← België

Arrest 152890 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.890 Rolnummer: A. 153160/VII-34726 Zaak: Arrest 152890 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:50 Fiche Arrest nr 152.890 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.890 van 20 december 2005 in de zaak A. 153.160/VII-34.726 In zake : 1.XXX,

  1. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen: de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beiden van Slowaakse nationaliteit, op 25 juni 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 mei 2004 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 13 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-34.726-1/12 Gelet op de beschikking van 13 oktober 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 22 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET, die, loco Advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. De verzoekende partijen kwamen België voor de eerste maal binnen op 28 oktober 2002 en verklaarden zich voor de eerste maal vluchteling op 29 oktober
  4. 1.
  5. Alvorens er door de Belgische asielinstanties een beslissing werd genomen, keerden de verzoekende partijen terug naar Slowakije en werd de eerste asielaanvraag stopgezet. 1.
  6. De verzoekende partijen kwamen België voor de tweede maal binnen op 30 maart 2004 en verklaarden zich voor de tweede maal vluchteling op 6 april
  7. 1.
  8. Op 21 april 2004 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  9. Op 27 mei 2004 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen als volgt: Voor de eerste verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op het Commissariaat-generaal in het kader van uw dringend beroep op 17 mei 2004 in het bijzijn van een tolk die de Slovaakse taal machtig is en in het bijzijn van uw advocate Mr. Mommerency (in loco Mr. Jespers). VII-34.726-2/12 U, een Slovaaks staatsburger van Roma-origine, verklaart uw land verlaten te hebben omwille van problemen vanwege uw etnie. Rond 2002 diende u samen met uw gezin een asielaanvraag in bij de Duitse autoriteiten. U heeft deze asielaanvraag stopgezet omdat uw schoonmoeder ziek werd. Jullie keerden terug naar Slovakije. Tijdens uw verblijf in Slovakije werd uw zoon H. V. aangevallen door skinheads. Hij werd met een mes in zijn hoofd gestoken en moest gehospitaliseerd worden. Er werd een klacht ingediend maar u heeft er verder niets over gehoord. In oktober 2002 verliet u opnieuw Slovakije en diende u samen met uw echtgenote H. J. en uw zoon Husar Vojtech een eerste asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten op 29 oktober
  10. Jullie zetten deze asielaanvraag echter stop omdat jullie wilden terugkeren aangezien skinheads uw dochter H. S. . in Slovakije hadden aangevallen. Na jullie terugkeer naar Slovakije kende uw gezin echter nog diverse problemen omwille van jullie origine. Zo werden de kinderen gediscrimineerd op school door de leerkrachten. Een gesprek met de directie leverde niets op. Verder kende uw gezin ook problemen met skinheads. Skinheads vielen uw kinderen aan op weg van en naar de school. De burgemeester en de sociale dienst ondernamen hiertegen niets. In 2003 werd uw zoon Vojtech geslagen door skinheads toen hij af de bus stapte. In 2003, enkele maanden na uw terugkeer naar Slovakije werd u aangevallen door skinheads. U werd ernstig geslagen en u moest gehospitaliseerd worden. U diende officieel klacht in maar dit had geen resultaat. Naast deze onveilige situatie gecreëerd door de skinheads had u ook problemen met de politiediensten en het leger. In februari 2004 immers werden de sociale uitkeringen verminderd. Naar aanleiding van deze sociale hervorming kwamen de Roma's op straat om te staken, zo ook in uw stad, Kosice. U heeft drie keer deelgenomen aan deze stakingen. De regering zette zware middelen in