← België

Arrest 152936 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.936 Rolnummer: A. 124271/XIV-10942 Zaak: Arrest 152936 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 06:54 Fiche Arrest nr 152.936 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.936 van 20 december 2005 in de zaak A. 124.271/XIV-10.942. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. JANSSENS, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Duboisstraat 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX geboren op 16 februari 1950 en van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 24 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 24 mei 2002, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 24 mei 2002; Gelet op de beschikking van 25 juli 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 7 februari 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 8 februari 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-10.942-1/10 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JANSSENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat C. DECORDIER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. De verzoekende partij komt België binnen op 23 mei 1999 en wordt toegelaten tot een voorlopig verblijf tot 22 augustus 1999. 1.2. Op 23 november 2001 dient verzoekster een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.3. Op 3 mei 2002 wordt verzoeksters aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk verklaard. 1.4. Op 24 mei 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de thans bestreden beslissing. 2. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster een eerste middel put uit de “exceptio obscuri libelli”; 2.1.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, overeenkomstig de akte van kennisgeving, onontvankelijk is omdat “de buitengewone omstandigheden bedoeld bij art. 9§3 (...) deze (zijn) die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegen- woordiging.”; dat verzoekster stelt dat “deze zin (...) onverstaanbaar, en voor zover wel verstaanbaar onjuist (is)”; dat verzoekster uiteenzet dat de buitengewone omstandigheden niet deze zijn die verzoekster verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging, maar wel de redenen van familiale en sociale aard zijn die verzoekster in haar aanvraag en in haar verzoekschrift heeft omschreven; XIV-10.942-2/10 2.1.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat het eerste middel uitsluitend betrekking heeft op beslissing van 3 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard; dat de verwerende partij stelt dat het eerste middel bijgevolg onontvankelijk is; dat de verwerende partij overweegt dat, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, de zin “de buitengewone omstandigheden bedoeld bij art. 9§3 (...) deze (zijn) die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging.”, “geenszins onverstaanbaar, laat staan onjuist (is)”; 2.1.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord aanvoert dat het eerste middel wel degelijk betrekking heeft op het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten, vermits het rechtstreeks antwoordt op de motivering van de beslissing volgend op de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf; dat verzoekster stelt dat de betwiste motivering, met name dat “de buitengewone omstandigheden bedoeld bij art. 9§3 (...) deze (zijn) die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging.”, wordt vermeld op de kennisgeving van de beslissing die ten grondslag ligt aan het bevel tot uitwijzing; dat verzoekster overweegt dat het verband tussen deze beslissing en het bevel tot uitwijzing blijkt uit de kennisgeving dd. 3 mei 2002; dat verzoekster betoogt dat de betwiste motivering wel degelijk “onverstaan- baar (

  1. is)en, zo verstaanbaar, zonder enige grond; dat verzoekster uiteenzet “dat er geen enkele juridische regel bestaat die voorschrijft dat de motieven die verzoekster inroept, met name dat zij geen banden meer heeft met het thuisland enz., haar zouden “verhinderen” om een aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging.”; 2.1.5. Overwegende dat het annulatieberoep is gericht tegen het bevel dd. 24 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en niet tegen de beslissing dd. 3 mei 2002 waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard; dat het eerste middel betrekking heeft op een andere beslissing dan het in casu bestreden bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met name de beslissing dd. 3 mei 2002; dat verzoekster in het eerste middel niet verwijst naar de motivering van het bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, maar wel naar de motivering van de beslissing dd. 3 mei 2002; dat de beslissing dd. 3 mei 2002 definitief is geworden, zodat de daarin gemaakte vaststellingen niet meer kunnen worden bestreden; dat het eerste middel onontvankelijk is, vermits het geen betrekking heeft op het bestreden bevel; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster een tweede middel put uit de “ontvankelijkheid van de aanvraag tot verblijfsmachtiging”; XIV-10.942-3/10 2.2.