← België

Arrest 152881 - - 19/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.881 Rolnummer: A. 138816/IX-3836 Zaak: Arrest 152881 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-05 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.881 van 19 december 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.881 van 19 december 2005 in de zaak A. 138.816/IX-3836. In zake : Peter NIELSEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN KELST, kantoor houdende te ANTWERPEN, Dendermondestraat 11 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaten B. STEEGEN, E. SCHELLINGEN en A. GERKENS, kantoor houdende te BILZEN, Demerlaan 21, bus 1. tussenkomende partij : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Peter NIELSEN op 7 juli 2003 heeft ingediend om nietigverklaring te vorderen van het besluit genomen op 7 mei 2003 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, houdende niet-inwilliging van zijn hoger beroep tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 23 januari 2003, waarbij goedgekeurd wordt het besluit van 13 december 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 126.402 van 15 december 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 15 januari 2004 door verzoeker; IX-3836-1/10 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 21 juni 2004; Gelet op de beschikking van 31 maart 2004 die de tussenkomst van het OCMW van Antwerpen toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 7 oktober 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beslissing van 9 november 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2005; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VAN KELST, die verschijnt voor verzoeker, van advocaat E. EEVERS, die loco advocaten B. STEEGEN, E. SCHELLINGEN en A. GERKENS, verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat B. CLOOSEN, die loco advocaat M. STOLK, verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak zijn samengevat in het arrest nr. 126.402 van 15 december 2003, waarbij de Raad van State, op vordering van verzoeker, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit van IX-3836-2/10 de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken heeft bevolen; 2.1. Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat het bestreden besluit van 7 mei 2003 dateert en met een aangetekend schrijven van dezelfde datum aan verzoeker ter kennis werd gebracht, zodat het voorliggende verzoekschrift tot nietigverklaring -naar haar mening- op 7 juli 2003 laattijdig werd ingediend; 2.2. Overwegende dat het bestreden besluit inderdaad met een aangetekende brief van 7 mei 2003 aan verzoeker werd betekend; dat indien wordt aangenomen dat verzoeker de desbetreffende aangetekende zending op 8 mei 2003 heeft ontvangen, voor hem de termijn van zestig dagen beroep in te stellen bij de Raad van State verstreek op 7 juli 2003; dat het verzoekschrift tot nietigverklaring derhalve op de laatste dag van de beroepstermijn en nog tijdig werd ingediend; 3.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij dat middel uiteenzet als volgt : “Doordat de bestreden beslissing wordt gemotiveerd als volgt : (...) Dat aldus in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepassing van het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, en meer bepaald wordt gesteld dat de verhouding tussen tuchtstraf en tuchtfeit niet werkelijk volkomen ontbreekt; Dat verder in de bestreden beslissing wordt gesteld dat ‘de betrokkene de ten laste gelegde feiten niet ontkent’; Dat integraal wordt verwezen naar de weergave van de feiten weergegeven en het onderzoek gevoerd door het OCMW Antwerpen; Dat echter het beschikkende gedeelte van het besluit echter luidt als volgt: ‘Enig artikel. Het beroep van de heer Peter Nielsen, opsteller bij het OCMW van Antwerpen, tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen van 23 januari 2003 tot goedkeuring van het besluit van de OCMW-raad van Antwerpen van 13 december 2002 houdende het opleggen van de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege aan de heer Peter Nielsen wordt niet ingewilligd.’; Dat de OCMW-raad van Antwerpen de tuchtfeiten als volgt omschrijft : ‘(...) daar de verdediging het ene feit onomstootbaar heeft erkend en het andere ten laste gelegde feit onvoldoende heeft kunnen weerleggen. Ontslag van ambtswege is, gelet op de zwaarwichtigheid van de feiten, te verantwoorden. De ten laste gelegde feiten zijn zeer zwaar in die zin dat omkoperij een strafrechtelijk misdrijf uitmaakt. Er is echter geen sprake van een misdrijf daar het gelukkig enkel is gekomen tot een poging tot omkoping