tegen deze stakingen en tijdens deze betogingen werd u altijd gestampt door politiemensen, het leger en gemaskerde mannen. U werd echter nooit opgepakt omdat u telkens tijdig ging lopen. Na de stakingen was u bang om buiten te komen omdat er nog altijd dreiging was van de politie, het leger en de gemaskerde mannen. Rond 13 of 14 maart 2004 ging uw zoon Jaroslav naar de winkel. De eigenaar van de winkel liet echter zijn hond op Jaroslav los en uw zoon werd gebeten. Uw vrouw verzorgde de wonde en verder ondernamen jullie niets omdat jullie bang waren. Later ging u samen met uw vrouw winkelen. De politie bewaakte de winkel en men duwde u met een geweer op de grond. Jullie mochten slechts onder begeleiding jullie inkopen doen. Rond 21 maart 2004 werd uw zoon V. meegenomen door de politie van Kosice. Hij werd enkele uren vastgehouden en tijdens die arrestatie werd hij geslagen. Omdat u vond dat jullie geen leven meer hadden in Slovakije besloot u het land te verlaten. Op 29 maart 2004 verliet u Slovakije samen met uw echtgenote, vier minderjarige kinderen (H. J., H.r S., H.r R. en H. R.), twee meerderjarige kinderen (H. V. en H. S.) en de kinderen van uw dochter S.. Een kennis bracht u naar België waar u aankwam op 30 maart
  11. Op 6 april 2004 diende u een tweede asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten samen met uw echtgenote. Ook uw twee meerderjarige kinderen vroegen asiel aan. U bent in het bezit van volgende documenten: uw paspoort; de paspoorten van uw echtgenote, van J. en van R.; uw huwelijksakte; de geboorteaktes van S., J., S., R., R., S. en Stanislav; een voogdijdocument; en een document van de sociale dienst. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat er diverse tegenstrijdigheden zijn tussen uw opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal) en tussen uw verklaringen en die van uw familieleden (echtgenote Husarova Julie zoon H. V. en dochter H. S. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u enkele maanden na uw terugkeer van uw eerste asielaanvraag in België, i.e. dus in 2003, aangevallen werd door een 20-tal skinheads waardoor u 3 weken gehospitaliseerd werd (CGVS, p.8-9). Uw echtgenote echter verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat u meerdere keren werd aangevallen door skinheads maar dat u na deze aanvallen nooit in het ziekenhuis werd behandeld (CGVS echtgenote, p.9-10). Bovendien moet worden opgemerkt dat u deze aanval niet gemeld hebt voor de Dienst Vreemdelingenzaken waar tevens uitdrukkelijk vermeld staat dat u geen aanslag hebt meegemaakt op uw lichamelijke integriteit (DVZ, nr.41 & 44). Uw verklaring voor het Commissariaat- generaal dat u het vergeten vertellen was is niet afdoende (CGVS, p.11). VII-34.726-3/12 Verder maakte u voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding van de aanval op uw dochter Silvia door skinheads, u maakte enkel melding van bedreigingen en discriminatie bij andere familieleden, niet van een aanslag op de lichamelijke integriteit (DVZ, nr.41 & 46). Voor het Commissariaat-generaal stelde u dat u de eerste asielaanvraag in België moest stopzetten omdat uw dochter in Slovakije aangevallen was door skinheads en dat ze hiervoor gehospitaliseerd moest worden (CGVS, p.3,12). Het is opmerkelijk dat ook uw echtgenote, uw zoon Vojtech en uw dochter Silvia zelf geen enkele melding hebben gemaakt voor de Dienst Vreemdelingenzaken over deze aanval (DVZ echtgenote, nr.41 & 46; DVZ zoon Vojtech, nr.41 & 46; DVZ dochter Silvia, nr.41 & 44). Ook lopen de verklaringen voor het Commissariaat-generaal over de hospitalisatie na deze aanval uiteen. Zo verklaarde u dat uw dochter al ontslagen was uit het ziekenhuis toen jullie terugkeerden naar Slovakije (CGVS, p.12). Uw echtgenote daarentegen stelde dat uw dochter nog in het ziekenhuis lag bij jullie terugkeer (CGVS