← België

Arrest 152937 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.937 Rolnummer: A. 128755/XIV-12384 Zaak: Arrest 152937 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-03 06:54 Fiche Arrest nr 152.937 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.937 van 20 december 2005 in de zaak A. 128.755/XIV-12.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1/2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 8 augustus 1964 en van Joegoslavische nationaliteit, op 30 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 30 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 4 juli 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 juli 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.384-1/11 Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. HERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 4 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 11 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 30 september 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: bedrieglijk. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde een etnische Albanees te zijn, afkomstig uit Zvecan, Kosovo. In 1981 zou u gedurende drie maanden zijn opgesloten omwille van uw deelname aan een manifestatie tegen het Servische regime. Na uw vrijlating zou u uw middelbare school elders hebben moeten afwerken. Tijdens uw legerdienst in 1984 en 1985 zou u door de Servische geheime dienst zijn mishandeld. In 1986 of 1987 zou u drie dagen zijn vastgehouden en mishandeld door de politie omwille van uw deelname aan een studentenmanifestatie. In 1988 of 1989 zou u, samen met andere studenten, opnieuw zijn gearresteerd en 48 uur zijn vastgehouden. Een vriend van u zou toen door de politie zijn gedood. In 1989 zou u lid geworden zijn van de “Demokratische Liga van Kosovo” (LDK). In juni 1992 zat u gedurende drie maand in de gevangenis nadat u tijdens XIV-12.384-2/11 een vergadering gearresteerd was. Nadat een gesprek tussen u en een commandant van het UCK door onbekenden was opgenomen, zou u constant onder het toezicht van de Servische overheid hebben gestaan. Begin 1998 zou u een order van uw partij hebben gekregen om in opdracht van het “Kosovaars Bevrijdingsleger” (UCK) te helpen bij de bescherming van en hulpverlening aan de burgerbevolking. U zou in de periode vóór de NAVO-bombardementen ook betrokken geweest zijn bij gevechten tegen Servische troepen, waarbij u vooral een logistieke rol zou hebben gehad. Begin maart 1999 zou u van uw overste de toelating hebben gekregen om uw familie in Mitrovica te bezoeken. U zou uw familie in Mitrovica echter niet gevonden hebben, maar er vernomen hebben dat uw gezin zich in Albanië bevond. Eind maart of begin april 1999 zou u ook naar Albanië zijn getrokken. U zou in Durrës met uw gezin hebben verbleven tot 16 of 17 juni
  6. Nadien zou u zijn teruggekeerd naar Kosovo, waar u zou hebben vastgesteld dat uw huis in Servisch gebied ligt. U zou een woning hebben gehuurd in het zuiden van Mitrovica. U zou zich na de oorlog weer voor het LDK hebben geëngageerd. Ter voorbereiding voor de lokale verkiezingen van oktober 2000 zou u propaganda hebben gemaakt en aan ledenwerving hebben gedaan. Vanaf februari 2000 zou u geregeld telefonische bedreigingen hebben gekregen omwille van deze activiteiten. Op 15 of 16 april 2000 zou u in het centrum van Istog zijn bedreigd door een lid van de “Democratische Partij van Kosovo” (PDK). Op 22 juli 2000 zou u een verbaal dispuut hebben gehad met een ander lid van de PDK. In 2000 zou u onder begeleiding van KFOR een bezoek hebben gebracht aan uw vroegere woning, die volledig vernield bleek te zijn. U zou Kosovo hebben verlaten op 2 of 3 oktober
  7. U bereikte België op 4 oktober 2000 en diende hier dezelfde dag een asielaanvraag in. Ter staving van uw asielaanvraag legde u uw lidkaart van de LDK voor. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u uw land van herkomst in oktober 2000 heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Kosovo op dit moment. De door u aangehaalde problemen omwille van de Servische repressie in de jaren 1980 en 1990 beantwoordden reeds op het moment van uw vertrek niet meer aan een actueel objectief gegeven. De Servische troepen en autoriteiten hebben Kosovo, overeenkomstig VN-resolutie 1244 van 10 juni 1999, sindsdien immers verlaten en het bestuur van de regio werd overgeno- men door vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die heden nog steeds een belangrijke rol vervullen bij het garanderen van orde en veiligheid in Kosovo en de consolidatie van de nieuwe politieke, sociale en economische structuren. Bij eventuele nieuwe moeilijkheden kan u dan ook steeds een beroep doen op deze internationale autoriteiten. Wat de door u op het Commissariaat-generaal aangehaalde bedreigingen van en conflicten met leden van de PDK betreft, dient vooreerst te worden opgemerkt dat u noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch in uw verzoekschrift aan het Commissariaat-generaal melding gemaakt hebt van deze feiten. Tevens verklaarde u op het Commissariaat-generaal na de oorlog in het zuiden van Mitrovica een woning te hebben gehuurd (verhoorverslag CGVS, p. 8, 9), terwijl u op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde na de oorlog in de woning van een vriend te zijn ingetrokken, die u in september 2000 opnieuw diende te verlaten omdat uw vriend met zijn gezin was teruggekeerd, wat meteen de directe aanleiding van uw vertrek zou zijn geweest. Wat er ook van zij, het “Kosovaars Bevrijdingsleger” werd eind 1999 formeel ontbonden en sindsdien ziet de internationale gemeenschap nauwgezet toe op de demilitarisering van Kosovo en van de gewezen leden van het UCK in het bijzonder. Bovendien behaalde het L.D.K. bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Mitrovica (eind 2000) een duidelijke overwinning met ruim 67% van de stemmen (en 29 van de 41 zetels), tegenover slechts 24% van de stemmen en 11 zetels voor het P.D.K. Er moet dan ook worden vastgesteld dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat u zich op dit moment niet opnieuw in Mitrovica of elders in Kosovo zou kunnen vestigen. Luidens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal hebt u in Zuid-Mitrovica na de bevrijding van Kosovo trouwens nooit problemen gehad met de (lokale) autoriteiten en kon u er zonder noemenswaardige problemen een woning huren. In geval van een eventuele herhaling van voornoemde feiten kan u derhalve steeds een beroep doen op de bescherming van de (nieuwe) lokale autoriteiten. Ten slotte kan hier nog vermeld worden dat ik ook ten aanzien van uw echtgenote, Fatime Shatri, een bevestigende beslissing van weigering van verblijf heb genomen. (...).”.