door ingrijpen van de koper en het Bestuur. Bovendien is door de poging tot financiële benadeling elk vertrouwen in Nielsen beschadigd.’; IX-3836-3/10 Dat door het OCMW aldus poging tot omkoping en poging tot financiële benadeling worden weerhouden als tuchtfeiten dewelke het ontslag verantwoorden; De beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen wordt gemotiveerd als volgt : ‘Overwegende dat in het OCMW-raadsbesluit van 13 december ll. trouwens enkel nog de poging tot omkoping wordt bevestigd; dat alleen al deze aantijging het ontslag kan wettigen’; Dat aldus door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen enkel het tuchtfeit van poging tot omkoping wordt bevestigd; Dat echter in de bestreden beslissing integraal wordt verwezen naar de tuchtprocedure zoals gevoerd door de Raad van het OCMW van de Stad Antwerpen en haar beoordeling van de tuchtfeiten wordt getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel; Terwijl de bestreden beslissing niet voldoet aan de formele motiverings- verplichting aangezien de motivering niet afdoende is; Dat de motivering eerst afdoende is als ze pertinent en draagkrachtig is; Dat de bestreden beslissing niet voldoet aan de vereiste van draagkracht; Dat de vereiste van draagkrachtigheid impliceert dat de motivering duidelijk, niet-tegenstrijdig, juist, pertinent, concreet, precies en volledig is; Aangezien echter in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de tuchtstraf kennelijk evenredig is met de gepleegde tuchtfeiten; Dat echter geenszins duidelijk is welke tuchtfeiten worden onderworpen aangezien de tuchtfeiten worden getoetst zoals opgelegd door de OCMW-raad en zoals goedgekeurd door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen; Dat echter de Bestendige Deputatie slechts 1 tuchtfeit weerhoudt terwijl de OCMW-raad zich baseert op 2 tuchtfeiten, nl. poging tot omkoping en poging tot financiële benadeling; Dat niet vermag te verwijzen naar de verhouding tussen tuchtfeit en tuchtstraf zonder dat duidelijk is welke tuchtfeiten worden weerhouden; Dat de toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel compleet onduidelijk is aangezien niet kan begrepen worden welke feiten worden getoetst aan de straf; Aangezien tevens dient te worden verwezen naar de onduidelijkheden in de beslissing van het OCMW daar uit deze beslissing niet kan worden afgeleid op grond van welke beschuldigingen verzoeker een tuchtstraf wordt opgelegd: ‘omkoping of minstens poging tot omkoping’ en verder dat ‘het gelukkig enkel is gekomen tot een poging tot omkoping’; De onduidelijkheid met betrekking tot de ten laste gelegde feiten ontstond reeds bij de beslissing van het OCMW, onduidelijkheid dewelke wordt gehandhaafd door de beslissing van de Bestendige Deputatie en de bestreden beslissing; Dat daarenboven wordt gesteld dat verzoeker de ten laste gelegde feiten niet ontkent; Deze overweging is manifest onjuist daar waar verzoeker steeds de hem ten laste gelegde feiten heeft ontkend; Dat verzoeker heeft toegegeven dat er benadering bestond tussen de verkoper en hemzelve na het ondertekenen van het compromis en hij zich wenste te laten belonen voor de vlotte afhandeling van het dossier; Verzoeker heeft steeds ontkend dat hij de intentie heeft gehad het OCMW financieel te benadelen, hetgeen hij heeft aangetoond aan de hand van de zittingstukken van het Departement Logistieke Diensten (stukken 2 en 3); Dat uit de omstandigheden van de zaak blijkt dat niets erop wijst dat verzoeker het OCMW Antwerpen financieel heeft wensen te benadelen; Dat daarenboven de ten laste gelegde feiten van poging tot omkoping afdoende werden weerlegd daar waar verzoeker eerst betaling wenste na afhandeling van het dossier; IX-3836-4/10 Dat aldus komt vast te staan dat de bestreden beslissing niet afdoende is aangezien (

  1. ze)niet juist, duidelijk, concreet noch precies en daarenboven onvolledig is; Dat de in dit middel opgegeven wetsartikelen worden geschonden.”; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit volkomen voldoet aan de formele motiveringsplicht: het geeft een overzicht van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en van de toepasselijke rechtsregels en het vermeldt waarom tot de afwijzing van het beroep van verzoeker wordt besloten; dat volgens haar verzoeker ten onrechte betoogt dat er verwarring zou bestaan over de tuchtfeiten die te zijnen laste in aanmerking zijn genomen, nu de bestendige deputatie immers duidelijk heeft gesteld dat enkel de poging tot omkoping in aanmerking wordt genomen, zodat er slechts sprake is van één tuchtfeit; dat de verwerende partij voorts laat gelden dat verzoeker ten onrechte de juistheid betwist van de overweging van het bestreden besluit naar luid waarvan hij de hem ten laste gelegde feiten niet ontkent; dat uit het tuchtverslag en uit verzoekers eigen verklaringen immers onbetwistbaar blijkt dat hij zijn fout heeft toegegeven en dat hij heeft bekend gepoogd te hebben zich te laten omkopen voor een bedrag van 5.000 euro; dat volgens de verwerende partij het voorts niet relevant is dat verzoeker ontkent dat hij het OCMW financieel heeft willen benadelen, noch dat de vraag van verzoeker aan de koper tot betaling van een som geld pas na het ondertekenen van het verkoopcompromis zou zijn gesteld; 3.1.3. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord letterlijk herhaalt hetgeen hij in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring met betrekking tot het middel heeft aangevoerd; dat hij voorts ook de overwegingen van het arrest van de Raad van State over de vordering tot schorsing herneemt, waarbij het middel in welbepaalde mate ernstig wordt bevonden; 3.1.4. Overwegende dat de tussenkomende partij vooreerst aanvoert dat verzoeker verwarring tracht te zaaien aangaande de inhoud van de kwestieuze besluiten; dat volgens haar zowel uit het tuchtbesluit van 13 december 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn, als uit het goedkeuringsbesluit van 23 januari 2003 van de bestendige deputatie en het bestreden besluit van 7 mei 2003 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, duidelijk blijkt dat ze wel degelijk gesteund zijn op de beide tuchtfeiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd, eensdeels poging tot omkoping, anderdeels financiële benadeling van het openbaar centrum voor IX-3836-5/10 maatschappelijk welzijn door de vermindering van verkoopprijs met de kosten van de verkoop; dat zij voorts laat gelden dat verzoeker duidelijk heeft erkend vanwege de koper van het perceel grond een geldsom te hebben willen ontvangen: hij heeft dit toegegeven aan inspecteur-generaal Victor VAN DEN KEYBUS, alsook in een navolgend schrijven aan het bestuur en tijdens de hoorzitting voor de raad voor maatschappelijk welzijn; dat zij in dat verband betoogt dat de raad voor maatschappelijk welzijn met betrekking tot de feiten van financiële benadeling niet heeft gesteld dat deze door verzoeker zouden zijn erkend, doch enkel dat verzoeker geen redelijke verantwoording voor die feiten heeft aangebracht; dat de tussenkomende partij ten slotte opmerkt dat de minister in het kader van de beroepsprocedure enkel vermag te oordelen over de proportionaliteit van de tuchtstraf met de feiten en dat geheel los daarvan staat de vraag of de feiten al dan niet door de betrokkene zijn erkend; 3.2.1. Overwegende dat in het arrest nr. 126.402 van 15 december 2003 over de vordering tot schorsing, het middel door de Raad van State in de volgende mate ernstig wordt bevonden: “4.2.1. Overwegende dat verzoekers argumentatie in hoofdzaak erin bestaat dat een toetsing van de redelijkheid van de strafmaat ten opzichte van de feiten pas kan worden gedaan nadat is vastgesteld dat die feiten als bewezen voorkomen, terwijl dat laatste hier niet het geval is, onder meer, maar vooral omdat de toezichthoudende overheid om tot dat besluit te komen, in navolging van de raad voor maatschappelijk welzijn, stelt dat verzoeker erkent dat hij de feiten begaan heeft, ofschoon hij dat nooit gedaan heeft; dat verzoeker de juistheid niet enkel van de formele, maar ook van de materiële motivering van het bestreden besluit betwist, tevens in zoverre het de motieven van het goedgekeurde besluit overneemt; 4.2.2. Overwegende dat blijkens het bij het bestreden ministerieel besluit goedgekeurde besluit van 13 december 2002 in het verslag van de secretaris aan verzoeker twee tuchtfeiten ten laste werden gelegd: vooreerst, ‘een poging tot omkoperij te plegen, door het willen aannemen van 5.000 euro voor de vermindering van de verkoopprijs van een eigendom van het OCMW Antwerpen (...)’, dat ‘deze vermindering van de verkoopprijs werd bekomen door toedoen van Nielsen Peter’, vervolgens, financiële benadeling van het OCMW ‘daar Nielsen Peter de verkoopprijs heeft verminderd tot 59.096,80 euro om de bijkomende kosten ten laste te leggen op het OCMW Antwerpen (verkoper), terwijl dit niet de normale gang van zaken is gelet op artikel 1593 van het Burgerlijk Wetboek dat de kosten bij een verkoop ten laste legt van de koper en dus niet van de verkoper’; dat het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn bij de weergave van verzoekers verdediging vermeldt ‘dat betrokkene de ten laste