id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.878 Rolnummer: Zaak: Arrest 152878 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-05 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.878 van 19 december 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.878 van 19 december 2005 in de zaken A. I. 129.800/IX-3600 II. 129.801/IX-3601 III. 129.802/IX-3602 IV. 129.803/IX-3603 V. 129.804/IX-3604 VI. 129.805/IX-3605 VII. 129.807/IX-3606 VIII. 129.809/IX-3607 IX. 129.811/IX-3608 X. 129.816/IX-3609 XI. 129.817/IX-3610 XII. 129.818/IX-3611 XIII. 129.819/IX-3612 XIV. 129.820/IX-3613 XV. 129.821/IX-3614 XVI. 129.822/IX-3615 XVII. 129.823/IX-3616 XVIII. 129.824/IX-3617 XIX. 129.825/IX-3618 XX. 129.826/IX-3619 In zake : I. Diane VAN DEN ENDEN, II. Werner SOLIGNAC, III. Harry VAN DE WALLE, IV. Jacques ALBERT, V. Dirk BUELENS, VI. Luc PEETERS, VII. Jerry JOOS, VIII. Eddy WOUTERS, IX. Ruddy BRAEM, X. Ivan BLEYENBERGH, XI. Roger WIENECKE, XII. Patrick PANHUYSEN, XIII. Robert MAERIEVOET, XIV. François DE KIND, XV. Patrick GELDOF, XVI. Emilius ROELANDTS, XVII. John SERLUPPENS, XVIII. Robert ROTH, XIX. Luc JANSSENS, XX. Alfred CLAEYS, IX-3600-1/13 die woonplaats kiezen bij het VSOA - Groep XV, gevestigd te BRUSSEL, François Sebrechtslaan 61 tegen : de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften die Diane VAN DEN ENDEN, Werner SOLIGNAC, Harry VAN DE WALLE, Jacques ALBERT, Dirk BUELENS, Luc PEETERS, Jerry JOOS, Eddy WOUTERS, Ruddy BRAEM, Ivan BLEYENBERGH, Roger WIENECKE, Patrick PANHUYSEN, Robert MAERIEVOET, François DE KIND, Patrick GELDOF, Emilius ROELANDTS, John SERLUPPENS, Robert ROTH, Luc JANSSENS en Alfred CLAEYS op 26 november 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de impliciete weigering tot overdracht van de tijdens het jaar 2001 niet opgenomen vakantiedagen bij de lokale politie van Antwerpen, zoals vermeld in het verzoek van 28 mei 2002, minstens de vernietiging van de impliciete weigering om een constitu- tieve beschikking te nemen over de vraag van (de verzoekende partijen) tot overdracht, hierna de ‘impliciete weigeringsbeslissing’ genoemd”; Gezien de memories van antwoord van de verwerende partij en gezien de toelichtende memories; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikkingen van 19 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-3600-2/13 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 5 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat C. DIERCKX die, loco advocaat P. VAN DER STRATEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekende partijen zijn inspecteur respectievelijk hoofd- inspecteur van politie bij de lokale politie van Antwerpen. 1.
- Tot 1 april 2001 was op de stedelijke politie van Antwerpen een eigen verlofregeling van toepassing. Overeenkomstig die verlofregeling : - werd aan de personeelsleden een jaarlijks vakantieverlof verleend, waarvan de duur werd berekend naar rata van de tijdens het vorige dienstjaar, vakantiedienst- jaar genaamd, effectief geleverde prestaties; - hadden de personeelsleden, naargelang hun leeftijd, in het vakantiejaar recht op hetzij 24, hetzij 25, hetzij 26 werkdagen vakantieverlof. 1.
