← België

Arrest 152882 - - 19/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.882 Rolnummer: A. 116331/IX-3207 Zaak: Arrest 152882 - - 19/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:49 Fiche Arrest nr 152.882 van 19 december 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.882 van 19 december 2005 in de zaak A. 116.331/IX-

  1. In zake : Johan VERCARRE, wonende te OOSTENDE, Plakkerstraat 30/2D tegen : BELGOCONTROL, dat woonplaats kiest bij advocaat J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile De Motlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan VERCARRE op 4 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van 4 november 1998 om verzoeker in belang van de dienst vanaf 1 december 1998 tijdelijk over te plaatsen naar EBBR te Zaventem voor een voorlopige periode van ongeveer 8 maanden, waarvan 4 maanden bij MET/ON en 4 maanden bij MET/O en van de beslissing van 15 december 2000 om verzoeker vanaf 2 januari 2001 in het belang van de dienst tewerk te stellen in de sectie Klimatologie”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-3207-1/10 Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat G. MATTENS, die loco advocaat J. SOHIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker is bij ministerieel besluit van 18 januari 1993 aangewor- ven als stagiair bij de toenmalige Regie der Luchtwegen in de graad van aspirant hulpmeteoroloog met ingang van 16 december
  5. Bij ministerieel besluit van 9 maart 1994 wordt hij op 1 februari 1994 benoemd in vast verband. Tot 1 november 1994 is zijn administratieve standplaats en plaats van tewerkstelling de dienst meteo van de luchthaven Brussel Nationaal (hierna : IX-3207-2/10 EBBR = code van de International Civil Aeronauticae Organisation (ICAO)). Vanaf die datum wordt hij overgeplaatst naar de dienst Meteo van de luchthaven Oostende (hierna : EBOS). 1.
  6. Sinds maart 1998 volgen verscheidene klachten over de houding en het gedrag van verzoeker elkaar op. In een nota van 13 maart 1998 maakt een ingenieur bij het departement luchtvaartveiligheid bij het hoofdbestuur, melding van een persoonlijk incident met verzoeker tijdens zijn bezoek aan Oostende op 10 maart
  7. Bij het verlaten van het luchthavengebouw is verzoeker “vanop het balkon van het meteolokaal, met veel misbaar naar (hem) beginnen schreeuwen”. Hij acht het nodig dit feit schriftelijk te melden “gezien de houding van (verzoeker) het imago van de RLW tegenover derden ernstige schade kan toebrengen”. In een nota van 21 juni 1998 meldt een inspecteur bij de luchthaveninspectie, dat verzoeker via de beveiligde toegangsdeur aan zijn vader toegang had verschaft tot de luchtzijde van het gebouw, nadat dit eerst door een agent van de luchthavenpolitie geweigerd was. De inspecteur merkt op dat verzoekers gedrag “totaal ongepast, zelfs verboden (is)” en het duidelijk moet zijn “dat eventuele officiële stappen tegen hem mogelijk zijn”. In een nota van 15 oktober 1998 meldt de technisch bureauchef te Oostende, dat de fax in de meteolokalen niet werkte omdat verzoeker “heel eenvoudig de stekker uit het stopkontakt (had) getrokken”, zonder de technische diensten in te lichten over een eventuele storing. Hij merkt op dat “deze wijze van handelen (...) zeker niet ten goede (komt) voor de dienst en (...) niet getolereerd (kan) worden”. 1.
