← België

Arrest 152879 - - 19/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.879 Rolnummer: Zaak: Arrest 152879 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-05 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.879 van 19 december 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.879 van 19 december 2005 in de zaken A. I. 137.158/IX-3806 II. 137.159/IX-3803 III. 137.164/IX-

  1. In zake : I. Hugo DAVITS, II. Joseph BERTELS, III. Eddy DE SWERT die woonplaats kiezen bij het VSOA - Groep XV, gevestigd te BRUSSEL, François Sebrechtslaan 61 tegen : de stad ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien de verzoekschriften dat Hugo DAVITS, Joseph BERTELS en Eddy DE SWERT op 24 mei 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de impliciete weigering tot overdracht van de tijdens het jaar 2001 niet opgenomen vakantiedagen bij de lokale politie van Antwerpen, zoals vermeld in het verzoek van 28 november 2002, minstens de vernietiging van de impliciete weigering om een constitutieve beschikking te nemen over de vraag van (verzoekers) tot overdracht, hierna de ‘impliciete weigeringsbeslissing’ genoemd”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur H. COLIN; IX-3806-1/14 Gelet op de beschikkingen van 3 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van de verslagen en van de dossiers gelasten; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikkingen van 24 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 5 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat C. DIERCKX die, loco advocaat P. VAN DER STRATEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoekers zijn inspecteur respectievelijk hoofdinspecteur van politie bij de lokale politie van Antwerpen. 1.
  4. Tot 1 april 2001 was op de stedelijke politie van Antwerpen een eigen verlofregeling van toepassing. Overeenkomstig die verlofregeling : - werd aan de personeelsleden een jaarlijks vakantieverlof verleend, waarvan de duur werd berekend naar rata van de tijdens het vorige dienstjaar, vakantiedienst- jaar genaamd, effectief geleverde prestaties; IX-3806-2/14 - hadden de personeelsleden, naargelang hun leeftijd, in het vakantiejaar recht op hetzij 24, hetzij 25, hetzij 26 werkdagen vakantieverlof. 1.
  5. Met het koninklijk besluit van 30 maart 2001, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2001, wordt de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol) geregeld. Dat besluit bevat een regeling inzake jaarlijks vakantieverlof, die met ingang van 1 april 2001 in de plaats komt van de hierboven vermelde eigen verlofregeling van de stedelijke politie van Antwerpen. Volgens die nieuwe regeling, opgenomen in Deel VIII, titels I tot III van het besluit : - is, wat betreft de lokale politie, de korpschef of de overheid die hij aanwijst de bevoegde overheid om zich over het toestaan, dan wel het weigeren van het jaarlijks vakantieverlof uit te spreken (artikel VIII.I.1, 1/); - hebben de personeelsleden (met uitzondering van de aspiranten) recht op 32 werkdagen jaarlijks vakantieverlof (artikel VIII.III.1); - moet het jaarlijks vakantieverlof tijdens het kalenderjaar worden genomen, bepaalt de minister de nadere regelen van de eventuele overdracht van het jaarlijks vakantieverlof naar het volgende jaar, overdracht die geldt tot 1 april van het volgend jaar en waarop de bevoegde overheid in uitzonderlijke omstandigheden afwijkingen kan toestaan (artikel VIII.III.2); - wordt het jaarlijks vakantieverlof genomen zoals het het personeelslid past en met inachtneming van de behoeften van de dienst (artikel VIII.III.3, eerste lid); - geeft elke periode van dienstactiviteit recht op jaarlijks vakantieverlof, maar wordt dat verlof in evenredige mate verminderd wanneer een personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt, een basisopleiding heeft gevolgd, zijn ambt definitief neerlegt, in dienst is genomen om onvolledige prestaties te verrichten, of tijdens het jaar één van de in het besluit opgesomde verloven of aanwezigheden heeft verkregen (artikel VIII.III.4); - wordt bij de algemene directie Personeel een raadgevend orgaan opgericht (artikel VIII.III.7), waarbij het personeelslid, ingeval zijn jaarlijks vakantieverlof wordt geweigerd, een procedure kan inleiden. Het orgaan geeft dan advies aan de overheid die het verlof heeft geweigerd (artikel VIII.III.10). IX-3806-3/14 Deel XII RPPol, bekrachtigd door artikel 131 van de programma- wet van 30 december 2001, bevat nog de volgende overgangsbepalingen met betrekking tot het jaarlijks vakantieverlof : “Art. XII.VIII.
