id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.880 Rolnummer: A. 163889/IX-4961 Zaak: Arrest 152880 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-26 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.880 van 19 december 2005 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.880 van 19 december 2005 in de zaak A. 163.889/IX-
- In zake : Philippe VANDE CASTEELE, wonende te SCHOTEN, Klamperdreef 7 tegen :
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en F. VANDENDRIESSCHE, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51,
- het Selectiebureau van de Federale Overheid (SELOR), vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, dat woonplaats kiest bij advocaat E. JACUBOWITZ, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe VANDE CASTEELE op 29 augustus 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van : “1/ de beslissingen (...) van de commissie voor de selectie van federale ombudsmannen, ingesteld door SELOR, met inbegrip van de beslissing om verzoeker de ‘mention finale’ ‘pas apte’ toe te kennen (...); 2/ de beslissingen om in het raam van de selectie van federale ombudsmannen verzoekers kandidatuur niet in aanmerking te nemen en de ‘geschikt’ verklaarde kandidaten voor te stellen aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers;” Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gelet op het arrest nr. 147.554 van 11 juli 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; IX-4961-1/9 Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het “verzoek tot onderzoeksmaatregel” van 3 oktober 2005 van de verzoekende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VANDENBULCKE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. VANDENDRIESSCHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat P. DE MAEYER die, loco advocaat E. JACUBOWITZ verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1.
- Overwegende dat verzoeker zich op 20 en op 22 april 2005 kandidaat gesteld heeft voor de betrekkingen van Franstalig en Nederlandstalig federaal ombudsman, waarvoor de Kamer van Volksvertegenwoordigers (hierna : de Kamer) op 24 maart 2005 de selectieprocedure heeft vastgesteld en waarvan de oproep bekendgemaakt is in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2005; dat blijkens die oproep de Kamer SELOR belast heeft met het screenen van de curricula van de kandidaten, met het uitvoeren van een voorselectie en met de organisatie van een examen, af te leggen voor “een door Selor samengestelde multidisciplinaire examencommissie (paritair N + F)”, die de kandidaten catalogeert als “geschikt” of IX-4961-2/9 “niet geschikt” en de geschikten met een gemotiveerde rangschikking voorstelt aan de Kamer, die dan de uiteindelijke keuze maakt na een hoorzitting; 1.
- Overwegende dat verzoeker toegelaten werd tot het eigenlijk examen; dat de selectiecommissie op 13, 16 en 17 juni 2005 het interview van de kandidaten afgenomen heeft; dat blijkens het proces-verbaal van 17 juni 2005, de selectiecommissie op basis van de mondelinge proef besloten heeft voor het ambt van Nederlandstalig ombudsman drie kandidaten in de groep “geschikt” op te nemen (
- DEBULPAEP,
- DE BECKER en
- SCHUERMANS) en verzoeker in de groep “niet geschikt” op te nemen; dat SELOR met een brief van 29 juni 2005 aan verzoeker medegedeeld heeft dat de selectiecommissie hem de eindbeoordeling “ongeschikt” gegeven heeft, dat zijn kandidatuur derhalve niet in aanmerking genomen kan worden en dat alleen de geschikt bevonden kandidaten aan de Kamer zullen voorgedragen worden; dat de beslissing om verzoeker “niet geschikt” te verklaren en de beslissing om de geschikt verklaarden aan de Kamer voor te stellen het voorwerp vormen van de onderhavige vordering; 1.
- Overwegende dat verzoeker op 5 juli 2005 de Raad van State gevraagd heeft de hier bestreden beslissingen te schorsen volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat de Raad van State met de arresten nr. 147.535 van 8 juli 2005 en nr. 147.554 van 11 juli 2005 de beide vorderingen verworpen heeft, aangezien de aangevoerde middelen niet ernstig waren; 1.4 Overwegende dat de Kamer, bij geheime stemming, op 27 juni 2005 C. DE BRUECKER tot Franstalige ombudsvrouw en op 27 oktober 2005 G. SCHUERMANS tot Nederlandstalig ombudsman benoemd heeft;
- Overwegende dat de verwerende partijen opwerpen dat de Raad van State niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen; 2.