  8. Op 4 november 1998 richt de hoofdmeteoroloog-directeur de volgende nota aan verzoeker : “Betreft: Tijdelijke overplaatsing. Sinds enige tijd worden er klachten geuit over uw houding en collegialiteit binnen de dienst, alsook van andere diensten op de luchthaven te Oostende. IX-3207-3/10 Om de werking van de Dienst MET en de samenwerking met andere diensten te blijven verzekeren, werd in overleg met het Hoofd van het Departement en de leidende ambtenaren van de Directie MET, beslist om U vanaf 1 December 1998 tijdelijk over te plaatsen naar EBBR. Die beslissing werd genomen in uw eigen belang, en in het belang van de dienst, om een verdere eskalatie van de toestand te voorkomen. U zult op EBBR tewerkgesteld worden, in doublure voor een voorlopige periode van + 8 maanden, waarvan 4 maanden bij MET/ON en 4 maanden bij MET/O. Na iedere maand zal er een evaluatie gebeuren. Ingeval van een positieve evolutie, kan U ingeschakeld worden in een effectieve ploeg te EBBR of eventueel later te EBOS. Voor practische schikkingen, gelieve in eerste instantie, contact op te nemen met Mevr. De Keyser, Meteoroloog-Directeur van MET/ON op het nummer 02.753.6511 en nadien met de heer De Ridder, Meteoroloog-Directeur van MET/O op het nummer 02.753.6500”. Dit is de eerste bestreden beslissing . 1.
  9. Met een brief van 10 november 1998 vraagt verzoeker aan de hoofdmeteoroloog-directeur hem mede te delen over welke klachten het gaat en wat dient te worden verstaan onder “(gebrek aan) collegialiteit en (een slechte of goede) houding”. 1.
  10. Op 27 november 1998 schrijft verzoeker opnieuw een brief omdat hij nog steeds geen antwoord heeft ontvangen. Hij klaagt aan dat er procedurefouten zijn gemaakt, aangezien hij geen strafvoorstel heeft ontvangen en hij zich niet heeft kunnen verdedigen. 1.
  11. Op 14 januari 1999 wordt de overplaatsing van verzoeker vastgelegd in een “tijdelijk overplaatsingsbevel” dat wordt ondertekend door een lid van het directiecomité. 1.
  12. Bij beslissing van 25 januari 1999 van de gedelegeerd bestuurder wordt verzoeker met ingang van 1 januari 1999 benoemd tot eerste hulpmeteoroloog. IX-3207-4/10 1.
  13. Op 29 december 1999 vraagt verzoeker zijn overplaatsing naar Oostende. Hij krijgt geen antwoord op deze aanvraag. 1.
  14. Op 14 december 2000 vraagt verzoeker opnieuw zijn overplaatsing naar Oostende. Ook deze aanvraag blijft zonder gevolg. 1.
  15. Op 15 december 2000 richt de manager MET Brussel-Nationaal, een nota aan verzoeker waarin wordt medegedeeld dat hij vanaf 2 januari 2001 in het belang van de dienst zal tewerkgesteld worden in de sectie Klimatologie. Dit is de tweede bestreden beslissing. 1.
  16. Met een nota van 22 januari 2001 deelt de manager MET Brussel- Nationaal aan verzoeker “de te volgen procedures” bij zijn nieuwe werkzaamheden mede. 1.
  17. Met een brief van 8 februari 2001 vraagt verzoeker te worden overgeplaatst naar de dienst MET-INF, daar hij “terugblikkend op de laatste 14 dagen (heeft) moeten vaststellen, dat de dienst Klimatologie ondanks alles (hem) niet veel bijbrengt”. 1.
  18. Op 1 maart 2001 vraagt verzoeker nogmaals om naar Oostende te worden overgeplaatst. Hij vraagt waarom hij nog steeds geen antwoord heeft gekregen op zijn vorige mutatieaanvragen. 1.
  19. Op 8 december 2001 dient verzoeker nogmaals een aanvraag in om naar Oostende te worden overgeplaatst. Deze aanvraag blijft eveneens zonder gevolg. IX-3207-5/10