- Met het koninklijk besluit van 30 maart 2001, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2001, wordt de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) geregeld. Dat besluit bevat een regeling IX-3600-3/13 inzake jaarlijks vakantieverlof, die met ingang van 1 april 2001 in de plaats komt van de hierboven vermelde eigen verlofregeling van de stedelijke politie van Antwerpen. Volgens die nieuwe regeling, opgenomen in Deel VIII, titels I tot III van het besluit : - is, wat betreft de lokale politie, de korpschef of de overheid die hij aanwijst de bevoegde overheid om zich over het toestaan, dan wel het weigeren van het jaarlijks vakantieverlof uit te spreken (artikel VIII.I.1., 1/); - hebben de personeelsleden (met uitzondering van de aspiranten) recht op 32 werkdagen jaarlijks vakantieverlof (artikel VIII.III.1); - moet het jaarlijks vakantieverlof tijdens het kalenderjaar worden genomen, bepaalt de minister de nadere regelen van de eventuele overdracht van het jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar, overdracht die geldt tot 1 april van het volgend jaar en waarop de bevoegde overheid in uitzonderlijke omstandigheden afwijkingen kan toestaan (artikel VIII.III.2); - wordt het jaarlijks vakantieverlof genomen zoals het het personeelslid past en met inachtneming van de behoeften van de dienst (artikel VIII.III.3, eerste lid); - geeft elke periode van dienstactiviteit recht op jaarlijks vakantieverlof, maar wordt dat verlof in evenredige mate verminderd wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt, een basisopleiding heeft gevolgd, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar één van de in het besluit opgesomde verloven of aanwezigheden heeft verkregen (artikel VIII.III.4); - wordt bij de algemene directie Personeel een raadgevend orgaan opgericht (artikel VIII.III.7), waarbij het personeelslid, ingeval zijn jaarlijks vakantieverlof wordt geweigerd, een procedure kan inleiden. Het orgaan geeft dan advies aan de overheid die het verlof heeft geweigerd (artikel VIII.III.10). Deel XII RPPol, bekrachtigd door artikel 131 van de programma- wet van 30 december 2001, bevat nog de volgende overgangsbepalingen met betrekking tot het jaarlijks vakantieverlof : “Art. XII.VIII.
- Het jaarlijks vakantieverlof van het jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit dat op die datum nog niet is opgeno- IX-3600-4/13 men, kan worden overgedragen tot 31 december van het jaar waarin de datum van inwerkingtreding valt”; “Art. XII.VIII.
- Het jaarlijks vakantieverlof dat werd genomen tussen 1 januari 2001 en 1 april 2001 en dat werd aangerekend op het jaarlijks vakantieverlof van het jaar 2001 dat werd verkregen overeenkomstig de rechtspositieregeling die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing was op de personeelsleden, wordt voor het jaar 2001 aangerekend op het in artikel VIII.III.1 bedoelde aantal dagen jaarlijks vakantieverlof”. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2002 wordt het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekendgemaakt. Dat besluit bepaalt in titel VIII (“De verloven en afwezigheden”) dat het jaarlijks vakantieverlof wegens uitzonderlijke dienstredenen kan worden geweigerd, dat het aldus geweigerde vakantieverlof tot 1 april van het volgende jaar overgedragen wordt, dat, zo het personeelslid het overgedragen vakantieverlof niet heeft kunnen opnemen vóór die datum, het nog in hetzelfde jaar kan worden overgedragen, mits het personeelslid daartoe een gemotiveerd verzoekschrift richt tot de bevoegde overheid en dat tegen de beslissing een procedure ingeleid kan worden bij het in artikel VIII.III.7 RPPol bedoelde raadgevend orgaan, dat een met redenen omkleed advies ter kennis brengt van de bevoegde overheid die vervolgens een eindbeslissing neemt. 1.