echtgenote, p.3). Ook maakte u voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding van de aanvallen op uw zoon Husar Vojtech (DVZ, nr.41 & 46). Zo blijkt uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal dat uw zoon Vojtech in 2003 werd aangevallen door skinheads toen hij van de bus stapte (CGVS, p.14) en dat hij rond 21 maart 2003 werd aangehouden en geslagen door de politie van Kosice (CGVS, p.22-25). Opnieuw is het opmerkelijk dat ook uw echtgenote, uw dochter S. en uw zoon Vojtech zelf hiervan geen enkele melding hebben gemaakt voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ echtgenote, nr.41 & 46; DVZ dochter Silivia, nr.41 & 46; DVZ zoon Vojtech, nr.41 & 44). Bovendien lopen de verklaringen over de aanval op uw zoon Vojtech door skinheads uiteen. Zo stelde u dat uw zoon Vojtech nog in 2003 werd geslagen door skinheads toen hij van de bus stapte (CGVS, p.13-14). Uw echtgenote echter stelde voor het Commissariaat-generaal dat Vojtech na de terugkeer uit België na de eerste asielaanvraag niet meer aangevallen werd door skinheads (CGVS echtgenote, p.10-11). Ook uw zoon Vojtech maakte geen melding van dit incident voor het Commissariaat- generaal (CGVS zoon Vojtech, p.13). Verder stelde u voor het Commissariaat-generaal dat uw zonen Robert, Stanislav en Jaroslav op weg van en naar de school werden aangevallen door skinheads en dat ze geslagen werden (CGVS, p.11). Uw echtgenote daarentegen vermeldde enkel dat Jaroslav en Vojtech aangevallen werden door skinheads en dat er van de andere kinderen niemand aangevallen werd omdat ze begeleid werden naar school en terugkeerden in groep (CGVS echtgenote, p.11). Ook komen de verklaringen over het incident waarbij Jaroslav werd gebeten niet overeen. Zo verklaarde u dat u noch uw vrouw in verband met dit incident getelefoneerd hebben, dat uw vrouw de wonde heeft verzorgd en dat jullie -omdat jullie bang waren- verder niets gedaan hebben (CGVS, p.23). Uw echtgenote echter stelde voor het Commissariaat-generaal dat zij de politie heeft gebeld en dat u samen met de politie naar de eigenaar van de winkel bent gegaan (CGVS echtgenote, p.16). Verder maakten u noch uw echtgenote melding van specifieke medische hulp aangezien jullie te bang waren (CGVS, p.23; CGVS echtgenote, p.16). Uw zoon Vojtech daarentegen verklaarde dat uw echtgenote een ambulance belde en dat de ambulanciers uw zoon Jaroslav thuis verzorgd hebben (CGVS zoon Vojtech, p.9-10). Verder leggen u en uw echtgenote verschillende verklaringen af over de chronologie van de incidenten. Zo blijkt uit uw verklaringen voor het Commissariaat- generaal dat uw zoon Jaroslav gebeten werd rond 13 of 14 maart 2004 en dat uw zoon Vojtech opgepakt werd door de politie rond 21 of 23 maart 2004 (CGVS, p.22-25). Uw echtgenote echter gaf het Commissariaat-generaal een andere chronologie van deze feiten: uw zoon Vojtech zou opgepakt zijn rond 13 of 14 maart en het incident waarbij uw zoon Jaroslav door een hond gebeten was zou het laatste incident voor jullie vertrek zijn op 29 maart 2003 (CGVS echtgenote, p.12-15). Ook stelde uw echtgenote voor het Commissariaat-generaal dat zij na de stakingen niet meer met u ging winkelen maar dat u wel bent gaan winkelen met iemand anders (CGVS echtgenote, p.14-15). U echter maakte voor het Commissariaat-generaal melding van een incident toen u ging winkelen met uw echtgenote na de stakingen: u verklaarde immers dat u toen een geweer tegen uw lichaam kreeg en dat u op de grond viel (CGVS, p.23-24). VII-34.726-4/12 Verder stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw zoon Jaroslav geslagen werd door politieagenten (DVZ, nr.42). Toen u op het Commissariaat-generaal gevraagd werd wie van uw kinderen ooit geslagen werd door agenten maakte u enkel melding van uw zoon Vojtech (CGVS, p.23). Voorts moet worden opgemerkt dat u