  20. Over de ontvankelijkheid. 2.
  21. Overwegende dat luidens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verjaringstermijn voor een vernietigingsberoep bij de Raad van State alleen een aanvang neemt op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de akte of van de beslissing met individuele strekking het bestaan van die beroepen alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt; dat verzoeker terecht stelt dat de beroepstermijn geen aanvang heeft genomen, aangezien bij de betekening van de bestreden beslissingen geen melding werd gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State; dat het vernietigingsberoep derhalve ontvankelijk is; 2.2.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat de bestreden beslissingen maatregelen van inwendige orde zijn die niet voor beroep vatbaar zijn; dat de overplaatsing immers werd opgelegd in het belang van de dienst, zonder dat aan verzoeker schade werd toegebracht; dat hij de hoedanigheid van hulpmeteoroloog bleef behouden met alle rechten op verhoging in weddeschaal en in graad en dat hij na de eerste bestreden beslissing zelfs bevorderd werd tot eerste hulpmeteoroloog; dat de betwiste maatregelen noch het administratief noch het geldelijk statuut van verzoeker beïnvloed hebben en hem niet verhinderen zijn loopbaan verder uit te bouwen; 2.2.
  23. Overwegende dat verzoeker daarop antwoordt dat de bestreden beslissingen een verdoken tuchtsanctie inhouden en dat het beroep tegen een maatregel van inwendige orde die in beginsel niet voor beroep bij de Raad van State vatbaar zou zijn, toch ontvankelijk is wanneer de verzoeker tracht te bewijzen dat die maatregel in werkelijkheid een verkapte tuchtsanctie is; 2.2.
  24. Overwegende dat de overplaatsing van een ambtenaar, zelfs in het belang van de dienst, een voor vernietiging vatbaar akte is, indien deze een weerslag heeft op de wijze waarop de betrokken ambtenaar zijn functie moet uitoefenen; dat de overplaatsing van verzoeker van Oostende naar Brussel tot gevolg heeft dat IX-3207-6/10 verzoeker genoodzaakt wordt tot een langere verplaatsing naar en van het werk; dat een dergelijke overplaatsing, afgezien van de vraag of het al dan niet om een verdoken tuchtsanctie zou gaan, een voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling is; dat de exceptie wordt verworpen;
  25. Over de gegrondheid. 3.
  26. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissingen werden genomen door een onbevoegd orgaan; dat hij betoogt dat luidens artikel 96 van het koninklijk besluit van 29 november 1991 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de Regie der Luchtwegen, de beslissing tot overplaatsing ofwel door de minister ofwel door de leidend ambtenaar moet worden genomen; dat sinds de omvorming van de Regie der Luchtwegen tot Belgocontrol, de functie van leidend ambtenaar uitgeoefend wordt door de gedelegeerd bestuurder; dat deze derhalve de bestreden beslissingen had moeten nemen; 3.
  27. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de tussenkomst van de hoofdmeteoroloog-directeur enkel de mededeling van de beslissing tot overplaatsing van verzoeker betrof, maar de eigenlijke beslissing tot overplaatsing genomen werd door de directeur-generaal bevoegd voor het personeelsbeheer, die sinds de omvorming van de Regie der Luchtwegen in Belgocontrol inzake personeelsbeleid bevoegd is om de functie van leidend ambtenaar te vervullen; dat de tweede bestreden beslissing de overplaatsing betreft van verzoeker van de sectie voorspellingsbureau naar de sectie klimatologie; dat deze beslissing geen overplaatsing is in de zin van artikel 96 van het koninklijk besluit van 29 november 1991, aangezien deze geen wijziging brengt wat betreft de afdeling waaraan verzoeker werd toegewezen; dat deze beslissing moet genomen worden door de leidend ambtenaar van de afdeling MET, die beslist over de organisatie en goede werking van de diensten; IX-3207-7/10 3.
  28. Overwegende dat verzoeker hierop repliceert dat, ook als de eerste bestreden beslissing genomen werd door de directeur-generaal van het personeelsbe- heer, de beslissing genomen werd door een onbevoegd orgaan, omdat sinds de omvorming van de Regie der Luchtwegen tot Belgocontrol de beslissing tot overplaatsing enkel door de gedelegeerd bestuurder mocht worden genomen; dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, verzoeker van oordeel is dat de overplaatsing van de sectie voorspellingsbureau naar de sectie klimatologie een overplaatsing is in de zin van artikel 96 van het koninklijk besluit van 29 november 1991, omdat zijn overplaatsing van Oostende naar Zaventem onregelmatig was en de overplaatsing naar de sectie klimatologie in vergelijking met de afdeling waar hij oorspronkelijk werkte een overplaatsing was in de zin van artikel 96 van het koninklijk besluit van 29 november 1991; dat de tweede bestreden beslissing derhalve eveneens door de gedelegeerd bestuurder moest worden genomen; 3.