- Op 28 mei 2002 richt de vast afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, hiertoe gemandateerd door een aantal personeelsleden van de lokale politie Antwerpen (waaronder de verzoekende partijen), een brief aan de burgemeester van de stad Antwerpen en de korpschef van de lokale politie Antwerpen. In die brief wordt voorgehouden dat, rekening houdend met het beginsel van de verworven rechten, de nieuwe verlofregeling van het RPPol geen afbreuk kan doen aan de rechten die krachtens de opgeheven vakantieverlofregeling IX-3600-5/13 voor de stedelijke politie van Antwerpen verworven zijn, dat het jaarlijks vakantie- verlof voor het vakantiejaar 2001 in toepassing van de opgeheven verlofregeling voor de leden van de stedelijke politie een subjectief recht vormt dat als een “gunstig rechtseffect” dient te worden gezien van hun benoeming in een bepaalde graad en van de prestaties die zij in die graad hebben geleverd tijdens het vakantiedienstjaar 2000, dat dit vakantieverlof voor 2001 definitief verworven op 1 januari 2001 en dat de artikelen VIII.III.2 en XII.VIII.8 RPPol dan ook met inachtneming van de verworven rechten geïnterpreteerd en toegepast moeten worden, zodat de personeelsleden van de stedelijke politie Antwerpen tijdens het jaar 2001 recht hebben op de gecumuleer- de vakantiedagen gegenereerd volgens de vroegere rechtspositieregeling én die gegenereerd volgens het RPPol. In bijlage bij de brief wordt een verklaring gevoegd waarin de verzoekende partijen aanstippen over hoeveel vakantiedagen zij volgens de opgeheven regeling van de stad Antwerpen beschikken voor het jaar 2001, hoeveel dagen zij tijdens het jaar 2001 effectief vakantie genomen hebben en hoeveel dagen zij naar het jaar 2002 overgedragen wensen te zien. In fine van de brief wordt verwezen naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en wordt de stedelijke overheid verzocht om “te beschikken”. 1.
- Met een brief van 19 juni 2002 legt de lokale politie Antwerpen de voormelde brief van 28 mei 2002 van het VSOA voor advies voor aan de directeur- generaal van de dienst Federale Politie, algemene directie Personeel. Met een brief van 4 juli 2002 antwoordt de directeur-generaal dat het jaarlijks vakantieverlof van de personeelsleden van de politiediensten op grond van artikel VIII.III.4 RPPol wordt verleend op basis van de prestaties van het jaar waarin het verlof wordt toegekend, dat in het geval van overgang van het stelsel waarin een referentieperiode wordt aangewend naar het stelsel bedoeld in artikel VIII.III.4 RPPol, de prestaties verricht in het jaar van de overgang
(2000)geen recht geven op jaarlijks vakantieverlof tijdens het jaar dat volgt
(2001)en dat dit principe uitdrukkelijk bevestigd wordt in artikel XII.VIII.8 RPPol, waarin gesteld IX-3600-6/13 is dat het vakantieverlof, genomen tussen 1 januari 2001 en 1 april 2001, aange- rekend wordt op de vakantiedagen berekend volgens het RPPol;
- Overwegende dat, aangezien de verschillende beroepen steunen op dezelfde feitelijke gegevens en zij zowel procedureel als inhoudelijk op dezelfde wijze beoordeeld moeten worden, er reden is om de zaken te voegen; 3.
- Overwegende dat de memorie van antwoord in elk van de zaken laattijdig ingediend is; dat zij overeenkomstig artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit de debatten wordt geweerd; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij een uitvoerige laatste memorie heeft ingediend, waarin zij haar memorie van antwoord letterlijk herneemt; dat de omstandigheid dat de laatste memorie zelf als een rechtsgeldig ingediend stuk in de procedure betrokken moet worden, er niet mag toe leiden dat de verwerende partij met een omweg haar argumentatie opnieuw in het geding brengt op een ogenblik dat de verzoekende partij niet meer de mogelijkheid heeft om schriftelijk te reageren en de zaak reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een verslag van het auditoraat; dat de Raad van State de uiteenzetting, die de verwerende partij hem in een regelmatig ingediende memorie van antwoord kon voorleggen, buiten beschou- wing laat; 4.