verklaarde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u niet had deelgenomen aan de stakingen omdat u dat niet durfde aangezien u bang was (DVZ, nr.42). Voor het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat u wel had deelgenomen aan de stakingen (CGVS, p.2). Uw verklaring over deze tegenstrijdigheid, nl. dat u bang was om het te vertellen en dat u de Belgische politie niet vertrouwde, is niet afdoende (CGVS, p.2 & 17). Verder stelde u voor het Commissariaat-generaal dat u ook ooit asiel hebt aangevraagd in Duitsland, dit voor uw eerste asielaanvraag in België in oktober 2002 (CGVS, p.3-4). Voor de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u enkel melding van uw asielaanvraag in België (DVZ, nr.16). U verklaarde dat u deze asielaanvraag in Duitsland niet gemeld had omdat u bang was dat ze u zouden terugsturen (CGVS, p.4). Ook uw echtgenote en uw zoon Vojtech maakten voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding van een eerdere asielaanvraag in Duitsland (DVZ echtgenote, nr.16; DVZ zoon Vojtech; nr.16). Tenslotte moet worden vastgesteld dat ook over de reisroute de verklaringen van u en uw echtgenote uiteenlopen. Zo verklaarde u dat jullie met een blauwe of zwarte auto naar België kwamen (CGVS, p.7). Uw echtgenote daarentegen stelde dat jullie met een melkachtig witte auto naar België kwamen (CGVS echtgenote, p.6-7). Bovenstaande tegenstrijdigheden ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Bijkomend moet worden opgemerkt dat uw verklaringen waarom u bepaalde zaken niet vermeld hebt voor de Dienst Vreemdelingenzaken, nl. omdat u de procedure en stand van zaken niet kende en omdat u sommige dingen niet gezegd hebt omdat de tolk ook haar job moest doen (CGVS, p.1-2), niet afdoende zijn aangezien men van u mag verwachten dat u tijdens de asielprocedure zwaarwichtige feiten (zoals aanvallen op u en uw familieleden) zou vermelden. In het kader van de asielaanvragen van uw echtgenote H3 J3, uw zoon Husar V. en uw dochter H. S. werden tevens bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf genomen. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (paspoorten, geboorteaktes, huwelijksakte, het voogdijdocument en het attest van de sociale dienst) hebben enkel betrekking op uw persoonsgegevens en uw sociale uitkering en kunnen bovenstaande conclusies niet wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.”. Voor de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U werd gehoord op het Commissariaat-generaal in het kader van uw dringend beroep op 17 mei 2004 in het bijzijn van een tolk die de Slovaakse taal machtig is en in het bijzijn van uw advocate Mr. Mommerency (in loco Mr. Jespers). U, een Slovaaks staatsburger van Roma-origine, verklaart uw land verlaten te hebben omwille van problemen vanwege uw etnie. In 2001 diende u samen met uw gezin een asielaanvraag in bij de Duitse autoriteiten. U heeft deze asielaanvraag stopgezet omdat uw moeder ziek was. Jullie keerden terug naar Slovakije. Tijdens uw verblijf in Slovakije werd uw zoon H. V. aangevallen door skinheads. Hij werd met een mes in zijn hoofd gestoken en moest gehospitaliseerd worden. In oktober 2002 VII-34.726-5/12 verliet u opnieuw Slovakije en diende u samen met uw echtgenoot H. V. en uw zoon H. V. een eerste asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten op 29 oktober
