uitdrukkelijke motivering meer dan een zuivere stijlformule is en ‘afdoende’ en voldoende draagkrachtig is; dat verzoekster kennis blijkt te hebben van deze motivering vooraleer zij haar verzoekschrift heeft ingediend zodat in ieder geval de finaliteit van de verplichting tot formele motivering werd bereikt; dat uit het betoog van de verwerende partij en uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform op 26 oktober 1994 uitspraak heeft gedaan over de definitieve lichamelijke ongeschiktheid van verzoekster, bij toepassing van artikel 2, 2/, van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de Militaire Commissies voor Geschiktheid en Reform; dat uit artikel 2, 1/, van het voornoemde koninklijk besluit van 5 oktober 1959 blijkt dat de Commissie enkel in geval van tijdelijke ongeschiktheid moet ‘constateren’ ‘of er een verband is tussen de ziekte en de dienst’; dat in de beslissing van de Commissie van 26 oktober 1994 dan ook niet uitdrukkelijk dient gemotiveerd te worden om welke redenen het ‘tuchtdossier’ door de Commissie niet werd opgevraagd voor de behandeling van het beroep van verzoekster; dat bovendien de motivering niet dient in te gaan op alle aangevoer- de feitelijke en juridische argumenten; dat de beslissing van 26 oktober 1994 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform, op het eerste gezicht, derhalve op motieven steunt die deze beslissing in rechte en in feite behoorlijk verantwoorden;” 3.3.
- Overwegende dat die redenering thans, voor wat de grond van de zaak betreft, bijgevallen wordt; dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van haar rechten van verdediging en van het recht om nuttig haar standpunt naar voor te brengen, doordat de voorzitter van de MCBGR geweigerd heeft in te gaan op haar vraag om haar tuchtdossier bij het dossier te voegen en zij op dat vlak dan ook haar elementen van verdediging niet naar voren heeft kunnen brengen; dat IX-1242-5/14 zij in dat verband ook uiteenzet dat zij niet vooraf in kennis gesteld werd van het precieze verloop van de procedure; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de opmerkingen geformuleerd in de schorsingsprocedure herneemt en bijkomend verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 52.632; dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord te dien aanzien geen repliek heeft gegeven; 4.3.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995 het middel, betrokken op de beslissing van de MCBGR, als volgt beoordeeld heeft : “Overwegende dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken; dat, aangezien het in casu niet gaat om een strafzaak en evenmin om een tuchtzaak, het recht van verdediging als zodanig niet van toepassing is; Overwegende dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; (...) Overwegende, wat de beslissing van 26 oktober 1994 van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform betreft, waarbij verzoek- ster lichamelijk definitief ongeschikt werd beoordeeld, dat dient te worden vastgesteld dat aan verzoekster met een brief van 5 oktober 1994 door de officier-secretaris werd meegedeeld dat de zaak in beroep zal onderzocht worden op 26 oktober 1994 en dat zij gemachtigd is zich te laten bijstaan door een door haar gekozen raadsman; dat verzoekster op 26 oktober 1994 voor de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform is verschenen en werd bijgestaan door haar echtgenoot; dat aldus artikel 11, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de Militaire Commissies voor Geschiktheid en Reform werd nageleefd; dat verzoekster dus duidelijk in de mogelijkheid was om haar standpunt voor de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform te laten kennen; dat bij het onderzoek van het eerste middel vastgesteld werd dat de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform niet verplicht is het ‘tuchtdossier’ op te vragen voor de behandeling van het beroep van verzoekster; dat niet blijkt dat het recht van verzoekster om haar standpunt te laten kennen werd geschonden; dat het tweede middel niet ernstig is, in de mate het gericht is tegen de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform van 26 oktober 1994; Overwegende dat verzoekster eveneens stelt dat ‘zij niet vooraf in kennis werd gesteld van het precieze verloop van de procedure’; dat zij in haar verzoekschrift tot schorsing niet duidelijk maakt op welk van de twee bestreden IX-1242-6/14 beslissingen deze stelling betrekking heeft; dat zij evenmin aantoont welke rechtsregel werd overtreden en op welke wijze deze rechtsregel zou zijn overtreden, zodat dit onderdeel van het middel niet ontvankelijk is;” 4.3.