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever, vertrekkend van de vaststelling dat de beroepen betrekking hebben op de overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State stilzwijgend totstandgekomen beslissing houdende de weigering van hun vraag van 28 mei 2002 om de niet- opgenomen dagen vakantie waar zij voor het jaar 2001 recht op meenden te hebben, over te dragen naar het jaar 2002, minstens op de stilzwijgend totstandgekomen weigering om op hun vraag te antwoorden, ambtshalve geconcludeerd heeft enerzijds dat het genoemde artikel 14, § 3, ertoe strekt van het bestuur een beslissing te verkrijgen waarbij de vraag van een verzoeker, wat de inhoud ervan betreft, negatief wordt beantwoord zodat de subsidiaire vorderingen om die reden niet ontvankelijk IX-3600-7/13 zijn en anderzijds, wat betreft de fictieve weigering om vakantiedagen van 2001 over te dragen naar 2002, dat op de vraag van de verzoekende partijen onmogelijk een positief antwoord kon worden gegeven; dat hij te dien aanzien uiteengezet heeft wat volgt : artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is geconstrueerd vanuit de gedachte dat het bestuur positief kan beslissen over een aanvraag; die bepaling kan derhalve slechts van toepassing zijn wanneer de initiële vraag om een beslissing te nemen gericht was aan de overheid die bevoegd was om zich over de vraag uit te spreken en wanneer aan de voorwaarden voldaan was om een gunstig antwoord op de vraag te geven; de vraag van 28 mei 2002 was gericht aan de burgemeester van de stad Antwerpen -optredend voor het college van burgemeester en schepenen- en aan de korpschef van de lokale politie aldaar, maar het college van burgemeester en schepenen kan in het kader van de verlofregeling, zoals die in het RPPol geregeld is, geen vakantie toekennen, weigeren of overdragen; de korpschef kon zijnerzijds op 28 mei 2002 geen positief antwoord geven op de vraag van de verzoekende partijen, aangezien die vraag betrekking had op de overdracht van vakantiedagen van het jaar 2001, die in beginsel opgenomen hadden moeten worden in “het kalenderjaar” -dus in 2001- en de verzoekende partijen niet bewijzen dat zij in de voorwaarden verkeerden om die vakantiedagen van 2001 ambtshalve overgedragen te zien tot 1 april 2002 -waarvoor zij moeten aantonen dat hen in 2001 geweigerd was om dat verlof op te nemen- terwijl de verdere overdracht na 1 april 2002 enkel mogelijk was geweest wanneer het verlof dat ambtshalve was overgedragen tot 1 april 2002 voor die datum niet opgenomen had kunnen worden; dat hij om die redenen besluit dat de beroepen niet ontvankelijk zijn; 4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat standpunt tegenspreken; dat zij uiteenzetten wat volgt : - uit de tekst zelf van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijkt dat elk stilzwijgen, gedurende vier maanden, van de overheid die een beslissing moet nemen als een afwijzende beslissing moet worden beschouwd, ongeacht of de overheid een discretionaire dan wel een gebonden bevoegdheid uitoefent; wat de overdracht van vakantiedagen betreft heeft de overheid een discretionaire bevoegdheid om te beslissen of zij die overdracht toestaat, maar zij IX-3600-8/13 heeft een gebonden bevoegdheid op het vlak van de verplichting om een beslissing te nemen; dus moest de verwerende partij, ook al was zij er niet toe verplicht de gevraagde overdracht toe te staan, in ieder geval een beslissing nemen over de vraag van de verzoekende partijen; - de kern van de betwisting is of de verzoekende partijen in 2001 een recht hadden op vakantiedagen op grond van hun prestaties in 2000; als dat het geval is, dan moet er toch een orgaan zijn dat een beslissing moet nemen over de overdracht van die vakantiedagen -waarmee de nieuwe verlofregeling niets te maken heeft- en er wordt niet aangetoond welk orgaan dat is, minstens wordt niet aangetoond dat het college van burgemeester en schepenen terzake geen bevoegdheid meer zou hebben; - de korpschef kon in 2002 wel degelijk nog een beslissing nemen “al was het maar door expliciet te beslissen wat het auditoraat als impliciet maar zeker standpunt verkondigt, namelijk dat (de verzoeken) onontvankelijk (waren), minstens ongegrond in de mate dat (de verzoekende partijen) geen vraag tot opneming van cumulatief vakantieverlof had(den) geformuleerd”; 4.
- Overwegende dat, los van de in punt 3.
