← België

Arrest 152935 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.935 Rolnummer: A. 118998/XIV-9334 Zaak: Arrest 152935 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-03 06:54 Fiche Arrest nr 152.935 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.935 van 20 december 2005 in de zaak A. 118.998/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat C. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 januari 1969 en XXX, geboren op 20 juli 1977, beiden van Albanese nationaliteit, op 30 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 maart 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 8 april 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 4 november 2004, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 9 november 2004; XIV-9334-1/8 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CUTSEM die, loco Advocaat C. DIERICKX, verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partijen komen België binnen op 4 juni 2000 en verklaren zich vluchteling op 6 juni
  6. 1.
  7. Op 6 september 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 14 maart 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, ten aanzien van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweert een Albanees te zijn, afkomstig uit Burrel. Sinds april 1992 zou u lid zijn van de Partia Lëvizja e Legalitetit (PLL). In april 1996, en dit tot 17 mei 2000, zou u zijn aangesteld als chauffeur en bodyguard van Kasem Shehu, de voorzitter van de PLL voor het district Mat. Hiernaast zou u eveneens de taak hebben gehad om samen met Kasem Shehu en andere PLL- leden meetings te organiseren. Op 1, 2 en 3 juli 1997 zou u in Tirana hebben deelgenomen aan XIV-9334-2/8 de protestmanifestaties naar aanleiding van de manipulaties van de verkiezingen van eind juni
  9. Tijdens uw deelname aan die meetings zou u door de politie zijn geslagen. Op 3 juli zou u, na door de politie met de kolf van een geweer te zijn geslagen, met gebroken ruggewervels door twee manifestanten zijn overgebracht naar het ziekenhuis nummer 2 in Tirana waar u 25 dagen zou hebben verbleven. Via uw broer en uw zus zou uw echtgenote op de hoogte zijn gebracht van hetgeen met u was gebeurd. Na uw verblijf in het hospitaal zou u naar huis zijn teruggekeerd, waar u een drietal maand diende te blijven om te herstellen. Op 20 september 1997 zou u uw werkzaamheden voor de PLL hebben hervat. In april 2000 zou u, samen met Kasem Shehu, met het oog op de lokale verkiezingen van oktober 2000, begonnen zijn met het voeren van campagne voor de PLL in en rond Mat. Op 10 april 2000 zou u thuis een brief hebben ontvangen waarin ermee werd gedreigd u te doden als u uw werkzaamheden voor de PLL niet zou beëindigen. Een maand nadien, op 17 mei 2000, zou u hebben deelgenomen aan een meeting in Lis. Diezelfde avond zou iemand een dynamietstaaf bij u thuis hebben binnengegooid. Direct na dit incident zou u met uw vader, echtgenote en uw kinderen uw woning hebben verlaten. U zou uw vader naar uw broer Luan hebben gebracht en u zou zelf met uw gezin naar uw zus Teuta in Tirana zijn gegaan. Op 19 mei 2000 zou u Albanië hebben verlaten en naar Italië zijn gegaan waar u een tweetal weken zou hebben verbleven bij een neef. Op 3 juni 2000 zou u samen met uw vrouw, XXX, en uw twee minderjarige kinderen Italië hebben verlaten en via Frankrijk naar België zijn gereisd waar u op 4 juni 2000 aankwam en op 6 juni 2000 een asielaanvraag indiende. In november 2000 zou u voor de eerste maal contact hebben opgenomen met uw broer Luan die nog steeds in Albanië verblijft. Via uw broer zou u hebben vernomen dat deze op 19 mei 2000 bij de politie van Mat was langs geweest om klacht in te dienen tegen de ontploffing in uw woning. De politie zou uw broer hebben gevraagd waar u was en hem een arrestatiebevel van het parket gegeven hebben waarin u zou beschuldigd worden van openlijke beschuldigingen aan het adres van de Socialistische Partij (SP). U zou eveneens van uw broer hebben vernomen dat de politie u op 20 mei 2000 thuis was komen zoeken. Tijdens latere telefonische contacten met uw broer zou u hebben vernomen dat de politie nog verscheidene malen naar u was komen vragen bij uw familie en kennissen. Ter ondersteuning van uw asielaanvraag beschikte u over volgende documenten: een lidkaart van de PLL, d.d. 21 april 1992, uitgereikt te Mat, een medisch attest van het hospitaal in Tirana ter staving van uw hospitalisatie in juli 1997, d.d. 4 oktober 2000, een attest van de lokale PLL- afdeling ter staving van uw functie als bodyguard, d.d. 4 oktober 2000, uitgereikt te Burrel, en een attest van het gemeentebestuur ter staving van de ontploffing van uw woning op 17 mei 2000, d.d. 20 mei 2000, uitgereikt te Zenisht. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u op dit moment omwille van één van de motieven voorzien in de Vluchtelingenconventie niet zou kunnen terugkeren naar uw land van herkomst. De door u aangehaalde problemen met de politie tijdens de protestmanifestaties begin juli 1997, dienen te worden geplaatst tegen de achtergrond van de chaotische en zeer onstabiele (politieke) situatie in Albanië sinds de ineenstorting van verschillende frauduleuze piramidefondsen, de daaropvolgende massale rellen en plunderingen door zowel rivaliserende bendes als gewapende individuen en de in Albanië steeds hoogoplopende spanningen tussen de drie grote rivaliserende politieke fracties (democraten, socialisten en monarchisten) naar aanleiding van verkiezingen, in casu de parlementsverkiezingen van juni-juli