  6. Het jaarlijks vakantieverlof van het jaar voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit dat op die datum nog niet is opgeno- men, kan worden overgedragen tot 31 december van het jaar waarin de datum van inwerkingtreding valt”; “Art. XII.VIII.
  7. Het jaarlijks vakantieverlof dat werd genomen tussen 1 januari 2001 en 1 april 2001 en dat werd aangerekend op het jaarlijks vakantieverlof van het jaar 2001 dat werd verkregen overeenkomstig de rechtspositieregeling die daags vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing was op de personeelsleden, wordt voor het jaar 2001 aangerekend op het in artikel VIII.III.1 bedoelde aantal dagen jaarlijks vakantieverlof”. 1.
  8. In het Belgisch Staatsblad van 15 januari 2002 wordt het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekendgemaakt. Dat besluit bepaalt in titel VIII (“De verloven en afwezigheden”) dat het jaarlijks vakantieverlof wegens uitzonderlijke dienstredenen kan worden geweigerd, dat het aldus geweigerde vakantieverlof tot 1 april van het volgende jaar overgedragen wordt, dat, zo het personeelslid het overgedragen vakantieverlof niet heeft kunnen opnemen vóór die datum, het nog in hetzelfde jaar kan worden overgedragen, mits het personeelslid daartoe een gemotiveerd verzoekschrift richt tot de bevoegde overheid en dat tegen de beslissing een procedure ingeleid kan worden bij het in artikel VIII.III.7 RPPol bedoelde raadgevend orgaan, dat een met redenen omkleed advies ter kennis brengt van de bevoegde overheid die vervolgens een eindbeslissing neemt. 1.
  9. Op 28 mei 2002 richt de vast afgevaardigde van het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, hiertoe gemandateerd door een aantal personeelsleden van IX-3806-4/14 de lokale politie Antwerpen (waaronder verzoekers), een brief aan de burgemeester van de stad Antwerpen en de korpschef van de lokale politie Antwerpen. In die brief wordt voorgehouden dat, rekening houdend met het beginsel van de verworven rechten, de nieuwe verlofregeling van het RPPol geen afbreuk kan doen aan de rechten die krachtens de opgeheven vakantieverlofregeling voor de stedelijke politie van Antwerpen verworven zijn, dat het jaarlijks vakantie- verlof voor het vakantiejaar 2001 in toepassing van de opgeheven verlofregeling voor de leden van de stedelijke politie een subjectief recht vormt dat als een “gunstig rechtseffect” dient te worden gezien van hun benoeming in een bepaalde graad en van de prestaties die zij in die graad hebben geleverd tijdens het vakantiedienstjaar 2000, dat dit vakantieverlof voor 2001 definitief verworven op 1 januari 2001 en dat de artikelen VIII.III.2 en XII.VIII.8 RPPol dan ook met inachtneming van de verworven rechten geïnterpreteerd en toegepast moeten worden, zodat de personeelsleden van de stedelijke politie Antwerpen tijdens het jaar 2001 recht hebben op de gecumuleer- de vakantiedagen gegenereerd volgens de vroegere rechtspositieregeling én die gegenereerd volgens het RPPol. In bijlage bij de brief wordt een verklaring gevoegd waarin verzoekers aanstippen over hoeveel vakantiedagen zij volgens de opgeheven regeling van de stad Antwerpen beschikken voor het jaar 2001, hoeveel dagen zij tijdens het jaar 2001 effectief vakantie genomen hebben en hoeveel dagen zij naar het jaar 2002 overgedragen wensen te zien. In fine van de brief wordt verwezen naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en wordt de stedelijke overheid verzocht om “te beschikken”. 1.
  10. Met een brief van 19 juni 2002 legt de lokale politie Antwerpen de voormelde brief van 28 mei 2002 van het VSOA voor advies voor aan de directeur- generaal van de dienst Federale Politie, algemene directie Personeel. IX-3806-5/14 Met een brief van 4 juli 2002 antwoordt de directeur-generaal dat het jaarlijks vakantieverlof van de personeelsleden van de politiediensten op grond van artikel VIII.III.4 RPPol wordt verleend op basis van de prestaties van het jaar waarin het verlof wordt toegekend, dat in het geval van overgang van het stelsel waarin een referentieperiode wordt aangewend naar het stelsel bedoeld in artikel VIII.III.4 RPPol, de prestaties verricht in het jaar van de overgang

(2000)geen recht geven op jaarlijks vakantieverlof tijdens het jaar dat volgt
(2001)en dat dit principe uitdrukkelijk bevestigd wordt in artikel XII.VIII.8 RPPol, waarin gesteld is dat het vakantieverlof, genomen tussen 1 januari 2001 en 1 april 2001, aange- rekend wordt op de vakantiedagen berekend volgens het RPPol;
  1. Overwegende dat de verwerende partij haar laatste memorie in elk van de zaken buiten de reglementair voorgeschreven termijn ingediend heeft; dat die memorie uit de debatten wordt geweerd; 3.