  12. Jullie zetten deze asielaanvraag echter stop omdat jullie wilden terugkeren aangezien skinheads uw dochter H. S. in Slovakije hadden aangevallen. In 2003 waren jullie terug in Slovakije. Na jullie terugkeer kende uw gezin echter nog diverse problemen omwille van jullie origine. Zo werden de kinderen gediscrimineerd op school door de leerkrachten. Een gesprek met de directie leverde niets op. Uw zoon Jaroslav werd in 2003 zelfs geschorst door zijn school. Verder kende uw gezin ook problemen met skinheads. Deze skinheads provoceerden en bedreigden uw gezin regelmatig. In de zomer van 2003 werd uw man door skinheads aangevallen en geslagen. Hij werd behandeld door een dokter maar deze aanval werd niet aangegeven omdat het geen zin had. Uw echtgenoot kende regelmatig problemen met skinheads. Ook uw zoon Jaroslav werd geslagen door skinheads. U werd verder met een ernstig probleem geconfronteerd toen in februari of maart 2004 de sociale uitkeringen verlaagd werden. U had zoals vele Roma’s geen kans om werk te vinden vanwege uw origine. Uw gezin overleefde op een sociale uitkering. Toen deze werd verlaagd werd het bijna onmogelijk voor uw gezin om te overleven. Naar aanleiding van deze sociale hervorming kwamen de Roma's op straat om te staken, zo ook in uw stad, Kosice. De politie en het leger reageerden met zware middelen op deze stakingen en ze kregen hulp van vrijwilligers, de skinheads. U nam niet deel aan deze stakingen. Na de stakingen was de situatie nog altijd gespannen. Het leger bleef alles controleren. Rond 13 of 14 maart 2004 werd uw zoon Vojtech meegenomen door de politie van Kosice. Hij werd enkele uren vastgehouden en hij werd onder druk verhoord. De politie wou hem misdaden doen bekennen waarmee hij niets te maken had. Later in maart 2004 ging uw zoon Jaroslav naar de winkel. De eigenaar van de winkel liet echter zijn hond op Jaroslav los en uw zoon werd gebeten. U belde de politie. Uw man ging samen met de politie naar de eigenaar van de winkel maar de politie zei dat Jaroslav de hond had uitgelokt en dat het zijn schuld was. Dit was het laatste incident voor uw vertrek. Op 29 maart 2004 verliet u Slovakije samen met uw echtgenoot, vier minderjarige kinderen (Husar Jaroslav, Husar Stanislav, Husar Robert en Husarova Rachel), twee meerderjarige kinderen (Husar Vojtech en Husarova Silvia) en de drie kinderen van Silvia. U kwam aan in België op 30 maart
  13. Op 6 april 2004 diende u een tweede asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten samen met uw echtgenoot. Ook uw twee meerderjarige kinderen vroegen asiel aan. U bent in het bezit van uw paspoort, de paspoorten van uw echtgenoot en van Jaroslav en Rachel, uw huwelijksakte, de geboorteaktes van S., S., J., R., R., S. en S., een voogdijdocument en een attest van de sociale dienst. B. Motivering Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt dat u uw asielaanvraag baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door uw echtgenoot H.. V. in diens asielaanvraag. Bij een vergelijking tussen uw opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal) en bij een vergelijking tussen uw verklaringen en die van uw familieleden (man H. V., zoon H. V. en dochter H S. werden diverse ernstige tegenstrijdigheden vastgesteld die de geloofwaardigheid van jullie asielrelazen ondermijnen. Deze tegenstrijdigheden werden uitgebreid en gedetailleerd opgesomd in de beslissing van uw echtgenoot. Aangezien in verband met de asielaanvraag van uw echtgenoot een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van uw asielaanvraag evenmin een positief antwoord weerhouden worden. In het kader van de asielaanvragen van uw zoon H. V. en uw dochter H S werden tevens bevestigende beslissingen tot weigering van verblijf genomen. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (Slovaakse paspoorten, huwelijksakte, geboorteaktes, voogdijdocument en een attest van de sociale dienst) kunnen bovenstaande conclusies niet in een ander daglicht stellen. Bovendien hebben deze documenten enkel betrekking op ofwel persoonsgegevens ofwel de sociale uitkering, feiten die niet betwist worden in deze beslissing. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. VII-34.726-6/12 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.”. Dit zijn de bestreden beslissingen; 2.1.