  10. Ten aanzien van de dreigbrief en de aanslag op uw woning moet dan weer worden vastgesteld dat u geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat u hiervoor geen beroep had kunnen doen op de bescherming van de eigen Albanese autoriteiten, temeer daar u hiertegen nooit klacht heeft ingediend. Uw stelling dat het de politie zelf was die zich aan die feiten zou hebben schuldig gemaakt, is louter hypothetisch en berust niet op concreet aanwijsbare feiten, temeer daar de daders steeds onbekend gebleven zijn. Aangaande het door u aangehaalde arrestatiebevel van 19 mei 2000 en het feit dat de politie u verscheidene malen bij fami(l)lie en kennissen zou komen zoeken zijn na uw vertrek uit Albanië dient te worden vermeld dat u geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze feiten iets zouden te maken hebben met uw politieke activiteiten, daar u zelf uitdrukkelijk verklaarde dat u tussen juli 1997 en april 2000, ondanks uw voortgezette activiteiten voor de PLL, geen problemen meer heeft gehad met de (lokale) autoriteiten. Hierbij dient ten slotte te worden opgemerkt dat in de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (recente mensenrechtenrapporten zoals Country Reports on Human Rights Practices, 2000 en 2001 en International Helsinki Federation, Report 2000 en 2001, Amnesty International) nergens melding wordt gemaakt van persoonlijke en systematische vervolgingen in de zin van de Geneefse Conventie van gewone PLL-leden. De door u neergelegde documenten zijn niet van aard bovenstaande vaststelling te wijzigen aangezien ze enkel uw identiteit en nationaliteit, uw PLL-lidmaatschap, uw gezondheidstoe- stand en de aanslag op uw woning kunnen bevestigen. Deze elementen en gebeurtenissen worden op zich echter niet betwist. Ten slotte kan nog worden vermeld dat ten aanzien van uw echtgenote,XXX, door mij eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. (...).”. XIV-9334-3/8 De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, ten aanzien van XXX, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw opeenvolgende verklaringen steunt u uw asielaanvraag volledig op de door uw echtgenoot, XXX, aangehaalde asielmotieven. Daar in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. (...).”. 2.1.
  11. Overwegende dat verzoekers, in een eerste en derde middel samengenomen, de schending aanvoeren van artikel 1, A

(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij verder aanvoeren dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden en dat hij, bij toepassing van de door hem aangehaalde mensenrechtenrapporten, geen rekening heeft gehouden met de individuele situatie van verzoekers; 2.1.
  1. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, zowel artikel 62 van de Vreemdelingenwet als de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkenen een zodanig inzicht in de motieven van de beslissingen te verschaffen, dat zij in staat zijn te weten of het zin heeft zich tegen die beslissingen te verweren met de middelen die het recht hen verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekers de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekers bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een XIV-9334-4/8 asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat verzoekers onvoldoende elementen hebben aangehaald waaruit blijkt dat zij op dit moment omwille van één van de motieven van de Vluchtelingenconventie niet zouden kunnen terugkeren naar hun land van herkomst: - de door verzoekers aangehaalde problemen met de politie dienen te worden geplaatst tegen de achtergrond van de chaotische en zeer onstabiele (politieke) situatie in Albanië in die periode; - voor wat de dreigbrief en de aanslag op hun woning betreft, maken verzoekers niet aannemelijk dat zij geen beroep hadden kunnen doen op de bescherming van de Albanese autoriteiten, temeer daar zij nooit klacht hebben ingediend en hun stelling dat het de politie zelf was louter hypothetisch is en niet berust op concreet aanwijsbare feiten; - verzoekers maken niet aannemelijk dat het arrestatiebevel en het feit dat de politie hen zocht iets te maken had met de politieke activiteiten van verzoeker, temeer daar de Commissaris-generaal over informatie beschikt die geen melding maakt van persoonlijke en systematische vervolgingen van gewone PLL-leden in de zin van de Conventie van Genève; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat hun asielrelaas uitgebreid en gedetailleerd was en dat er geen tegenstrijdigheden werden vastgesteld; dat zij bovendien stukken hebben neergelegd ter ondersteuning van hun asielrelaas; dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal ten onrechte oordeelde dat zij te weinig feiten of elementen hebben aangebracht om een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingen- conventie aannemelijk te maken; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de bevoegde overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan op goede gronden tot haar besluit is kunnen komen; dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de Commissaris-generaal in casu nauwkeurig motiveert waarom hij van oordeel is dat verzoekers onvoldoende concrete, persoonlijke feiten of