  2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in de drie zaken vraagt dat de onderhavige zaken samengevoegd zouden worden met de beroepen met een identiek voorwerp die andere politieambtenaren van de stad Antwerpen hebben ingediend; dat verzoekers zich in hun memorie van wederantwoord in de drie zaken verzetten tegen de samenvoeging van de zaken waarin de verwerende partij tijdig een memorie van antwoord ingediend heeft met de zaken waarin zij dat niet tijdig gedaan heeft, omdat de vraag tot samenvoeging volgens hen een poging is van de verwerende partij om de gevolgen van haar nalatigheid te ontlopen; 3.
  3. Overwegende dat, aangezien de feitelijke gegevens van de zaken -behoudens de opgave van het aantal vakantiedagen dat iedere verzoeker overge- dragen wenst te zien- identiek zijn en in alle zaken ook dezelfde rechtsvraag rijst, er in beginsel reden is om op de vraag van de verwerende partij in te gaan; dat evenwel die redenering niet voor alle zaken aangehouden kan worden, nu in een aantal zaken de memorie van antwoord laattijdig ingediend is zodat er in die gevallen met dat procedurestuk geen rekening gehouden kan worden terwijl in een ander aantal zaken, IX-3806-6/14 waarin de memorie van antwoord wel tijdig ingediend is, de laatste memorie niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn neergelegd is; dat een en ander doet besluiten tot de samenvoeging van de zaken in de mate dat zij procedureel een gelijke ontwikkeling hebben gekend; dat aldus een onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds de zaken waarin de verwerende partij rechtsgeldig een memorie van antwoord heeft ingediend maar nagelaten heeft binnen de reglementair voorge- schreven termijn een laatste memorie in te dienen en anderzijds de zaken waarin de verwerende partij niet tijdig een memorie van antwoord ingediend heeft; dat de drie hier behandelde zaken, welke tot de eerst vermelde categorie behoren, worden samengevoegd; 4.
  4. Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van weder- antwoord vragen dat, aangezien de weigering van de verwerende partij om een beslissing te nemen neerkomt op een vorm van bedrog die het haar onwaardig maakt om voor de rechter een verdediging te voeren, de memorie van antwoord in de onderscheiden zaken uit de debatten moet worden geweerd; 4.
  5. Overwegende dat de Raad van State niet inziet hoe de verwerende partij, door niet te antwoorden op de vraag van verzoekers, hen bedrogen zou hebben; dat een beslissing die krachtens artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot stand komt een beslissing is als een andere die met een annulatieberoep kan worden bestreden en waaromtrent het bestuur zich op de gewone wijze kan verdedigen; dat de memorie van antwoord niet uit de debatten wordt geweerd; 5.
  6. Overwegende dat de verwerende partij zich in haar memorie van antwoord een aantal vragen stelt die de ontvankelijkheid van het beroep aangaan, vooreerst de vraag of verzoekers, waar zij als verwerende partij de korpschef van de politie, de burgemeester en het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen aanwijzen, zich wel tegen de juiste overheid richten aangezien het de minister van Binnenlandse Zaken is die waakt over de eenvormige toepassing van de statuten en de stad ook het advies ingewonnen heeft van de algemene directie IX-3806-7/14 Personeel van de federale politie; dat zij, daarbij aansluitend, zich ook afvraagt of verzoekers hun oorspronkelijk verzoek wel aan de juiste overheid hebben gericht; dat zij zich voorts ook afvraagt of het niet antwoorden op een vraag om inlichtingen wel een vernietigbare handeling is en of verzoekers zich niet voorafgaand hadden moeten richten tot het raadgevend orgaan ingesteld door artikel VIII.III.7 RPPol; dat zij besluit met de vraag of de beroepen nog een nuttig effect kunnen hebben, aangezien het bestreden besluit betrekking heeft op de impliciete weigering tot overdracht van vakantiedagen naar het jaar 2002 terwijl dat jaar voorbij is en de vraag zich opdringt of een overdracht naar 2003 of later wel mogelijk is; 5.