- Overwegende dat de Kamer uiteenzet dat de Raad van State met de wet van 25 mei 1999 de bevoegdheid gekregen heeft om de bestuurshandelingen van de Kamer inzake haar personeel en de overheidsopdrachten te vernietigen maar dat de federale ombudsman niet als een personeelslid van de Kamer kan worden beschouwd, zoals overigens reeds door de Raad van State bevestigd is in het arrest nr. 138.950 van 7 januari 2005 inzake VANDE CASTEELE; dat zij vaststelt dat verzoeker zelf ook die mening toegedaan is, maar dat hij zich wel op het standpunt IX-4961-3/9 plaatst dat de Raad van State toch bevoegd is om toezicht uit te oefenen op de beslissingen die de aanstelling tot ombudsman door de Kamer voorbereiden; dat zij die redenering evenwel niet kan bijvallen; dat zij daarvoor verwijst naar het gegeven dat de werking van de ombudsman volledig ingebed is in de Kamer -hij wordt door de Kamer aangesteld en afgezet; hij legt de eed af in handen van de voorzitter van de Kamer, stelt op verzoek van de Kamer onderzoek in naar de werking van de federale besturen, brengt jaarlijks bij de Kamer verslag uit over zijn activiteiten en laat zijn reglement inzake de behandeling van klachten door de Kamer goedkeuren-, naar de noodzakelijke onafhankelijkheid van de Kamer -een “basisbeginsel van de democrati- sche opbouw van de staat”- en naar het feit dat die onafhankelijkheid slechts ten volle gewaarborgd wordt wanneer de Kamer bij de selectie van een ombudsman een beroep kan doen op externe instellingen zoals SELOR, die in dat geval niet optreedt “krachtens een eigen bevoegdheid, maar op grond van een door de Kamer gedelegeerde bevoegdheid” zodat SELOR dan geen administratieve overheid is in de zin van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 2.
- Overwegende dat SELOR in wezen betoogt dat verzoeker geen doorslaggevende gegevens aanbrengt die ingaan tegen het arrest nr. 138.950, waarin gesteld is dat de Raad van State niet bevoegd is om zich uit te spreken over de benoeming van een ombudsman én over de beslissingen die deze benoeming voorbereiden; dat hij daaraan toevoegt dat de benoemingsprocedure een geheel uitmaakt zodat de onbevoegdheid van de Raad van State voor het eindbesluit insluit dat hij ook onbevoegd is voor de voorbereidende beslissingen en dat er anders over oordelen zelfs een discriminatie zou totstandbrengen, wanneer de mogelijkheid om een annulatieberoep in te stellen afhankelijk zou zijn van de stap van de procedure waarin hun kandidatuur geweerd wordt; 3.
- Overwegende dat de wet van 25 mei 1999 tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, van de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State, alsook van het Gerechtelijk wetboek (hierna: de wet van 25 mei 1999) de bevoegdheid van de Raad van State als annulatierechter uitgebreid heeft -het nieuwe artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten- tot “de administratieve handelingen van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblées, (...), met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel”; dat de federale ombudsmannen geen personeelsleden van de Kamer zijn, aangezien zij een wettelijk statuut hebben dat voorziet in de aanstelling en het ontslag IX-4961-4/9 door de Kamer, hetwelk voorts uitdrukkelijk verwijst naar het statuut van de raadsheren van het Rekenhof en dat voor het overige een aantal gelijkenissen vertoont -met name op het vlak van de onverenigbaarheden en onschendbaarheden- met het statuut van de parlementsleden; dat, bekeken vanuit de opdrachten van de dienst, de wet van 22 maart 1995 tot instelling van federale ombudsmannen waarborgen bevat opdat de ombudsmannen hun opdrachten in de grootst mogelijke onafhankelijkheid zouden kunnen uitoefenen en dat de dienst het karakter heeft van een “quasi-parlementaire overheid die activiteiten uitoefent die aansluiten bij die van de Kamer van Volksvertegenwoordigers” (Parl. Doc. Kamer, 1993-1994, stuk 1436/1, p. 6 en 15 en stuk 1436/7, p. 3); Overwegende dat, wat de bevoegdheid van de Raad van State betreft, de wetgever voor de federale ombudsmannen een specifiek statuut heeft ingesteld dat van hen geen personeelslid van de Kamer maakt en dat de wet de ombudsdienst, wat de uitvoering van zijn opdrachten betreft, op dezelfde lijn heeft geplaatst als de eigenlijke organen van de Kamer; dat daaruit volgt dat de aanstelling van de ombudsmannen valt onder de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de volksvertegenwoordiging waarop, in het belang van de onafhankelijke gezags- uitoefening van dat politiek orgaan, de rechter zonder uitdrukkelijke wettelijke machtiging geen toezicht kan uitoefenen; 3.