elementen hebben aangehaald waaruit blijkt dat zij Albanië hebben verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat zij er om één van deze redenen op dit moment niet zouden kunnen terugkeren, gelet op de gestabiliseerde politico-sociale context; Overwegende dat de Commissaris-generaal heeft vastgesteld dat de problemen die verzoekers ondervonden kaderen binnen de zeer onstabiele politieke situatie XIV-9334-5/8 en de steeds hoog oplopende spanningen tussen de drie grote rivaliserende politieke fracties op het tijdstip van hun vlucht; dat verzoekers hieromtrent aanvoeren dat de motiveringsplicht wordt geschonden, omdat deze stelling in strijd is met de motivering dat verzoeker het niet aannemelijk zou maken dat de gebeurtenissen waarvan hij het slachtoffer werd, te maken zouden hebben met zijn politieke activiteiten als actief PLL-lid; dat uit analyse van de bestreden beslissing, genomen ten aanzien van XXX, blijkt dat er geen tegenstrijdigheid is tussen de motieven omdat de Commissaris-generaal een onderscheid heeft gemaakt tussen de gebeurtenissen van 1997 die kaderden in de toenmalige situatie en de gebeurtenissen van 2000 waarvan verzoeker niet aannemelijk maakt dat ze het gevolg waren van zijn politieke activiteiten, omdat hij tussen 1997 en 2000 politiek actief bleef zonder problemen te hebben gehad met de autoriteiten; Overwegende dat dit precies aantoont dat verzoeker niet werd vervolgd in zijn land van herkomst omwille van zijn politieke overtuiging; Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat de Commissaris-generaal zich heeft gebaseerd op algemene beschouwingen, geput uit de beschikbare mensenrechten- rapporten, zonder deze toe te passen op de individuele situatie van verzoekers; dat verzoekers stellen dat bovendien uit de door de Commissaris-generaal aangewende rapporten wel degelijk blijkt dat er sprake is van systematische vervolgingen en folteringen in Albanië van PLL-leden; Overwegende dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening wordt gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat één onderdeel op zich de beslissingen misschien niet kan dragen, maar in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig is; dat de Commissaris-generaal de verklaringen van asielzoekers kan toetsen aan algemeen bekende informatie die beschikbaar is op het Commissariaat-generaal; dat in deze informatie geen melding wordt gemaakt van persoonlijke en systematische vervolging- en in de zin van de Conventie van Genève, van gewone PLL-leden; dat verzoekers geen gegevens aanbrengen om deze vaststelling van de Commissaris-generaal te ontkrachten; 2.1.
  2. Overwegende dat verzoekers de door de Commissaris-generaal vastgestelde motieven niet weerleggen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen steunen op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat verzoekers niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal zijn appreciatie- bevoegdheid heeft overschreden en niet op goede gronden tot de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvragen heeft besloten; dat tevens wordt verwezen naar de nota van de verwerende partij, waarvan de Raad van State de inhoud beaamt en bij deze als uitdrukkelijk herhaald beschouwt; dat het eerste en het derde middel ongegrond zijn; XIV-9334-6/8 2.2.
  3. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de algemene rechtsbeginselen “nemo judex in causa sua”, “justice should not only be done, it must also be seen to be done” en “likelihood of bias”, van het artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet en van het artikel 6 van het E.V.R.M.; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (EVRM), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op het asielrecht, zodat verzoekers dit artikel niet dienstig kunnen inroepen; Overwegende dat verzoekers betogen dat er in casu een schijn van partijdigheid voorhanden is, omdat de Heer Pascal Smet, als Commissaris-generaal kennis neemt van beslissingen die hij vroeger nam als kabinetschef in eerste aanleg, als vertegen- woordiger van de Minister van Binnenlandse Zaken; Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Heer Pascal Smet optreedt als gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken in asielzaken; dat het argument van verzoekers bijgevolg feitelijke grondslag mist; Overwegende dat evenmin blijkt dat de Heer Pascal Smet rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken was bij de beslissingen in eerste aanleg; dat in deze zaak, zoals trouwens in andere zaken, een bevoegd ambtenaar namens de Minister van Binnenlandse Zaken optreedt zoals dit wettelijk wordt voorgeschreven; Overwegende dat verzoekers niet bewijzen dat de Commissaris-generaal tekort schoot in het voeren van een persoonlijk, onpartijdig en volledig onderzoek van de asielaanvraag van verzoekers; dat de onafhankelijkheid van de Commissaris-generaal wettelijk is bepaald in artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet en dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen hiërarchisch gezag uitoefent op de Commissaris-generaal die een onafhankelijke overheid is; dat het tweede middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- XIV-9334-7/8 lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9334-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.935 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.