  7. Overwegende dat, daargelaten de vraag of excepties die bij wijze van vraagstelling geformuleerd zijn wel ontvankelijk zijn, vastgesteld wordt dat onjuistheden bij de aanwijzing van de verwerende partij in het verzoekschrift door de Raad van State rechtgezet worden en dat de lokale politiekorpsen die een éénge- meentezone vormen in de gemeentelijke structuur ingebed zijn, zodat het de stad Antwerpen is die als verwerende partij moet optreden in een geding waarmee een personeelslid van de lokale politie zich verzet tegen een beslissing waarbij zijn statutaire rechten worden bepaald; dat het beroep gericht is tegen de stilzwijgend totstandgekomen beslissing om de overdracht van vakantiedagen te weigeren, hetgeen een echte beslissing is die van aard is om de rechtstoestand van de betrokkene te wijzigen en meer is dan het beantwoorden van een vraag om inlichtingen; dat, in de mate aangenomen kan worden dat de verwerende partij deze excepties ontvankelijk aangevoerd heeft, zij in ieder geval niet gegrond zijn; 6.
  8. Overwegende, wat de vraag naar het actueel belang betreft, dat de auditeur-verslaggever, vertrekkend van de vaststelling dat de beroepen betrekking hebben op de overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State stilzwijgend totstandgekomen beslissing houdende de weigering van hun vraag van 28 mei 2002 om de niet-opgenomen dagen vakantie waar zij voor het jaar 2001 recht op meenden te hebben, over te dragen naar het jaar 2002, minstens op de stilzwijgend totstandgekomen weigering om op hun vraag te antwoorden, ambtshalve geconcludeerd heeft enerzijds dat het genoemde artikel 14, § 3, ertoe IX-3806-8/14 strekt van het bestuur een beslissing te verkrijgen waarbij de vraag van een verzoeker, wat de inhoud ervan betreft, negatief wordt beantwoord zodat de subsidiaire vorderingen om die reden niet ontvankelijk zijn en anderzijds, wat betreft de fictieve weigering om vakantiedagen van 2001 over te dragen naar 2002, dat op de vraag van verzoekers onmogelijk een positief antwoord kon worden gegeven; dat hij te dien aanzien uiteengezet heeft wat volgt: artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is geconstrueerd vanuit de gedachte dat het bestuur positief kan beslissen over een aanvraag; die bepaling kan derhalve slechts van toepassing zijn wanneer de initiële vraag om een beslissing te nemen gericht was aan de overheid die bevoegd was om zich over de vraag uit te spreken en wanneer aan de voorwaarden voldaan was om een gunstig antwoord op de vraag te geven; de vraag van 28 mei 2002 was gericht aan de burgemeester van de stad Antwerpen - optredend voor het college van burgemeester en schepenen- en aan de korpschef van de lokale politie aldaar, maar het college van burgemeester en schepenen kan in het kader van de verlofregeling, zoals die in het RPPol geregeld is, geen vakantie toekennen, weigeren of overdragen; de korpschef kon zijnerzijds op 28 mei 2002 geen positief antwoord geven op de vraag van verzoekers, aangezien die vraag betrekking had op de overdracht van vakantiedagen van het jaar 2001, die in beginsel opgenomen hadden moeten worden in “het kalenderjaar” -dus in 2001- en verzoekers niet bewijzen dat zij in de voorwaarden verkeerden om die vakantiedagen van 2001 ambtshalve overgedragen te zien tot 1 april 2002 -waarvoor zij moeten aantonen dat hen in 2001 geweigerd was om dat verlof op te nemen- terwijl de verdere overdracht na 1 april 2002 enkel mogelijk was geweest wanneer het verlof dat ambtshalve was overgedragen tot 1 april 2002 voor die datum niet opgenomen had kunnen worden; dat hij om die redenen besluit dat de beroepen niet ontvankelijk zijn; 6.