- gemaakte vaststelling, uit de laatste memorie van de verwerende partij het betoog onthouden wordt dat de verzoekende partijen niet aantonen op grond van welke wetsbepaling de korpschef, de burgemeester of het college van burgemeester en schepenen de verplichting zouden hebben gehad om als gevolg van de vraag van de verzoekende partijen van 28 mei 2002, een beslissing te nemen over de overdracht van de op grond van het vakantiedienstjaar 2000 verworven vakantiedagen voor 2001; 4.4.
- Overwegende dat artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld (...)”; IX-3600-9/13 Overwegende dat de verzoekende partijen op 28 mei 2002 aan de burgemeester en aan de korpschef van de lokale politie van de stad Antwerpen geschreven hebben dat de nieuwe verlofregeling van het RPPol niet kon beletten dat het bestuur hun verworven rechten eerbiedigde en dat zij bijgevolg voor het jaar 2001 recht hadden “op de gecumuleerde vakantiedagen gegenereerd volgens de vroegere rechtspositieregeling en die gegenereerd volgens het RPPol”; dat zij op grond van die redenering gevraagd hebben dat het college van burgemeester en schepenen de niet opgenomen vakantiedagen van het jaar 2001 zou overdragen naar het jaar 2002 en dat zij de verwerende partij daarbij gewezen hebben op artikel 14, § 3, van de Raad van State-wet, aangezien volgens hen “de bevoegde overheid van de stad Antwerpen - het weze het college van burgemeester en schepenen dan wel de korpschef - een verplichting (heeft) om te beschikken inzake het verzoek tot overdracht van de (vermelde) vakantiedagen en de overdracht van de niet- opgenomen vakantiedagen”; 4.4.
- Overwegende dat de verzoekende partijen daarmee aan het bestuur een duidelijke vraag voorlegden; dat die vraag past in een aangelegenheid waarin de verwerende partij verplicht was te beschikken aangezien het de toepassing betrof van de statutaire bepalingen die aan de verzoekende partijen rechten toekenden; dat de verwerende partij binnen de vier maanden na de aanmaning geen expliciete beslissing genomen heeft over de vraag van de verzoekende partijen; dat bijgevolg, krachtens de geciteerde bepaling, de verzoekende partijen over een afwijzende beslissing beschikten waartegen zij bij de Raad van State in beroep konden komen; 4.4.
- Overwegende evenwel dat artikel 14, § 3, niets afdoet aan de door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingestelde verplichting dat een verzoeker blijk moet geven van een benadeling of een belang; dat zulks onder meer betekent dat de beroepen onontvankelijk verklaard moeten worden wanneer zou blijken dat de verwerende partij in de aangebrachte aangelegenheid onmogelijk een beslissing kan treffen die gunstig is voor de verzoekende partijen; dat de Raad van State ambtshalve dat onderzoek moet voeren; IX-3600-10/13 4.4.4.
- Overwegende dat buiten betwisting staat dat vanaf 1 april 2001 de nieuwe verlofregeling, vervat in het RPPol, op de verzoekende partijen van toepassing is; dat zulks betekent dat, vanaf die dag, ook de regeling voor de overdracht van de vakantiedagen naar een volgend kalenderjaar van toepassing is geworden; dat er te dien aanzien geen overgangsbepalingen vastgesteld zijn, behoudens het te dezen niet relevante artikel XII.VIII.7, waarin de overdracht van de vakantiedagen van het jaar 2000 mogelijk gemaakt is tot 31 december 2001; Overwegende dat artikel VIII.III.2 RPPol bepaalt dat het jaarlijks vakantieverlof waarop de politieambtenaren recht hebben, genomen wordt tijdens het kalenderjaar; dat krachtens diezelfde bepaling de minister de nadere regels bepaalt waaronder dat vakantieverlof overgedragen kan worden naar het volgende kalenderjaar; dat in het ministerieel besluit van 28 december 2001, waaraan uitwerking gegeven is vanaf 1 april 2001, bepaald is dat vakantieverlof, dat wegens uitzonderlijke dienstredenen geweigerd werd, overgedragen kan worden tot 1 april van het volgende jaar en, wanneer het tegen die datum niet opgenomen kan worden, zelfs nog langer wanneer de betrokkene erom vraagt; 4.4.4.