- Overwegende dat het soeverein optreden van de Kamer op het vlak van de benoeming van de federale ombudsmannen en de ontstentenis van de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State terzake, impliceert dat alle verrichtingen waarmee die aanstelling wordt voorbereid evenzeer aan die toetsingsbevoegdheid ontsnappen; dat zulks ook het geval is wanneer die beslissingen genomen zijn door administratieve overheden die door de Kamer bij de voorbereiding van haar beslissing betrokken worden en die daardoor hun medewerking verlenen aan het soeverein optreden van de Kamer; dat de vraag of de Kamer bij de aanwijzing van SELOR de wetgeving inzake de overheidsopdrachten correct nageleefd heeft niet relevant is ten aanzien van de vraag of SELOR een administratieve beslissing heeft genomen die door de Raad van State vernietigd kan worden; IX-4961-5/9 3.
- Overwegende dat in de huidige stand van de rechtspleging vastgesteld wordt dat de Raad van State niet bevoegd is om over de wettigheid van de bestreden beslissingen uitspraak te doen, nu zij deel uitmaken van een complexe rechtshandeling die uitloopt op een soevereine beslissing van de Kamer; 4.
- Overwegende dat verzoeker vraagt dat, ingeval de Raad van State zich onbevoegd verklaart, twee prejudiciële vragen aan het Arbitragehof gesteld zouden worden; dat een eerste vraag betrekking heeft op de schending, door de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van het gelijkheidsbeginsel, van de artikelen 32, 159 en 160 van de Grondwet en van het beginsel van de rechtsstaat, wanneer de Raad van State, in afwijking van zijn algemene bevoegdheid om beslissingen van administratieve overheden te vernietigen, zich onbevoegd verklaart om de vernietiging uit te spreken van een beslissing van een administratieve overheid -SELOR en de examencommissie door hem opgericht- welke genomen is in het kader van de benoeming van een federale ombudsman of die haar grondslag vindt in een overheidsopdracht vanwege de Kamer -beslissing die consequenties heeft op de toepassing van de wetgeving inzake de uitdrukkelijke motivering en de openbaarheid van bestuur met betrekking tot die beslissing-, terwijl de Raad van State wel controle uitoefent op voordrachten en adviezen welke wetgevende vergaderingen en de Hoge Raad van Justitie uitbrengen in het kader van benoemingen van magistraten in het Arbitragehof en bij de Rechterlijke Orde en terwijl de wet van 25 mei 1999 de Raad toch bevoegd gemaakt heeft voor beslissingen van de Kamer ten aanzien van alle overheidsopdrachten en de personeelsaangelegenheden; dat de tweede vraag betrekking heeft op de schending, door artikel 14 van dezelfde wetten, van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, van de artikelen 159 en 160 van de Grondwet en van het beginsel van de rechtsstaat, ingeval de benoeming van een ombudsman niet begrepen zou kunnen worden in de “overheidsopdrachten en personeelsaangelegenheden” van wetgevende vergaderingen waarvoor de Raad van State bevoegd is gemaakt, wanneer er geen onderscheid gemaakt wordt tussen een selectieprocedure die volledig door de Kamer wordt gevoerd en een selectieprocedure waarin de Kamer de beoordeling van de kandidaten delegeert aan SELOR -of een jury door hem aangesteld en met bevoegdheid tot uitsluiting-, wanneer er geen onderscheid gemaakt wordt tussen de omstandigheid dat SELOR in de zaak al dan niet opgetreden is op grond van een overheidsopdracht en wanneer er ook geen onderscheid gemaakt wordt tussen benoemingen in ambten die voorbehouden zijn aan leden van wetgevende vergaderingen en benoemingen in ambten die onverenigbaar zijn met een bij verkiezing begeven mandaat, terwijl de IX-4961-6/9 Raad van State toch bevoegd is om koninklijke besluiten tot benoeming van rechters in het Arbitragehof of magistraten van de rechterlijke orde te vernietigen, ook al gaat een advies van de Kamer of van de Hoge Raad van Justitie daaraan vooraf, terwijl de Raad van State ook koninklijke besluiten tot benoeming van sectoriële ombuds- mannen vernietigt en terwijl de wet van 25 mei 1995 de Raad van State wel machtigt om beslissingen met betrekking tot personeel en overheidsopdrachten van wetgeven- de vergaderingen te vernietigen; 4.