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat “steeds voor zover verstaanbaar, (...) genoemde zin betrekking (heeft) op art. 9, 2/ lid Vreemdelingenwet, dus op een andere bepaling dan die waarop verzoekster zich beroept (art. 9, 3/ lid V.W.).”; dat verzoekster stelt dat “door art. 9, 3/ lid V.W. te koppelen aan art. 9, 2/ lid V.W. (...) de bestreden beslissing de indruk (geeft) dat, alvorens een beroep te kunnen doen op het eerstgenoemde, eerst artikel 9, 2/ lid (Vreemdelingenwet) zou moeten worden toegepast, met andere woorden, dat verzoekster zich eerst tot haar diplomatieke overheid zou moeten wenden alvorens zich te kunnen beroepen op buitengewone omstandigheden; dat verzoekster uiteenzet dat de motivering van de bestreden beslissing de grond van de zaak betreft, en niet kan gelden om te besluiten tot de onontvankelijkheid; dat verzoekster betoogt dat de “gronden tot onontvankelijkheid, dus gronden tot nietigheid (zich) bevinden (...) in de wet (art. 860 Ger. W.)”, en dat “de redenen die de gemachtigde van de Minister opgeeft, (niet) vermeld (staan) in de wet als zijnde gronden tot onontvankelijkheid.”; 2.2.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat het tweede middel uitsluitend betrekking heeft op beslissing van 3 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard; dat de verwerende partij stelt dat het tweede middel bijgevolg onontvankelijk is; dat de verwerende partij betoogt dat het niet duidelijk is welke rechtsregel verzoekster geschonden acht, hoewel de Raad van State er reeds herhaaldelijk op heeft gewezen dat het wettelijk of reglementair voorschrift luidens hetwelk het beroep bij een administratief rechtscollege gemotiveerd moet zijn, van substantiële aard is; dat de verwerende partij uiteenzet dat de niet-naleving van deze vereiste de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft; dat de verwerende partij aanvoert dat de beschouwingen in verzoeksters uiteenzetting niet pertinent zijn; dat de verwerende partij stelt dat uit artikel 9 van de Vreemdelingenwet duidelijk blijkt dat in lid 2 een algemene regel is ingesteld ten aanzien waarvan lid 3 zich verhoudt als een restrictief toe te passen uitzondering; dat de verwerende partij uiteenzet dat verzoekster, in wiens land van herkomst, zowel als in haar land van oponthoud, een Belgische diplomatieke vertegen- woordiging aanwezig is, en in wiens hoofde geen reden bestaat die vreemd is aan zichzelf, zich niet op een ontvankelijke manier kan beroepen op artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat de verwerende partij betoogt dat terecht werd geoordeeld dat in hoofde van verzoekster geen buitengewone omstandigheden konden worden weerhouden die een aanvraag in België zouden kunnen rechtvaardigen; 2.2.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat uit de uiteenzetting in het inleidend verzoekschrift duidelijk blijkt dat zij met haar tweede middel een schending inroept van de motiveringsplicht; dat verzoekster aanvoert dat de bestreden beslissing, als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet, stelt dat eerst wordt voldaan aan artikel 9, 2/ lid van de Vreemdelingen- XIV-10.942-4/10 wet; dat verzoekster stelt dat deze voorwaarde niet wettelijk wordt voorzien; dat verzoekster uiteenzet dat de gronden tot onontvankelijkheid worden opgesomd in de wet, maar dat dit niet het geval is voor de grond tot onontvankelijkheid die in de bestreden beslissing wordt aangehaald; dat verzoekster besluit dat de geschonden rechtsregel aldus voldoende duidelijk is omschreven; 2.2.5. Overwegende dat het annulatieberoep is gericht tegen het bevel dd. 24 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en niet tegen de beslissing dd. 3 mei 2002 waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard; dat het tweede middel betrekking heeft op een andere beslissing dan het in casu bestreden bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met name de beslissing dd. 3 mei 2002; dat verzoekster in het tweede middel niet verwijst naar de motivering van het bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, maar wel naar de motivering van de beslissing dd. 3 mei 2002; dat de beslissing dd. 3 mei 2002 definitief is geworden, zodat de daarin gemaakte vaststellingen niet meer kunnen worden bestreden; dat het tweede middel onontvankelijk is, om dezelfde redengeving als sub 2.1.5.; 2.3.1. Overwegende dat verzoekster als derde middel de “vormfout” aanvoert; 2.3.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het bevel dd. 3 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, vermeldt dat verzoekster verblijft te “2018 Antwerpen, Stanleystraat 40/02”; dat verzoekster stelt dat zij daar nooit heeft verbleven, en dat zij dit adres nergens in de procedure heeft vernoemd; dat verzoekster uiteenzet dat zij verblijft te “2060 Antwerpen, Lange Beeldekensstraat 152a”; 2.3.