  9. Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie dat standpunt tegenspreken; dat zij uiteenzetten wat volgt : - uit de tekst zelf van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State blijkt dat elk stilzwijgen, gedurende vier maanden, van de overheid die een beslissing moet nemen als een afwijzende beslissing moet worden beschouwd, ongeacht of de overheid een discretionaire dan wel een gebonden bevoegdheid IX-3806-9/14 uitoefent; wat de overdracht van vakantiedagen betreft heeft de overheid een discretionaire bevoegdheid om te beslissen of zij die overdracht toestaat, maar zij heeft een gebonden bevoegdheid op het vlak van de verplichting om een beslissing te nemen; dus moest de verwerende partij, ook al was zij er niet toe verplicht de gevraagde overdracht toe te staan, in ieder geval een beslissing nemen over de vraag van verzoekers; - de kern van de betwisting is of verzoekers in 2001 een recht hadden op vakantie- dagen op grond van hun prestaties in 2000; als dat het geval is, dan moet er toch een orgaan zijn dat een beslissing moet nemen over de overdracht van die vakantiedagen -waarmee de nieuwe verlofregeling niets te maken heeft- en er wordt niet aangetoond welk orgaan dat is, minstens wordt niet aangetoond dat het college van burgemeester en schepenen terzake geen bevoegdheid meer zou hebben; - de korpschef kon in 2002 wel degelijk nog een beslissing nemen “al was het maar door expliciet te beslissen wat het auditoraat als impliciet maar zeker standpunt verkondigt, namelijk dat (de verzoeken) onontvankelijk (waren), minstens ongegrond in de mate dat verzoeker(s) geen vraag tot opneming van cumulatief vakantieverlof had(den) geformuleerd”; 6.3.
  10. Overwegende dat artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt : “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld (...)”; Overwegende dat verzoekers op 28 mei 2002 aan de burgemeester en aan de korpschef van de lokale politie van de stad Antwerpen geschreven hebben dat de nieuwe verlofregeling van het RPPol niet kon beletten dat het bestuur hun verworven rechten eerbiedigde en dat zij bijgevolg voor het jaar 2001 recht hadden “op de gecumuleerde vakantiedagen gegenereerd volgens de vroegere rechtspositie- IX-3806-10/14 regeling en die gegenereerd volgens het RPPol”; dat zij op grond van die redenering gevraagd hebben dat het college van burgemeester en schepenen de niet opgenomen vakantiedagen van het jaar 2001 zou overdragen naar het jaar 2002 en dat zij de verwerende partij daarbij gewezen hebben op artikel 14, § 3, van de Raad van State- wet, aangezien volgens hen “de bevoegde overheid van de stad Antwerpen - het weze het college van burgemeester en schepenen dan wel de korpschef - een verplichting (heeft) om te beschikken inzake het verzoek tot overdracht van de (vermelde) vakantiedagen en de overdracht van de niet-opgenomen vakantiedagen”; 6.3.
  11. Overwegende dat verzoekers daarmee aan het bestuur een duidelijke vraag voorlegden; dat die vraag past in een aangelegenheid waarin de verwerende partij verplicht was te beschikken aangezien het de toepassing betrof van de statutaire bepalingen die aan verzoekers rechten toekenden; dat de verwerende partij binnen de vier maanden na de aanmaning geen expliciete beslissing genomen heeft over de vraag van verzoekers; dat bijgevolg, krachtens de geciteerde bepaling, verzoekers over een afwijzende beslissing beschikten waartegen zij bij de Raad van State in beroep konden komen; 6.3.
  12. Overwegende evenwel dat artikel 14, § 3, niets afdoet aan de door artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State ingestelde verplichting dat een verzoeker blijk moet geven van een benadeling of een belang; dat zulks onder meer betekent dat de beroepen onontvankelijk verklaard moeten worden wanneer zou blijken dat de verwerende partij in de aangebrachte aangelegenheid onmogelijk een beslissing kan treffen die gunstig is voor verzoekers; dat de Raad van State ambtshalve dat onderzoek moet voeren; 6.3.3.