- Overwegende dat de Kamer daar op antwoordt dat, gelet op artikel 26, § 3, van de Bijzonder wet op het Arbitragehof, de Raad van State niet verplicht is om prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen, nu er geen ernstige twijfel kan bestaan over de grondwettigheid van de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat zij te dien aanzien betoogt dat het Arbitragehof reeds beslist heeft dat het een basisregel van de democratische opbouw van de staat is dat wetgevende vergaderingen over de ruimste bevoegdheid beschikken, dat de federale ombudsmannen geen personeelslid van de Kamer zijn maar mandatarissen die door de Kamer zelf worden benoemd, hetgeen een gedifferentieerde behandeling toelaat ten opzichte van de personeelsleden van de ombudsdienst die door de ombudsmannen zelf worden benoemd, dat ook de onderscheiden behandeling van de federale ombudsmannen en de magistraten verantwoord is aangezien de magistraten benoemd worden door de Koning en de ombudsmannen door de Kamer en beide groepen een andere opdracht hebben en dat de onafhankelijkheid van de Kamer vereist dat deze instelling bij de benoeming van een ombudsman beroep kan doen op externe instellingen, zoals SELOR, om de lijst van geschikten op te maken, terwijl de toewijzing van een opdracht aan SELOR zelfs geen overheidsopdracht is aangezien SELOR in dit verband niet optreedt als een derde aan wie een opdracht wordt toevertrouwd maar als een orgaan van dezelfde rechtspersoon; dat zij daaraan toevoegt dat een mogelijke gebrekkige rechtsbescher- ming van de ombudsmannen het gevolg is van een lacune in de wet, waardoor de Raad van State niet bevoegd wordt; 4.
- Overwegende dat de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de Raad bevoegd maken om beslissingen van administratieve overheden die rechtsgevolgen teweegbrengen te vernietigen, zulks op vraag van iemand die blijk geeft van een belang; dat de bovenvermelde vragen van verzoeker ertoe strekken vastgesteld te zien dat de wijze waarop de Raad van State artikel 14 uitlegt de in de vragen vermelde rechtsregels schendt; dat hij daarmee IX-4961-7/9 evenwel niet aantoont dat artikel 14 zelf een ongelijke behandeling van bepaalde categorieën personen zou bevatten, terwijl het Arbitragehof enkel kennis kan nemen van vragen betreffende de ongrondwettigheden die in de wet zelf te vinden zijn; Overwegende dat artikel 26, § 3, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, ingevoegd door de wet van 9 maart 2003, bepaalt wat volgt : “Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet (...) met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, is een rechtscollege zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, (...), er niet toe gehouden een prejudiciële vraag te stellen”; Overwegende dat de Raad van State in de huidige stand van de zaak, en rekening houdend met artikel 26, § 3, van de Bijzondere wet op het Arbitragehof, vaststelt dat verzoeker geen argumenten aanbrengt die ernstige twijfel doen rijzen over de verenigbaarheid van de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State met een van de rechtsnormen die door het Arbitragehof kunnen getoetst worden en dat hij er ook ambtshalve geen ontwaart; dat de Raad er ook geen kennis van heeft dat een vraag met hetzelfde onderwerp bij het Arbitragehof aanhangig zou zijn; dat mitsdien er geen reden is om de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof te stellen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4961-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-4961-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.880 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.554 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.264 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.