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen een eerste middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Eerste middel: Schending van de motiveringsverplichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. De bestreden beslissing steunt op beweerde tegenspraken en ongeloofwaardigheden in het verhaal van verzoeker. De bestreden beslissingen motiveren niet afdoende. Eerste verzoeker stelt dat de tegenstrijdigheden het gevolg zijn van een verkeerde interpretatie van de tolk. Verder wist verzoeker niet in welke mate hij verklaringen aan de Dienst Vreemdelingenzaken diende af te leggen. Hij meende dat hij zijn verklaringen diende te beperken tot de essentie van zijn vrees. Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen faalt in de motivering wanneer gesteld wordt dat deze elementen niet afdoende zijn om de tegenstrijdigheden te verklaren. Enkel wordt gesteld dat de deze verklaring niet afdoende zou zijn. Op geen enkel moment wordt hieromtrent gemotiveerd. Dit gebrek in de motiveringsplicht is dan ook een schending van art.3 van de wet van 9 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.”; 2.1.
  15. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, doch dat zij betwisten dat de opgegeven motieven de beslissingen kunnen dragen; dat het nagaan of de motieven pertinent zijn, de materiële motiveringsplicht betreft; dat er vooreerst op dient te worden gewezen dat de Commissaris-generaal, op basis van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), kan besluiten tot de bedrieglijkheid van een asielaanvraag door vast te stellen dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling door tegenstrijdigheden aangetast zijn, zoals in casu het geval is; Overwegende dat daarnaast uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als voor het Commissariaat-generaal bijgestaan werden door een tolk die de Slowaakse taal machtig is, zulks in overeenstemming met hetgeen zij hadden gevraagd; dat verder uit diezelfde stukken blijkt dat de verzoekende partijen voor de beide asielinstanties uitdrukkelijk verklaarden de tolk goed te begrijpen; dat de verzoekende partijen overigens niet in concreto uiteenzetten welke elementen op verkeerde wijze door de tolk geïnterpreteerd zouden zijn; dat hun kritiek hieromtrent dan ook niet kan worden aangenomen; VII-34.726-7/12 Overwegende dat de verzoekende partijen evenmin kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat zij meenden hun verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken te moeten beperken tot de essentie; dat uit de stukken van het administratief dossier immers blijkt dat de verzoekende partijen er, alvorens het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken werd afgenomen, door de behandelende jurist uitdrukkelijk op werden gewezen dat zij hun zaak “op een zo volledig mogelijke wijze (dienden) uiteen (te zetten) en dit met alle bewijselementen waarover (...) zij beschikt(en)”; dat de verzoekende partijen eveneens uitdrukkelijk werden gewezen op de risico’s die aan de niet-naleving van deze verplichting verbonden zijn; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de verzoekende partijen zich hiermee uitdrukkelijk akkoord verklaarden; dat binnen het kader van de asielprocedure de kandidaat-vluchtelingen ook een verantwoordelijkheid dragen, in die zin dat van hen verwacht wordt dat zij zo duidelijk en volledig mogelijk hun asielmotieven weergeven, zeker wat de feiten betreft die de kern van hun asielrelaas raken; dat op grond van de door hen gegeven inlichtingen de asielinstanties immers tot een redelijke beoordeling van de asielaanvragen dienen te komen; dat het feit dat de verzoekende partijen tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd niet kan worden verweten aan de verwerende partij; Overwegende dat, gelet op deze vaststellingen en overwegingen, alsmede op de talrijk vastgestelde, flagrante tegenstrijdigheden die in de bestreden beslissing van eerste verzoeker uitvoerig en op gedetailleerde wijze worden weergegeven, het niet kennelijk onredelijk is van de Commissaris-generaal om tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen te besluiten; dat een schending van de materiële motiveringsplicht niet kan worden aangenomen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  16. Overwegende dat de verzoekende partijen een tweede middel als volgt uiteenzetten: “Tweede middel: Schending van art.17 van het Koninklijk Besluit van 11.07.2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Schending van de motiveringsverplichting van artikel 62 vreemdelingenwet. Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Artikel 17 van het K.B. luidt als volgt: §