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat het derde middel in rechte onvoldoende onderbouwd is om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd; dat de verwerende partij stelt dat de beweerde vormfout in wezen een gebrek in de kennisgeving uitmaakt; dat de verwerende partij uiteenzet dat de onregelmatige kennisgeving van een beslissing niet noodzakelijk een schending uitmaakt van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm; dat de verwerende partij overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Raad van State blijkt dat eventuele gebreken in de kennisgeving van een administratieve akte niet van aard zijn om aanleiding te geven tot de nietigverklaring van de akte; dat de verwerende partij betoogt dat de wijze waarop de kennisgeving van de bestreden beslissing is gebeurd, verzoekster niet heeft gehinderd in haar mogelijkheden om de beslissing aan te vechten, hetgeen verzoekster ook niet redelijk kan doen, gelet op het tijdstip waarop zij haar verzoekschrift tot nietigverklaring heeft neergelegd; dat de verwerende partij besluit dat verzoekster er niet XIV-10.942-5/10 in slaagt aan te tonen dat de wijze waarop de kennisgeving van de bestreden beslissing in casu is gebeurd, haar enig nadeel zou hebben berokkend; 2.3.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de stelling van de verwerende partij niet kan worden gevolgd; dat verzoekster aanvoert dat het niet sanctioneren van de niet naleving van vormvereisten zou leiden tot volstrekte willekeur; dat verzoekster stelt dat het feit dat zij hierbij geen nadeel heeft geleden, geen afbreuk doet aan de verplichting om vormvereisten na te leven; 2.3.5. Overwegende dat in het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, als verblijfsadres “Stanleystraat 40/02, 2018 Antwerpen” werd vermeld; dat dit een materiële vergissing uitmaakt die de kern van de bestreden beslissing niet raakt; dat verzoekster de bestreden beslissing heeft ontvangen, niettegenstaande deze materiële vergissing, en er kennis van heeft genomen; dat verzoekster bijgevolg geen schending van de vormvereisten kan inroepen; Overwegende dat het derde middel ongegrond is; 2.4.1. Overwegende dat verzoekster een vierde middel put uit “verdere schendingen van de motiveringsplicht”; 2.4.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet bepaalt dat aan wie ongemachtigd langer in het Rijk verblijft dan drie maanden, een bevel mag worden gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten, onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag; dat verzoekster stelt dat er meer voordelige bepalingen voorhanden zijn, meer bepaald artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoekster betoogt dat “door enkel te verwijzen naar het genoemde artikel, (...) de bestreden beslissing niet (antwoordt) op de buitengewone omstandigheden waarop verzoekster zich beroept”; dat verzoekster uiteenzet dat zij geen student is, zodat artikel 100, vijfde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, niet van toepassing is; dat verzoekster aanvoert dat door te verwijzen naar artikel 7, eerste lid van de Vreemdelingenwet en artikel 100, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, en daarmee te volstaan, de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de motiveringsverplichting schendt; 2.4.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van weder- antwoord aanvoert dat het vierde middel in rechte onvoldoende onderbouwd is om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd; dat de verwerende partij stelt dat verzoeksters XIV-10.942-6/10 concrete argumentatie ter zake niet dienend is, omdat deze, enerzijds, betrekking heeft op de beoordeling van verzoeksters aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf, en anderzijds, omdat de motivering in de bestreden beslissing volstaat opdat voldaan zou zijn aan de formele motiveringsplicht; dat de verwerende partij uiteenzet dat de motiveringsplicht geen ander doel heeft dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen of te haren genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande middelen van het recht; dat de verwerende partij betoogt dat, waar verzoekster stelt dat de bestreden beslissing ten onrechte zou verwijzen naar artikel 100, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981, deze kritiek betrekking heeft op een overtollig motief, vermits het motief afgeleid uit de schending van artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet op zich reeds volstaat om de bestreden beslissing naar behoren te motiveren; 2.4.