- Overwegende dat die redenering thans, voor wat de grond van de zaak betreft, bijgevallen wordt; dat het middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoekster in het derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwerende partij, in strijd met het reglement A12/2 een tweede procedure tegen haar opgestart heeft -te weten de procedure voor de MCGR- zonder dat de eerste procedure -haar aanvraag voor 36 maanden afwezigheid om gezondheidsredenen- afgehandeld was, hoewel zij de verwerende partij daarvan in kennis gesteld had; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord haar opmerkingen geformuleerd in de schorsingsprocedure herneemt en bijkomend verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 52.632; dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord geen repliek heeft gegeven; 5.3.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995 het middel als volgt beoordeeld heeft : “Overwegende dat de ‘voorlopige onderrichting betreffende de afwezigheden om gezondheidsredenen - 1989’ een hoofdstuk 6 bevat : ‘Medisch onderzoek en het opstellen van de getuigschriften om voor de MCGR te verschijnen’; dat dit hoofdstuk 6 een paragraaf 601 ‘rechten en plichten van de korpscomman- dant’ bevat; dat in fine van deze paragraaf als ‘opmerking’ gesteld wordt : ‘Militair onderworpen aan meerdere procedures. Het gebeurt dat militairen tegelijkertijd aan meerdere procedures onder- worpen worden die het verlaten van de dienst tot gevolg kunnen hebben. In dergelijke gevallen mogen de procedures terzelfdertijd doorgevoerd worden met dien verstande dat de procedure die het eerst begonnen werd (medisch getuigschrift voor de procedure MCGR of model B voor de andere) ook het eerst moet afgehandeld worden vooraleer een uitspraak in de andere procedure mag vallen;’ dat de procedure met betrekking tot de aanvraag van verzoekster om te kunnen genieten van 36 maanden afwezigheid om gezondheidsredenen door verzoekster ingeleid werd met een model B op 7 maart 1994, doch niet tot een ‘verlaten van de dienst’ leidt; dat deze procedure kan worden ingesteld om langer in dienst te kunnen blijven (artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 23 maart 1989); dat IX-1242-7/14 de ‘opmerking’ in fine van paragraaf 601 van het genoemde reglement derhalve in casu niet van toepassing is; dat verzoekster het middel aanvoert tegen de beslissing van de Militaire Commissie voor Geschiktheid en Reform van 14 juli 1994, hetgeen niet de bestreden beslissing is; dat overigens de beslissing van de Militaire Commissie van Beroep voor Geschiktheid en Reform genomen werd op 26 oktober 1994, dit is nadat de Minister op 6 oktober 1994 beslist had met betrekking tot de aanvraag ‘36 maanden afwezigheid om gezondheidsredenen’; dat verzoekster niet duidelijk maakt op welke wijze het zorgvuldigheidsbeginsel zou geschonden zijn; dat het derde middel niet ernstig is;” 5.3.
- Overwegende dat die redenering thans, voor wat de grond van de zaak betreft, bijgevallen wordt; dat het middel niet gegrond is; 6.
- Overwegende dat verzoekster in het vierde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en stelt dat zij de bestreden maatregel als een tuchtstraf ervaart; dat zij betoogt dat er een tuchtdossier tegen haar is samengesteld waaruit blijkt dat zij door haar oversten gezocht werd “op meerdere domeinen, maar nooit op haar geleverde werk en/of haar resultaten” en dat het bij haar overkomt dat de overheid haar, in het kader van de inkrimping van het leger, zo snel mogelijk buiten de krijgsmacht wenste te plaatsen; 6.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord de opmerkingen geformuleerd in de schorsingsprocedure herneemt en bijkomend verwijst naar de overwegingen van het arrest nr. 52.632; dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord te dien aanzien geen repliek heeft gegeven; 6.3.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 52.632 van 3 april 1995 het middel als volgt beoordeeld heeft : “Overwegende dat verzoekster in haar verzoekschrift niet duidelijk maakt op welk van de twee bestreden handelingen dit middel betrekking heeft; Overwegende dat waar verzoekster stelt dat zij de bestreden maatregel ervaart als een verdoken disciplinaire maatregel, uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat één van de twee bestreden beslissingen gesteund is op disciplinaire gronden; dat een tuchtmaatregel immers als voornaamste motief heeft een ambtenaar voor een tekortkoming te bestraffen; dat verzoekster bij haar vordering tot schorsing weliswaar een reeks stukken voegt die deel IX-1242-8/14 uitmaken van wat zij een ‘tucht- en beoordelingsdossier’ noemt; dat de motivering van de bestreden beslissingen nergens doet blijken dat enig tuchtmotief aanwezig was bij het nemen van deze beslissingen; Overwegende dat verzoekster niet duidelijk en aannemelijk maakt dat de bestreden beslissingen het redelijkheidsbeginsel schenden; dat uit geen enkel gegeven kan worden afgeleid dat de overheid bij het nemen van de bestreden beslissingen kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld; dat het vierde middel niet ernstig is;” 6.3.