  13. Overwegende dat buiten betwisting staat dat vanaf 1 april 2001 de nieuwe verlofregeling, vervat in het RPPol, op verzoekers van toepassing is; dat zulks betekent dat, vanaf die dag, ook de regeling voor de overdracht van de vakantiedagen naar een volgend kalenderjaar van toepassing is geworden; dat er te dien aanzien geen overgangsbepalingen vastgesteld zijn, behoudens het te dezen niet IX-3806-11/14 relevante artikel XII.VIII.7, waarin de overdracht van de vakantiedagen van het jaar 2000 mogelijk gemaakt is tot 31 december 2001; Overwegende dat artikel VIII.III.2 RPPol bepaalt dat het jaarlijks vakantieverlof waarop de politieambtenaren recht hebben, genomen wordt tijdens het kalenderjaar; dat krachtens diezelfde bepaling de minister de nadere regels bepaalt waaronder dat vakantieverlof overgedragen kan worden naar het volgende kalenderjaar; dat in het ministerieel besluit van 28 december 2001, waaraan uitwerking gegeven is vanaf 1 april 2001, bepaald is dat vakantieverlof, dat wegens uitzonderlijke dienstredenen geweigerd werd, overgedragen kan worden tot 1 april van het volgende jaar en, wanneer het tegen die datum niet opgenomen kan worden, zelfs nog langer wanneer de betrokkene erom vraagt; 6.3.3.
  14. Overwegende dat, toegepast op de situatie van verzoekers, vastgesteld dient te worden dat, zelfs in de situatie waar verzoekers van uitgaan -te weten dat de organieke verlofregeling van het RPPol welke op 1 april 2001 op hen van toepassing is, niet belet dat zij op die dag recht hebben op de vakantiedagen, ingesteld door het RPPol (32 dagen) én op de vakantiedagen berekend overeen- komstig de vakantieregeling die gold voor het politiepersoneel van de stad Antwerpen (24, 25 of 26 dagen)- de reglementering van de overdracht van die vakantiedagen voor het jaar 2001 in het algemeen slechts mogelijk was wanneer het bestuur het opnemen ervan gedurende het kalenderjaar 2001 wegens dienstredenen had geweigerd; dat verzoekers dat bewijs niet leveren en zelfs niet beweren dat hen in 2001 geweigerd werd al dat vakantieverlof op te nemen; dat, aangezien de voorwaarden om vakantiedagen van het jaar 2001 naar 2002 over te dragen niet vervuld zijn, er ook niet moet onderzocht worden of die vakantiedagen nog na 31 maart 2002 opgenomen konden worden; 6.3.
  15. Overwegende dat een en ander tot het besluit leidt dat de verwerende partij bij de ontvangst van de aanmaning van verzoekers van 28 mei 2002 onmogelijk nog een beslissing kon nemen over de overdracht naar 2002 van de vakantiedagen van 2001 waarop verzoekers recht meenden te hebben; dat, aangezien IX-3806-12/14 zij toen reeds in de juridische onmogelijkheid was -en thans nog altijd is- om voor verzoekers gunstige beslissingen te nemen, de eventuele vernietiging van het bestreden besluit verzoekers ook geen enkel voordeel kan bijbrengen; dat de beroepen om die reden niet ontvankelijk zijn, zowel wat de hoofdvordering als de subsidiaire vordering betreft; 7.
  16. Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie vragen dat de kosten van de gedingen ten laste van de verwerende partij zouden worden gelegd, aangezien een overheid, die nalaat op een aanmaning in de zin van artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te antwoorden, “hoe dan ook de kosten van het annulatieberoep (moet) dragen, zelfs indien die overheid onbevoegd is” en dat zulks a fortiori het geval is “wanneer die onbevoegdheid niet manifest is en de inhoud van de aanmaning zelf niet klaarblijkelijk zinloos of doelloos is”, zeker wanneer de tegenpartij zelf toegeeft dat de “zaak uiterst ingewikkeld (is)”; 7.
  17. Overwegende dat een krachtens artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State stilzwijgend totstandgekomen besluit een beslissing is die, wat de modaliteiten van het annulatieberoep betreft, aan geen bijzondere regeling onderworpen is; dat niet wordt ingezien waarom in dergelijk geval, de kosten van de annulatieberoepen altijd ten laste van het bestuur gelegd zouden moeten worden; dat verzoekers ook geen concrete gegevens voorleggen die de Raad van State ertoe zouden moeten brengen, in afwijking van de gewone regel waarbij de kosten van het geding ingeval van afwijzing van de vordering ten laste worden gelegd van de verzoekende partij, de kosten ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  18. De zaken nrs. A. 137.158/IX-3806, 137.159/IX-3803 en 137.164/IX-3807 worden samengevoegd. IX-3806-13/14 Artikel
  19. De beroepen worden verworpen. Artikel
  20. De kosten van de beroepen tot nietigverklaring, bepaald op 525 euro, komen ten laste van verzoekers, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3806-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.879 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.