  17. De notities van het gehoor zijn een trouwe weergave van de aan de asielzoeker gestelde vragen evenals van zijn verklaringen. §
  18. Indien de ambtenaar tijdens het gehoor vaststelt dat de asielzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd in vergelijking met de verklaringen door hem gedaan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dient hij in principe de asielzoeker hierop in de loop van het gehoor te wijzen en zijn reactie daarop te noteren. §
  19. De asielzoeker, zijn advocaat of de vertrouwenspersoon kunnen per aangetekende brief aanvullende opmerkingen of aanvullende stukken naar de Commissaris-generaal sturen. Deze opmerkingen en stukken zullen bij het individueel dossier van de asielzoeker worden gevoegd. De ambtenaar zal rekening houden met de opmerkingen en de stukken die hem tijdig zullen zijn overhandigd. VII-34.726-8/12 Verzoeker stelt dat hij niet werd geconfronteerd met de beweerde tegenstrijdigheden die onthuld werden door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen. Verzoeker meent dat art. 17 van het voormeld K.B. geschonden is. Verzoeker meent verder dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende motiveert daar ze geen enkele motivering bevat omtrent art. 17 van voormeld K.B.”; 2.2.
  20. Overwegende dat artikel 17, § 2, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bepaalt dat “(i)ndien de ambtenaar tijdens het gehoor vaststelt dat de asielzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd in vergelijking met de verklaringen door hem gedaan bij de Dienst Vreemdelingenzaken, hij in principe de asielzoeker hierop in de loop van het gehoor (dient) te wijzen en zijn reactie daarop te noteren”; Overwegende dat uit de bewoordingen van dit artikel blijkt dat het geenszins om een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste gaat; dat het daarnaast evenmin om een substantiële vormvereiste blijkt te gaan; dat zulks niet alleen kan worden afgeleid uit de in het artikel gehanteerde woorden “in principe”, doch ook uit het Verslag aan de Koning, voorafgaand aan dit koninklijk besluit; dat, meer bepaald, de Minister van Binnenlandse Zaken in dit Verslag aan de Koning het volgende stelt: “Volgens artikel 17, § 2, moet de ambtenaar de asielzoeker confronteren met eventuele tegenstrijdigheden tussen enerzijds de tijdens het gehoor afgelegde verklaringen en anderzijds de op de Dienst Vreemdelingenzaken of in zijn dringend beroep af(ge)legde verklaringen. Die confrontatie biedt de asielzoeker de mogelijkheid te reageren op de vaststelling van eventuele tegenstrijdigheden en biedt de ambtenaar de mogelijkheid gemakkelijker na te gaan of het werkelijk om een relevante en zwaarwichtige tegenstrijdigheid gaat. (...) Dit artikel heeft (...) niet tot gevolg dat een eventuele beslissing niet langer gebaseerd kan zijn op elementen of tegenstrijdigheden waarmee de asielzoeker niet geconfronteerd werd. Het Commissariaat-generaal is een administratieve instantie, geen jurisdictie, en is om die reden niet verplicht de betrokken persoon te confronteren met de elementen waarop een eventuele beslissing gebaseerd is.”; Overwegende dat de bedoeling van de wetgever aldus tweeledig blijkt te zijn; dat men met name enerzijds de asielzoeker de mogelijkheid wil geven te reageren op de vaststelling van eventuele tegenstrijdigheden en anderzijds biedt dit artikel de ambtenaar de mogelijkheid gemakkelijker na te gaan of het werkelijk om een relevante en zwaarwichtige tegenstrijdigheid gaat; dat, wat de eerste bedoeling betreft, opgemerkt dient te worden dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift alsnog de kans hebben gekregen om te reageren op de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden, hetgeen zij overigens ook hebben gedaan in hun eerste middel; dat uit de bespreking van dit eerste middel echter blijkt dat de uitleg van de verzoekende partijen VII-34.726-9/12 niet kan worden aangenomen; dat, wat de tweede bedoeling betreft, opgemerkt dient te worden dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de tegenstrijdigheden zo talrijk en zo flagrant zijn dat het de ambtenaar blijkbaar niet nodig leek de zwaarwichtigheid van de tegenstrijdigheden door middel van een confrontatie verder te overwegen; Overwegende dat, bovendien, de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn Verslag aan de Koning verder nog uitdrukkelijk het volgende stelt: “Dit artikel legt de ambtenaar in principe de verplichting op om de asielzoeker te confronteren met eventuele tegenstrijdigheden die zich tijdens het gehoor zouden voordoen en niet met die welke later zouden kunnen opduiken.”; dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de tegenstrijdigheden grotendeels voortvloeien uit een vergelijking van de verklaringen van eerste verzoeker met de verklaringen afgelegd door zijn echtgenote, én uit een vergelijking van de verklaringen van de verzoekende partijen met de verklaringen afgelegd door hun zoon en dochter; dat het hier bijgevolg per definitie gaat om tegenstrijdigheden die pas later door de juristen van het Commissariaat-generaal kunnen zijn vastgesteld, zodat ze de verzoekende partijen hier sowieso niet mee konden confronteren tijdens hun verhoor; Overwegende dat, gelet op deze overwegingen én op het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken in zijn Verslag aan de Koning uitdrukkelijk stelt dat artikel 17 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 “niet tot gevolg (heeft) dat een eventuele beslissing niet langer gebaseerd kan zijn op elementen of tegenstrijdigheden waarmee de asielzoeker niet geconfronteerd werd”, besloten dient te worden dat de kritiek van de verzoekende partijen niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  21. Overwegende dat de verzoekende partijen een derde middel aanvoeren dat luidt als volgt: “Derde Middel: Schending van artikel 52 par. 1, 2b van de Wet van 15.12.1980 en art 1 A 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen ondertekend te Genève op 28 juli
  22. De bestreden beslissing focust op beweerde tegenspraken en voert geen onderzoek naar de criteria van vluchteling zoals gesteld in artikel 1 van de Conventie van Genève. De definitie van art. 1 van de Conventie van Genève stelt dat er sprake moet zijn van een gegronde vrees tot vervolging. Uit het bovenstaande blijkt dan ook dat het Commissariaat Generaal geen onderzoek heeft verricht naar de criteria van vluchteling zoals gesteld in artikel 1 van de Conventie van Genève.”; 2.3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partijen uit het oog verliezen dat artikel 1, A,

(2), van de Conventie van Genève er enkel toe noopt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingenstatuut dienen te verlenen; dat de verdragsstaten in hun nationale wetgeving een procedure dienen uit te werken, rekening houdend met de in de Conventie opgelegde criteria; dat, wat België betreft, artikel 52 van VII-34.726-10/12 de Vreemdelingenwet bepaalt onder welke voorwaarden een asielzoeker het verblijf kan worden geweigerd en deze kan worden teruggeleid naar zijn land van herkomst; dat uit de bespreking van het eerste middel afdoende blijkt dat de Commissaris-generaal in alle redelijkheid, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, tot de bedrieglijkheid van de asielaanvragen van de verzoekende partijen heeft besloten; dat de verzoekende partijen een schending van dit artikel dan ook niet aannemelijk maken; dat het derde middel niet gegrond is;
  1. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. VII-34.726-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-34.726-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.890 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.