- Overwegende dat die redenering thans, voor wat de grond van de zaak betreft, bijgevallen wordt; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord twee nieuwe middelen aanvoert; dat beide middelen steunen op gegevens die verzoekster betrekt uit het advies van 20 juni 1994 van de Staf van de Medische Dienst aan de minister in het kader van de aanvraag van verzoekster om haar ziekteverlofkrediet naar 36 maanden op te trekken -advies geciteerd in punt 1.13 van het arrest nr. 52.632- en dat in het arrest nr. 52.632 vastgesteld is dat verzoekster dat advies niet kende toen zij het annulatieberoep indiende; dat er bijgevolg geen reden is om deze nieuwe middelen, als laattijdig aangevoerd, onontvankelijk te verklaren; 8.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste nieuw middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert, doordat de Staf van de Medische Dienst in zijn advies van 20 juni 1994 aan de minister uiteengezet heeft dat een verlenging van het ziekteverlofkrediet niet aangewezen leek en hij daarbij gealludeerd heeft op een aangepaste tewerkstelling van verzoekster “indien de door de patiënte aangehaalde stresserende feiten op waarheid berusten”, maar dat dit advies de administratie niet belet heeft om de procedure voor de definitieve ongeschiktverklaring voort te zetten, hetgeen bewijst dat de verwerende partij -impliciet- besloten heeft dat de stresserende feiten waarop verzoekster zich ter ondersteuning van haar aanvraag beriep “niet op waarheid berusten” terwijl zij nooit de redenen daarvan aan verzoekster medegedeeld heeft en die feiten zelfs niet onderzocht lijkt te hebben; dat zij daar aan toevoegt dat de verwerende partij haar overigens ook niet ingelicht heeft “omtrent de procedure, meer bepaald het feit dat IX-1242-9/14 paragraaf 6 van het Reglement A12/2 niet van toepassing was voor de procedure voor de Commissie voor Geschiktheid en Reform en de procedure voor het bekomen van 36 maanden AGR”; dat zij besluit dat de verwerende partij een beslissing genomen heeft op basis van een dossier “waarbij doelbewust ab initio abstractie werd gemaakt van de gegrondheid van de stresserende factoren en uiteraard ook van de vraag of het wegnemen van die stresserende factoren niet de oplossing kon bieden voor het medisch probleem”; Overwegende dat, daarbij aansluitend, verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat haar onbekendheid met het advies van 20 juni 1994 haar belet heeft in de zaak betreffende haar definitieve ongeschiktheid om een “arbitrage” te vragen; 8.2.
- Overwegende dat bij de beoordeling van het eerste middel uiteengezet is dat de MCBGR, overeenkomstig de haar door het bestuur gestelde vraag, uitspraak gedaan heeft over de medische geschiktheid van verzoekster overeenkomstig artikel 2, 2/, van het koninklijk besluit van 5 oktober 1959 betreffende de Militaire Commissies voor Geschiktheid en Reform en dat bij de toepassing van die bepaling niet nagegaan wordt of er een verband bestaat tussen de uitoefening van de dienst en de ziekte of het gebrek, hetgeen slechts moet gebeuren wanneer de tijdelijke lichamelijke ongeschiktheid van een militair, bedoeld in artikel 2, 1/, van hetzelfde besluit, onderzocht wordt; dat bij het onderzoek van die problematiek de vraag of een reorganisatie van de tewerkstelling de stresstoestanden op het werk niet kunnen milderen, niet relevant is; dat overigens niet zonder meer met de verzoekende partij aangenomen kan worden dat de verwerende partij, wanneer zij in het kader van twee onderscheiden procedures -de definitieve ongeschiktverklaring enerzijds, de vraag tot verlenging van het ziekteverlofkrediet anderzijds- op een bepaald ogenblik in één daarvan geconfronteerd wordt met de opmerking dat stresstoestanden geremedieerd worden met een wijziging in de tewerkstelling, doordat zij de andere procedure voortzet, het bewijs levert dat zij de stresstoestanden naar dewelke verzoekster verwijst, niet voor bewezen houdt; dat de bewuste passage uit het advies naar dewelke verzoekster verwijst, slechts een IX-1242-10/14 bedenking is die de betrokken geneesheer ertoe heeft aangezet de vraag om het ziekteverlofkrediet van verzoekster te verlengen, ongunstig te adviseren; dat verzoekster geen enkel concreet gegeven voorlegt dat tot het besluit kan leiden dat de verwerende partij inderdaad de gegevens uit de verschillende dossiers bij elkaar betrokken heeft en dat zij daarom geacht kan worden impliciet besloten te hebben dat de stresstoestanden waarvan verzoekster gewag maakte niet bewezen waren; dat in dat opzicht het middel gebouwd is op een veronderstelling; dat zulks geen basis is om aan de verwerende partij onzorgvuldige besluitvorming te verwijten; 8.2.
