id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.877 Rolnummer: A. 56127/IX-625 Zaak: Arrest 152877 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-07 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.877 van 19 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.877 van 19 december 2005 in de zaak A. 56.127/IX-
- In zake : Benoit MILLET, wonende te MEISE, Krogstraat 37 tegen :
- de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering,
- de Vaste Wervingssecretaris, thans SELOR, vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder. tussenkomende partijen :
- Guido DEBUSSCHER, wonende te DWORP, Destelheidestraat 77,
- Marina LAUREYS, wonende te BRUSSEL, Pantheonlaan 65, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Benoit MILLET op 4 februari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de vergelijkende examens (gewoon en specifiek) voor werving van inspecteurs bijzondere culturele ambten (diverse specialisaties) bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en al de daaruit voortvloeiende bevorderingen en/of aanwervingen enerzijds en anderzijds van de beslissing van het Vast Wervingssecretariaat (...) om hem te weren voor de algemene vergelijkende wervingsexamens als voor de specifieke vergelijkende wervingsexamens, die aan verzoeker werd(en) medegedeeld per brief van 6 december 1993”; IX-625-1/10 Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 6 november 1996; Gelet op de beschikking van 21 november 1996 die de tussen- komst van Marina LAUREYS en Guido DEBUSSCHER toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 april 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories van de verzoekende partij en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 12 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, van advocaat M. DE CLERCQ die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van adviseur-generaal J. MOMMENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-625-2/10
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
- Verzoeker was tot 31 december 1991 tijdelijk bestuurssecretaris bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Welzijn, Volks- gezondheid en Cultuur. Vanaf 1 januari 1992 wordt dat tijdelijk statuut omgezet in een contract van onbepaalde duur. 1.2.
- In het Belgisch Staatsblad van 24 juni 1993 verschijnt de aankondiging van de werving van 18 inspecteurs voor de bijzondere culturele ambten bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waaronder één inspecteur met specialiteit beeldende kunst (code WVC/BCA/10/04) en één met de specialiteit musea (code WVC/BCA/10/05) voor het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, administratie Kunst, Bestuur Muziek, Letteren en Podiumkunsten. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 houdende vaststelling van de aan- wervingsvoorwaarden, de loopbaan en de bezoldiging voor de bijzondere culturele ambten in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap gebeurt de aanwerving in deze ambten mits het slagen in een vergelijkend wervingsexamen. Artikel 8, § 2, van hetzelfde besluit voorziet evenwel dat, bij wijze van overgangs- maatregel, ambtenaren die bij de inwerkingtreding van het genoemde besluit titularis zijn van een graad van minstens rang 22 en een "nuttige ervaring van minstens vijf jaar in het betrokken ambt" kunnen aantonen eveneens in die ambten kunnen worden benoemd, mits het slagen in een "specifiek vergelijkend examen". Betreffende dit specifiek wervingsexamen herneemt het bericht de bepalingen van het genoemde artikel 8, §
- Het bericht vermeldt tenslotte nog dat de kandidaten die zich inschrijven voor het specifiek vergelijkend wervingsexamen uitdrukkelijk moeten vermelden dat ze zich beroepen op artikel 8, § 2, en een attest moeten bijvoegen waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in die bepaling gestelde voorwaarden. 1.2.
- Voor elke specialiteit wordt een afzonderlijk examen ingericht. IX-625-3/10 1.
- Verzoeker schrijft zich op 7 juli 1993 in voor het specifiek vergelijkend wervingsexamen voor de specialiteit "beeldende kunst" en voor de specialiteit "musea", zich beroepend op artikel 8, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november
- Als bewijs dat hij voldoet aan de in dat artikel gestelde voorwaarde betreffende de nuttige ervaring voegt hij een attest bij dat hem met dat doel werd afgeleverd door de Algemene Administratieve Diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Bij brief van 25 oktober 1993 maakt het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de kandidaturen over aan de Vaste Wervingssecretaris. Omdat bij het nazicht van de ingediende kandidaturen door de diensten van de Vlaamse Gemeen- schap gebleken was dat er problemen waren met de interpretatie van de bepalingen van het voornoemde artikel 8, § 2, wordt in die brief uitdrukkelijk vermeld dat naar de mening van de eerste verwerende partij het specifiek vergelijkend examen alleen toegankelijk is voor "de statutaire personeelsleden die op 28 december 1991 een graad van tenminste rang 22 hebben en op die datum 5 jaar feitelijke inspectie- ervaring in de betrokken specialiteit kunnen aantonen". Op 22 oktober 1993 had de administratie Ambtenarenzaken van het departement Algemene Zaken en Financiën ook de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur op de hoogte gebracht van deze interpretatie van artikel 8, §
- Uit de brief van 25 oktober 1993 blijkt ook dat de administratie van Ambtenarenzaken de contractuele personeelsleden die zich ten onrechte hebben ingeschreven voor het specifiek examen ambtshalve heeft ingeschreven voor het algemeen examen. De Administratie meent dat zij aan dat examen moeten kunnen deelnemen voor zover zij uiteraard voldoen aan de daarvoor gestelde toelatings- voorwaarden. In een nota van 21 november 1993 gericht aan de administratie Ambtenarenzaken van het departement Algemene Zaken en Financiën reageert verzoeker tegen de door deze administratie gehanteerde interpretatie. Hij meent dat hij als contractueel personeelslid van onbepaalde duur, waarop de statutaire bepalingen van het statutair personeel van het ministerie van de Vlaamse IX-625-4/10 Gemeenschap van toepassing zijn, ook een statuut heeft en wijst er op dat hij op 28 december 1991 nog statutair tijdelijk bestuurssecretaris was. De administratie Ambtenarenzaken maakt verzoekers bezwaar op 30 november 1993 over aan de Vaste Wervingssecretaris aan wie het toekomt te oordelen over de geldigheid van de kandidaturen en geeft in die brief de redenen aan waarom naar haar mening de argumenten van verzoeker niet kunnen aangenomen worden. 1.