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat de bestreden beslissing een wetsbepaling vermeldt waarin wordt voorzien dat rekening moet worden gehouden met meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag; dat verzoekster stelt dat de bestreden beslissing dit niet doet, hoewel er wel degelijk meer voordelige bepalingen voorhanden zijn; 2.4.5. Overwegende dat het vierde middel niet ontvankelijk is in de mate dat het betrekking heeft op de beslissing dd. 3 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard; dat het annulatieberoep uitsluitend betrekking heeft op het bevel dd. 24 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bestreden bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten luidt als volgt: “Regelmatig verblijf verstreken sedert 22-08-1999. Artikel 7, eerste lid, 2/ van de (Vreemdelingen)wet en artikel 100, vijfde lid, van het koninklijk XIV-10.942-7/10 besluit: verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 van de wet bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd; betrokkene verblijft reeds in het Rijk sedert 23-05-1999.”; dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten aldus de juridische en feitelijke overwegingen bevat die eraan ten grondslag liggen; dat deze overwegingen draagkrachtig zijn; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten steunt op een dubbel motief, met name het motief gesteund op artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet, en het motief gesteund op artikel 100, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981; dat het eerste motief, gesteund op artikel 7, eerste lid, 2/ van de Vreemdelingenwet volstaat om de bestreden beslissing te dragen; dat verzoeksters kritiek op het motief gesteund op artikel 100, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 niet kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; Overwegende dat het vierde middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 2.5.1. Overwegende dat verzoekster een vijfde middel put uit de “gegrondheid van de aanvraag”; 2.5.2. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het feit dat haar hele familie in België verblijft en dat zij geen banden meer heeft met haar thuisland, wel degelijk buitengewone omstandigheden uitmaken in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster stelt dat een persoon, overeenkomstig artikel 8 van het E.V.R.M., het recht heeft om te leven in het land waar hij het centrum van zijn belangen en zijn privé-leven heeft, en waar zijn familie- en gezinsleven zich afspelen; dat verzoek-ster betoogt dat dit voor haar België is; 2.5.3. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert het vijfde middel uitsluitend betrekking heeft op beslissing van 3 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard; dat de verwerende partij stelt dat het vijfde middel bijgevolg onontvankelijk is; dat de verwerende partij stelt dat verzoekster zich niet ontvankelijk kan beroepen op het artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, vermits terecht werd geoordeeld dat de door haar ingeroepen redenen, geen buitengewone omstandigheden uitmaken die een eventuele toepassing van voormeld artikel 9, derde lid, zouden kunnen rechtvaardigen; dat de verwerende partij uiteenzet dat artikel 8 van het E.V.R.M. “een vreemdeling(
  2. e)niet vrijstelt van het verkrijgen van de vereiste documenten om in het Rijk te verblijven”, en “dat een tijdelijke verwijdering om reden dat zij niet in het bezit is van die documenten geenszins strijdig is met” artikel 8 van het E.V.R.M.; XIV-10.942-8/10 2.5.4. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord repliceert dat, bij gebrek aan een wettelijke invulling van het begrip “buitengewone omstandigheden”, het begrip in zijn meest letterlijke betekenis moet worden verstaan, namelijk omstandigheden die buiten het gewone vallen; dat verzoekster stelt dat de omstandigheden die zij inroept aan die beschrijving beantwoorden; dat verzoekster betoogt dat zij nooit heeft getracht om te worden vrijgesteld van de verplichting om de vereiste verblijfsdocumenten te verkrijgen; dat verzoekster stelt dat “nergens blijkt dat het bestreden bevel een ‘tijdelijke verwijdering’ zou beogen”; 2.5.5. Overwegende dat het annulatieberoep is gericht tegen het bevel dd. 24 mei 2002 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten, en niet tegen de beslissing dd. 3 mei 2002 waarin de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk wordt verklaard; dat het vijfde middel betrekking heeft op een andere beslissing dan het in casu bestreden bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met name de beslissing dd. 3 mei 2002; dat verzoekster in het vijfde middel niet verwijst naar de motivering van het bevel dd. 24 mei 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, maar wel naar de motivering van de beslissing dd. 3 mei 2002; dat de beslissing dd. 3 mei 2002 definitief is geworden, zodat de daarin gemaakte vaststellingen niet meer kunnen worden bestreden; dat het vijfde middel onontvankelijk is, om hetzelfde motief als vermeld sub 2.1.5.; 2.5.6. Overwegende dat in het Auditoraatsverslag een exceptie van onontvankelijkheid wordt opgeworpen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste wettig belang van verzoekster bij de procedure die zij heeft ingeleid bij de Raad van State; Overwegende dat deze exceptie gegrond is op basis van de oordeelkundige analyse van deze exceptie, vervat in het Auditoraatsverslag op bladzijde 4 tot 5, XIV-10.942-9/10 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.942-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.936 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.