gelegde feiten niet ontkent en zich bewust is van het feit dat hij foutief heeft gehandeld’; dat het dan, in zijn eigen motivering voor de opgelegde sanctie, stelt : ‘ het eerste feit werd door betrokkene bekend en is op geen enkele wijze te rechtvaardigen’ en: ‘het tweede feit werd onvoldoende weerlegd daar ...’; dat de Vlaamse minister na uitvoerig te hebben geargumenteerd dat het hem niet toekomt de beoordeling van de feiten over te doen, dat hij de uitgesproken IX-3836-6/10 tuchtsanctie enkel op haar redelijkheid kan toetsen en dat hij daarbij niet heeft vastgesteld dat de strafmaat onredelijk is, in korte en zeer algemene bewoordingen vaststelt dat ‘betrokkene de ten laste gelegde feiten niet ontkent en zich bewust is van het feit dat hij foutief heeft gehandeld’; dat hij met andere woorden de door de raad voor maatschappelijk welzijn gebruikte bewoordingen, welke zich evenwel situeren in de context van verzoekers verdediging, overneemt; dat daaruit bezwaarlijk kan worden besloten dat, naar het oordeel van de minister, verzoeker ook de tweede tenlastelegging heeft erkend en nog minder dat dit voor hem een determinerende reden uitmaakte om het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn goed te keuren; dat het middel dan ook veeleer moet worden betrokken op het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn; 4.2.3. Overwegende dat, zoals hiervoor in 4.2.2. is vastgesteld, uit de beslissing van de raad voor maatschappelijk welzijn zeer duidelijk blijkt dat aan verzoeker twee onderscheiden tuchtfeiten ten laste werden gelegd en voor bewezen werden gehouden en dat enkel wat het eerste betreft hij aannam dat verzoeker het had erkend; dat wat de bestendige deputatie van de provincieraad daaromtrent heeft geoordeeld niet ter zake dienend meer is aangezien het ministerieel goedkeuringsbesluit in de plaats is gekomen van het goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie; dat bij lezing van het tuchtbesluit van de raad voor maatschappelijk welzijn in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat het eerste feit bestond in een poging tot omkoping; dat wat het tweede feit betreft verzoeker geen concrete gegevens aanvoert om de conclusie, welke wordt gestaafd door precieze gegevens, dat verzoeker het onvoldoende had weerlegd, te ontkrachten; dat derhalve enkel de vraag blijft of de raad voor maatschappelijk welzijn en na hem de minister, terecht hebben aangenomen dat verzoeker het eerste hem ten laste gelegde tuchtfeit heeft erkend; 4.2.4. Overwegende, wat dat eerste tuchtfeit betreft, dat uit de verklaringen van verzoeker voor de tuchtoverheid en voor de verwerende partij blijkt dat hij weliswaar heeft toegegeven dat hij ná het ondertekenen van het verkoopcompromis aan de koper een financiële beloning heeft gevraagd voor het tot stand brengen van de overeenkomst, maar dat hij steeds ten stelligste heeft ontkend dat hij die beloning heeft gevraagd voor de vermindering van de verkoopprijs door zijn toedoen; dat verzoeker daarentegen steeds heeft betoogd dat de verkoopprijs op een geoorloofde wijze is tot stand gekomen en dat hij bij de afhandeling van het dossier nooit een vermindering van de verkoopprijs heeft willen bewerkstelligen ten voordele van de koper en aldus het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn heeft willen benadelen; 4.2.5. Overwegende dat waar blijkens het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn, dat daarin door het ministerieel goedkeuringsbesluit geacht moet worden te zijn bijgevallen, als zou verzoeker het eerste tuchtfeit hebben erkend, zulks bijgevolg enkel geldt voor het feit dat hij een vergoeding heeft gevraagd aan de koper, vergoeding die volgens hem overigens lager was dan 5.000 euro; dat volgens verzoeker pas na het sluiten van de onderhandse verkoopovereenkomst het idee is ontstaan aan de koper een vergoeding te vragen; dat, daargelaten de vraag of zijn uitleg daaromtrent geloofwaardig klinkt, derhalve vaststaat dat verzoeker het eerste hem ten laste gelegde feit zoals het omschreven wordt in de tenlastelegging, namelijk een poging tot omkoperij, door het willen aannemen van 5.000 euro voor de door hem bewerkstelligde vermindering van de verkoopprijs, niet als zodanig heeft erkend; dat de raad voor maatschappelijk welzijn zich echter ertoe heeft bepaald het eerste tuchtfeit in zijn geheel als bewezen te beschouwen omdat verzoeker het heeft erkend, zonder verder uiteen te zetten hoe hij tot de conclusie komt dat verzoekers bekentenis dat hij gepoogd heeft geld af te troggelen van de koper noodzakelijk tot de conclusie moet leiden dat hij dat beschouwde