- Overwegende dat, toegepast op de situatie van de verzoekende partijen, vastgesteld dient te worden dat, zelfs in de situatie waar de verzoekende partijen van uitgaan -te weten dat de organieke verlofregeling van het RPPol welke op 1 april 2001 op hen van toepassing is, niet belet dat zij op die dag recht hebben op de vakantiedagen, ingesteld door het RPPol (32 dagen) én op de vakantiedagen berekend overeenkomstig de vakantieregeling die gold voor het politiepersoneel van de stad Antwerpen (24, 25 of 26 dagen)- de reglementering van de overdracht van die vakantiedagen voor het jaar 2001 in het algemeen slechts mogelijk was wanneer het bestuur het opnemen ervan gedurende het kalenderjaar 2001 wegens dienst- redenen had geweigerd; dat de verzoekende partijen dat bewijs niet leveren en zelfs niet beweren dat hen in 2001 geweigerd werd al dat vakantieverlof op te nemen; dat, aangezien de voorwaarden om vakantiedagen van het jaar 2001 naar 2002 over te dragen niet vervuld zijn, er ook niet moet onderzocht worden of die vakantiedagen nog na 31 maart 2002 opgenomen konden worden; IX-3600-11/13 4.4.
- Overwegende dat een en ander tot het besluit leidt dat de verwerende partij bij de ontvangst van de aanmaning van de verzoekende partijen van 28 mei 2002 onmogelijk nog een beslissing kon nemen over de overdracht naar 2002 van de vakantiedagen van 2001 waarop de verzoekende partijen recht meenden te hebben; dat, aangezien zij toen reeds in de juridische onmogelijkheid was -en thans nog altijd is- om voor de verzoekende partijen gunstige beslissingen te nemen, de eventuele vernietiging van het bestreden besluit de verzoekende partijen ook geen enkel voordeel kan bijbrengen; dat de beroepen om die reden niet ontvankelijk zijn, zowel wat de hoofdvordering als de subsidiaire vordering betreft; 5.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie vragen dat de kosten van de gedingen ten laste van de verwerende partij zouden worden gelegd, aangezien een overheid, die nalaat op een aanmaning in de zin van artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te antwoorden, “hoe dan ook de kosten van het annulatieberoep (moet) dragen, zelfs indien die overheid onbevoegd is” en dat zulks a fortiori het geval is “wanneer die onbevoegd- heid niet manifest is en de inhoud van de aanmaning zelf niet klaarblijkelijk zinloos of doelloos is”, zeker wanneer de tegenpartij zelf toegeeft dat de “zaak uiterst ingewikkeld (is)”; 5.
- Overwegende dat een krachtens artikel 14, § 3, van de gecoör- dineerde wetten op de Raad van State stilzwijgend totstandgekomen besluit een beslissing is die, wat de modaliteiten van het annulatieberoep betreft, aan geen bijzondere regeling onderworpen is; dat niet wordt ingezien waarom in dergelijk geval, de kosten van de annulatieberoepen altijd ten laste van het bestuur gelegd zouden moeten worden; dat de verzoekende partijen ook geen concrete gegevens voorleggen die de Raad van State ertoe zouden moeten brengen, in afwijking van de gewone regel waarbij de kosten van het geding ingeval van afwijzing van de vordering ten laste worden gelegd van de verzoekende partij, de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, IX-3600-12/13 BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 129.800/IX-3600, 129.801/IX-3601, 129.802/IX-3602, 129.803/IX-3603, 129.804/IX-3604, 129.805/IX-3605, 129.807/IX-3606, 129.809/IX-3607, 129.811/IX-3608, 129.816/IX-3609, 129.817/IX-3610, 129.818/IX-3611, 129.819/IX-3612, 129.820/IX-3613, 129.821/IX-3614, 129.822/IX-3615, 129.823/IX-3616, 129.824/IX-3617, 129.825/IX-3618 en 129.826/IX-3619 worden samengevoegd. Artikel
- De beroepen worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 3500 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een twintigste. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3600-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div