  29. Overwegende dat krachtens artikel 32 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, de wettelijke en reglementaire bepalingen die het personeelsstatuut regelen van toepassing blijven op een autonoom overheidsbedrijf tot op de datum waarop het overeenkomstig de bepalingen van de genoemde wet opgesteld eigen personeelssta- tuut in werking treedt; dat bij ontstentenis van een eigen personeelsstatuut voor Belgocontrol het koninklijk besluit van 29 november 1991 tot vaststelling van het statuut van de ambtenaren van de Regie der Luchtwegen, nog steeds van toepassing is; dat artikel 96 van dit besluit luidt als volgt: “Art.
  30. De overplaatsing is de aanwijzing van een ambtenaar voor een andere afdeling en/of andere standplaats van de Regie. Tot overplaatsing wordt besloten door de minister die deze bevoegdheid kan overdragen aan de leidend ambtenaar.”; dat het door verzoeker aangevoerde middel de vraag aan de orde stelt welk bestuursorgaan binnen Belgocontrol bevoegd is om tot een overplaatsing als bedoeld in het voornoemd artikel 96 van het koninklijk besluit van 29 november 1991 te beslissen; dat naar luid van artikel 17 van de voornoemde wet van 21 maart 1991 de IX-3207-8/10 raad van bestuur bevoegd is om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van het overheidsbedrijf, en de raad van bestuur zijn bevoegdheden geheel of gedeeltelijk kan opdragen aan het directiecomité met uitzondering van die bevoegdheden die door andere bepalingen van de wet uitdrukkelijk aan de raad van bestuur zijn toegewezen; dat krachtens artikel 19, derde lid, van dezelfde wet het directiecomité zekere van zijn bevoegdheden kan opdragen aan één van zijn leden of aan leden van het personeel, en het eveneens subdelegaties kan toestaan; dat aldus uit de voormelde bepalingen volgt dat de raad van bestuur in principe bevoegd is om tot overplaatsing van een ambtenaar naar een andere afdeling te beslissen, dat deze zijn bevoegdheid aan het directiecomité kan opdragen en dat het directiecomité die bevoegdheid kan delegeren aan één van zijn leden of aan de leden van het personeel; dat de verwerende partij niet aantoont dat ten tijde van de bestreden beslissingen de bevoegdheid om over de overplaatsing van ambtenaren te beslissen door de raad van bestuur aan het directiecomité was overgedragen en het directiecomité die bevoegdheid vervolgens aan de directeur-generaal bevoegd voor het personeelsbeheer heeft gedelegeerd; dat er derhalve niet is aangetoond dat de directeur-generaal bevoegd voor het personeelsbeheer gemachtigd was om tot de overplaatsing van verzoeker van Oostende naar Zaventem te beslissen; dat bijgevolg evenmin wettig kon worden beslist om verzoeker vanaf 2 januari 2001 in de sectie klimatologie te werk te stellen; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  31. Vernietigd worden de beslissing van 4 november 1998 van de hoofdmeteoroloog-directeur om Johan VERCARRE in het belang van de dienst vanaf 1 december 1998 tijdelijk over te plaatsen naar de dienst meteo van EBBR voor een voorlopige periode van ongeveer 8 maanden en de beslissing van 15 december 2000 van de manager MET Brussel-Nationaal om Johan VERCARRE vanaf 2 januari 2001 in het belang van de dienst tewerk te stellen in de sectie klimatologie. IX-3207-9/10 Artikel
  32. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3207-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.882 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.