- Met een brief van 6 december 1993 deelt de Vaste Wervings- secretaris aan verzoeker mee dat zijn kandidatuur voor het algemeen en voor het specifiek wervingsexamen niet in aanmerking kan genomen worden. De belangrijke passages uit deze brief luiden als volgt : "Volgens de algemene toelatingsvoorwaarden voor de algemene verge- lijkende examens, mogen de kandidaten op 24 juni 1993 de leeftijd van 45 jaar niet bereikt hebben. Vermits U bent geboren op 9 februari 1945, voldoet u niet aan deze voorwaarde en kan met uw kandidatuur voor deze algemene vergelijkende examens geen rekening worden gehouden. Bij toepassing van het bepaalde in artikel 8, par.2 (...) zijn de specifieke vergelijkende examens enkel toegankelijk voor ambtenaren (statutaire perso- neelsleden) die op 28 december 1991 een graad van minstens rang 22 hebben en op die datum minstens 5 jaar feitelijke inspectie-ervaring in de betrokken specialiteit kunnen aantonen. Met ambtenaren worden vastbenoemden bedoeld, aangezien overeenkomstig artikel 1 van het K.B. van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel elkeen Rijksambtenaar is die in vast verband zijn diensten aan een rijksbestuur verleent. Het tijdelijk personeelslid daarentegen is overeenkomstig artikel 1 van het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel elkeen die voor beperkte tijd zijn diensten aan een Rijksbestuur verleent. Op contractuele personeelsleden van onbepaalde duur is bovendien de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing. De statutaire bepalingen die gelden voor de ambtenaren van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap zijn slechts van toepassing op de contractuele perso- neelsleden voor zover ze expliciet als dusdanig in de arbeidsovereenkomst worden vermeld. Als tijdelijk bestuurssecretaris voldoet u bijgevolg niet aan de voorwaarde gesteld in voormeld art. 8, par.2, en kan met uw kandidatuur voor de specifieke vergelijkende examens evenmin rekening worden gehouden". IX-625-5/10 1.
- Op 17 december 1993 schrijft de secretaris-generaal van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan de vaste wervingssecretaris dat er nergens in de oproep voor de specifieke wervingsexamens sprake was van statutaire personeelsleden of vaste ambtenaren, maar enkel van ambtenaren, titularis van een graad van minstens rang
- Hij wijst er op dat de rechtsleer een ambtenaar in een beperkte en meer gangbare zin definieert als een persoon die meestal, en dus niet uitsluitend, in vast verband diensten van administratieve aard presteert. Daarenboven, zo besluit hij, was verzoeker op datum van 28 december 1991 een statutair tijdelijk bestuurssecretaris en werd hij pas in 1992 omgeschakeld tot contractueel bestuurssecretaris in uitvoering van de bepalingen op het enig statuut. 1.
- Op 13 januari 1994 antwoordt de vaste wervingssecretaris dat hij van mening is dat met ambtenaren vastbenoemden bedoeld worden, aangezien overeenkomstig artikel 1 van het K. B. van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel elkeen rijksambtenaar is die in vast verband zijn diensten aan een rijksbestuur verleent. Het tijdelijk personeelslid daarentegen is overeenkomstig artikel 1 van het besluit van de Regent van 30 april 1947 houdende vaststelling van het statuut van het tijdelijk personeel elkeen die voor beperkte tijd zijn diensten aan een rijksbestuur verleent. Hij vermeldt erbij dat deze zienswijze ook die is van de verantwoordelijke ambtenaar op het departement Algemene Zaken en Financiën- Administratie Ambtenarenzaken van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap . Hij besluit dat om die reden met verzoekers kandidatuur geen rekening kon worden gehouden. 1.