- Overwegende dat, waar verzoekster verwijst naar de gebrekkige voorlichting betreffende de draagwijdte van het reglement A12/2, zij een argumen- tatie voert die aansluit bij het derde middel dat hiervoor ongegrond is bevonden; dat de Raad van State vaststelt dat verzoekster haar eigen onzorgvuldige lezing van het betreffende reglement probeert om te buigen tot een onzorgvuldigheid van de verwerende partij; dat hoe dan ook een mogelijke onduidelijkheid in een instructie van het bestuur niet betekent dat de beslissingen die ermee in verband kunnen worden gebracht door middel van een onzorgvuldige besluitvorming tot stand gekomen zijn; 8.2.
- Overwegende dat het eerste bijkomend middel niet gegrond is; 9.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede nieuw middel de schending aanvoert van het recht om op nuttige wijze haar standpunt naar voren te brengen, doordat zij niet in kennis gesteld is van de “impliciete beslissing” -welke bewezen wordt door het voortzetten van de procedure voor de MCBGR terwijl de medische dienst op 20 juni 1994 had gesteld dat stresstoestanden kunnen opgevangen worden door een aanpassing van de tewerkstelling- dat de door haar aangeklaagde toestanden op het vlak van haar tewerkstelling “niet stroken met de waarheid” en zij zich bijgevolg te dien aanzien niet heeft kunnen verweren; dat zij daar aan toevoegt dat de beslissing over de verlenging van haar ziekteverlofkrediet samen met de beslissing over haar definitieve ongeschiktverklaring voor de dienst een complexe rechtshandeling uitmaakt zodat de onwettigheid van de beslissing om haar IX-1242-11/14 ziekteverlofkrediet niet tot 36 maanden te verlengen de onwettigheid impliceert van de beslissing om haar definitief ongeschikt te verklaren; Overwegende dat, daarbij aansluitend, verzoekster in haar laatste memorie nog stelt dat de verwerende partij in de procedure voor de MCBGR niet gehandeld heeft in overeenstemming met het advies van 20 juni 1994, dat de weigering om haar 36 maanden ziekteverlofkrediet toe te kennen onwettig is en dat de daar aangehouden redeneringen doorgetrokken moeten worden naar de beslissing van 26 oktober 1994; 9.2.
- Overwegende, wat de beweerde miskenning van de hoorplicht betreft, dat los van het feit dat bij de bespreking van het tweede middel reeds vastgesteld is dat verzoekster de gelegenheid gehad heeft om, bij haar verschijning voor de MCBGR, haar standpunt aan de commissie voor te leggen en dat zij dat ook gedaan heeft, aangezien zij zelf betoogt toen de vraag gesteld te hebben om haar “tuchtdossier” in de besluitvorming te betrekken, hier opnieuw vastgesteld wordt dat verzoekster geen enkel bewijs voorlegt van een “impliciete beslissing” van het bestuur om de stresstoestanden bij de tewerkstelling van verzoekster voor niet bewezen te houden; dat ook dit middel op een niet bewezen hypothese steunt; dat eerder reeds is aangegeven dat de MCBGR in het kader de definitieve ongeschikt- verklaring van verzoekster geen acht moest slaan op het verband tussen de ziekte en de dienst; dat, nu het advies van 20 juni 1994 ter zake niet relevant was, verzoekster daar ook niet over gehoord diende te worden; 9.2.
- Overwegende dat verzoekster ten onrechte de beslissing van de MCBGR en de ministeriële beslissing over de verlening van haar ziekteverlofkrediet als een complexe rechtshandeling aanmerkt; dat de beslissing van de MCBGR haar noodzakelijke juridische grondslag niet vindt in de beslissing om het ziekteverlof- krediet niet te wijzigen; dat het twee eindbeslissingen betreft die steunen op verschillende reglementeringen en gebeuren volgens een eigen besluitvormingsproces, zodat de onregelmatigheid van de ene geen gevolgen heeft ten aanzien van de andere; dat derhalve de onregelmatigheden, zoals die in het arrest nr. 52.632 over de IX-1242-12/14 vordering tot schorsing prima facie zijn vastgesteld ten aanzien van het ministerieel besluit van 6 oktober 1994, geen gevolg kunnen hebben op de wettigheid van het besluit van de MCBGR die hier wordt onderzocht; 9.2.
- Overwegende dat ook het tweede bijkomend middel dat in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd, niet gegrond is;
- Overwegende dat de middelen, aangevoerd tegen het besluit van de MCBGR, niet gegrond zijn; dat de verwerping van het beroep tegen dat besluit tot gevolg heeft dat verzoekster definitief op anciënniteitspensioen gesteld is kunnen worden vanaf 1 februari 1995; dat, van dat gegeven vertrekkend, met betrekking tot de tweede bestreden beslissing vastgesteld moet worden dat verzoekster niet aantoont en dat ook niet wordt ingezien welk concreet voordeel zij nog kan halen uit de vernietiging van het ministerieel besluit van 6 oktober 1994 waarbij de verlenging van haar ziekteverlofkrediet tot 36 maanden wordt verlengd, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-1242-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-1242-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.876 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.