als een IX-3836-7/10 beloning voor de door hem bewerkstelligde korting op de verkoopprijs, ten nadele van het OCMW; dat het middel in die mate ernstig is”; 3.2.2. Overwegende dat nogmaals dient te worden vastgesteld dat, wat het eerste hem ten laste gelegde tuchtfeit betreft, uit de verklaringen van verzoeker voor de tuchtoverheid en voor de verwerende partij blijkt dat hij weliswaar heeft toegegeven dat hij ná het ondertekenen van het verkoopcompromis, dus op een tijdstip dat vaststond dat de verkoop tegen de in het compromis bepaalde prijs zou plaatshebben, aan de koper een financiële beloning heeft gevraagd voor het tot stand brengen van de overeenkomst, maar dat hij steeds ten stelligste heeft ontkend dat hij die beloning heeft gevraagd voor de vermindering van de verkoopprijs door zijn toedoen en hij steeds heeft betoogd dat hij bij de afhandeling van het dossier nooit gestreefd heeft naar een vermindering van de verkoopprijs ten voordele van de koper en dus ten nadele van het OCMW; dat hij wat dat betreft het eerste hem ten laste gelegde tuchtfeit wel degelijk heeft ontkend; 3.2.3. Overwegende dat de verwerende partij niet kan worden bijgevallen, in zoverre zij in haar memorie van antwoord laat gelden dat verzoeker toegegeven heeft een som geld te hebben willen ontvangen van de koper en het zonder belang is dat hij zijn vraag tot betaling van een som geld slechts aan de koper zou hebben gesteld na het sluiten van het verkoopcompromis en dat hij voorts niet het oogmerk zou hebben gehad het OCMW financiële schade toe te brengen; dat, immers, de vaststelling blijft dat hetgeen aan verzoeker ten laste wordt gelegd, méér is dan hetgeen hij heeft toegegeven: er wordt hem verweten een som geld te hebben willen ontvangen als vergoeding voor een vermindering van de verkoopprijs door zijn toedoen, maar dat laatste heeft hij steeds ten stelligste betwist; 3.2.4. Overwegende dat ook wat het tweede aan verzoeker ten laste gelegde tuchtfeit betreft, uit zijn verklaringen voor de tuchtoverheid en voor de verwerende partij onmiskenbaar blijkt dat hij ten stelligste heeft ontkend het bestuur financieel te hebben willen benadelen door, rekening houdend met de kosten van de verkoop, de verkoopprijs te bepalen op 59.096,80 EUR (60.000 EUR - 903,20 EUR kosten) in plaats van op 60.000 EUR; dat overigens verzoeker allicht niet zonder reden heeft laten gelden dat hij inzonderheid uit de door directeur René VAN DE WOUWER ondertekende nota van 22 oktober 2002 aan het Bijzonder Comité voor Aankopen, Werken en Eigendommen, kon afleiden dat in de vastgestelde verkoopprijs van 60.000 EUR de kosten van de verkoop begrepen waren: in de desbetreffende nota wordt vooreerst melding gemaakt van “de IX-3836-8/10 vraagprijs inclusief kosten”, vervolgens wordt het bod van de kandidaat-koper ten bedrage van 60.000 EUR vergeleken met de schattingsprijs, wederom vermeerderd met de kosten, wat tot de conclusie leidt dat de aangeboden prijs 2,8% hoger is; 3.2.5. Overwegende dat uit het bestreden besluit niet met zekerheid kan worden opgemaakt dat de minister met de overweging dat “betrokkene de ten laste gelegde feiten niet ontkent en zich bewust is van het feit dat hij foutief heeft gehandeld”, in navolging van de raad voor maatschappelijk welzijn alleen het eerste en niet het tweede tuchtfeit viseerde; dat integendeel de algemeenheid van de desbetreffende overweging laat uitschijnen dat de minister zowel het eerste als het tweede tuchtfeit voor ogen had en het derhalve niet uitgesloten is dat -in de visie van de minister- de erkenning van het tweede tuchtfeit door verzoeker mede reden was om het tuchtbesluit goed te keuren; dat op zijn minst de twijfel die daaromtrent mogelijk is meebrengt dat de motivering van het bestreden besluit op dat punt niet afdoende is; 3.2.6. Overwegende dat het bestreden besluit, doordat het mede is gesteund op de overweging dat verzoeker de hem ten laste gelegde tuchtfeiten niet ontkent, niet deugdelijk is gemotiveerd en aldus de motiveringsplicht schendt; dat het middel in zoverre gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit genomen op 7 mei 2003 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, houdende goedkeuring van het besluit van 13 december 2002 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Antwerpen waarbij aan Peter NIELSEN de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3836-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3836-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.881 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.126.402 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.