- De verschillende wervingsexamens hebben plaats in de loop van de maanden december 1993 en januari
- De examens voor werving van inspecteurs (musea) leveren twee laureaten op in het algemeen vergelijkend examen namelijk Marina LAUREYS en Els STUBBE en geen laureaat in het specifiek examen. IX-625-6/10 De examens voor werving van inspecteurs (beeldende kunst) leveren geen laureaat op in het algemeen vergelijkend examen en één laureaat in het specifiek examen namelijk Guido DEBUSSCHER. Op de processen-verbaal van de twee algemene vergelijkende examens staat verzoeker vermeld als "afwezig" met in de kolom "opmerkingen" de vermelding "afwijzing : te oud". 1.
- Marina LAUREYS en Guido DEBUSSCHER worden bij besluit van de Vlaamse regering van 20 april 1994 toegelaten tot de stage in de betrekking van inspecteur en bij besluit van de secretaris-generaal van 7 juli 1995 met ingang van 1 mei 1995 vastbenoemd als adjunct van de directeur. Deze laatste benoemingen worden bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 maart
- Overwegende dat de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij buiten de reglementair voorgeschreven termijn ingediend is; dat die memorie krachtens artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten wordt geweerd;
- Overwegende dat de eerste verwerende partij terecht opmerkt dat het beroep niet ontvankelijk is in de mate dat het betrekking heeft op examen- verrichtingen en benoemingen waarvoor verzoeker niet gekandideerd heeft; dat, aangezien verzoeker zich alleen ingeschreven heeft voor de examens die toegang gaven tot de betrekking van inspecteur musea en inspecteur beeldende kunst, hij enkel belang kan hebben bij de vernietiging van de handelingen die tot deze specifieke benoemingen geleid hebben; dat het beroep voor het overige niet ontvankelijk is; 4.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever ambtshalve een onderzoek ingesteld heeft naar het actueel belang van verzoeker bij het bestrijden van de examenverrichtingen voor de betrekkingen van inspecteur musea en inspecteur beeldende kunst; dat hij vastgesteld heeft dat verzoeker voorbarig in zijn initieel verzoekschrift de benoemingsbeslissingen bij het voorwerp van het beroep betrokken heeft en dat hij vervolgens nagelaten heeft de benoemingen die in de loop van het IX-625-7/10 geding gebeurd zijn, te bestrijden, terwijl nochtans de examens niet leidden tot de vaststelling van een werfreserve; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie daar op antwoordt dat hij in zijn verzoekschrift de nietigverklaring gevorderd heeft van de benoemingen die zouden volgen uit de door hem bestreden examenverrichtingen en hij niet verplicht was een nieuw verzoekschrift in te dienen “op datum van de effectieve benoemingen”; 4.
- Overwegende dat, daargelaten de vraag of, in het algemeen, in een verzoekschrift wel ontvankelijk de nietigverklaring gevorderd kan worden van toekomstige beslissingen, in dit geval vastgesteld wordt dat, blijkens artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 13 november 1991 houdende vaststelling van de aanwervingsvoorwaarden, de loopbaan en de bezoldiging voor de bijzondere culturele ambten in het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de toelating tot de stage van de laureaten van het vergelijkend examen afhankelijk is van een beslissing van de Vlaamse regering en dat de regering de mogelijkheid heeft om af te wijken van de rangschikking; dat wat geldt voor het algemeen vergelijkend examen voor de toegang tot de ambten bedoeld in artikel 1 van het besluit van 13 november 1991, ook geldt voor het specifiek vergelijkend examen bedoeld in artikel 8, § 2, van hetzelfde besluit, aangezien de laureaten van dat examen op het ogenblik van de aanstelling in de betrekkingen in concurrentie komen met de laureaten van het algemeen examen; dat zulks betekent dat de benoemingsbeslissingen die op het door verzoeker bestreden examen gevolgd zijn, niet als de loutere voortzetting van het examenresultaat kunnen worden beschouwd maar dat zij, gezien de discretionaire beslissing van de Vlaamse regering van 20 april 1994, beslissingen zijn die definitief worden als er geen expliciet beroep tegen wordt ingesteld; Overwegende dat de Vlaamse regering op 20 april 1994 besloten heeft “niet af te wijken van de rangschikking van de geslaagden” en de twee tussenkomende partijen vanaf 1 mei 1995 toe te laten tot de stage in de graad van inspecteur voor de specialiteit beeldende kunst respectievelijk musea; dat uit het door IX-625-8/10 de auditeur-verslaggever ingestelde onderzoek gebleken is dat de beslissingen van de Vlaamse regering waarbij de tussenkomende partijen benoemd zijn tot inspecteur, bekendgemaakt zijn in het Belgisch Staatsblad van 16 maart 1996, zulks met een duidelijke verwijzing naar de examens waartegen verzoeker zich met het onderhavige beroep verzet; dat die bekendmakingen voldoende gegevens bevatten om verzoeker toe te laten er een beroep tegen in te stellen; dat, door zulks niet te doen, die benoemingen definitief geworden zijn en de vernietiging van de examenuitslagen hem geen enkel voordeel meer kunnen opleveren; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 148,74 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : IX-625-9/10 de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-625-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.877 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.