  8. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  9. Overwegende dat verzoeker een eerste middel put uit de “schending van het recht van verdediging, door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing; dat verzoeker in casu de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-12.384-3/11 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.
  10. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het niet volstaat om louter te verwijzen naar de beslissing van 11 januari 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, teneinde hem de hoedanigheid van vluchteling te weigeren; dat verzoeker stelt dat geen van de door de Commissaris-generaal aangewende motieven volstaan als weigeringsgrond; dat verzoeker uiteenzet dat de internationale gemeenschap er tot op heden niet in slaagt de orde en veiligheid in Kosovo te handhaven; dat verzoeker aanvoert dat het argument van de Commissaris-generaal dat verzoeker, op de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn verzoek tot dringend beroep, geen melding heeft gemaakt van de door hem tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal aangehaalde bedreigingen van en conflicten met leden van de PDK, niet kan worden aanvaard; dat verzoeker stelt dat hij niet wist dat het gesprek voor de Dienst Vreemdelingen- zaken een interview betreffende zijn asielaanvraag was; dat verzoeker betoogt dat hij door de stress en de vermoeidheid van de reis, niet in staat was een behoorlijk interview af te leggen; dat verzoeker aanvoert dat het niet volstaat te verwijzen naar één enkele tegenstrij- digheid in de diverse opeenvolgende verklaringen die verzoeker en zijn echtgenote tijdens de asielprocedure hebben afgelegd; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat er van tegenstrijdig- heid geen sprake is; 2.1.
  11. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; XIV-12.384-4/11 dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag eveneens onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  12. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat : - verzoeker onvoldoende concrete feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij zijn land van herkomst in oktober 2000 heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij alsnog een dergelijke vrees dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar Kosovo op dit moment; de door verzoeker aangehaalde problemen omwille van de Servische repressie in de jaren 1980 en 1990 beantwoordden reeds op het moment van zijn vertrek niet meer aan een actueel objectief gegeven; de Servische troepen en autoriteiten hebben Kosovo, overeenkomstig VN-resolutie 1244 van 10 juni 1999, sindsdien immers verlaten; het bestuur van de regio werd overgenomen door vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap die nog steeds een belangrijke rol vervullen bij het garanderen van de orde en veiligheid in Kosovo en de consolidatie van de nieuwe politieke, sociale en economische structuren; bij eventuele nieuwe moeilijkheden kan verzoeker dan ook steeds een beroep doen op deze internationale autoriteiten; - wat betreft de door verzoeker op het Commissariaat-generaal aangehaalde bedreigingen van en conflicten met leden van de PDK, blijkt dat verzoeker noch op de Dienst Vreemdelingen- zaken, noch in zijn verzoekschrift aan het Commissariaat-generaal, melding heeft gemaakt van deze feiten; tevens verklaarde verzoeker op het Commissariaat-generaal na de oorlog in het zuiden van Mitrovica een woning te hebben gehuurd, terwijl hij op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde na de oorlog de woning van een vriend te hebben betrokken, die hij in september 2000 diende te verlaten omdat zijn vriend met zijn gezin was teruggekeerd, hetgeen de directe aanleiding van verzoekers vertrek zou zijn geweest; - het “Kosovaars Bevrijdingsleger” eind 1999 formeel werd ontbonden en sindsdien de internationale gemeenschap nauwgezet toeziet op de demilitarisering van Kosovo en van de gewezen leden van het UCK in het bijzonder; bovendien behaalde het L.D.K. bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen in Mitrovica (eind 2000) een duidelijke overwinning met ruim 67% van de stemmen (en 29 van de 41 zetels), tegenover slechts 24% van de stemmen en 11 zetels voor het P.D.K.; verzoeker maakt het niet aannemelijk dat hij zich op dit moment niet opnieuw in Mitrovica of elders in Kosovo kan vestigen; luidens verzoekers verklaringen op het Commissariaat-generaal heeft hij in Zuid-Mitrovica na de bevrijding van Kosovo XIV-12.384-5/11 trouwens nooit problemen gehad met de (lokale) autoriteiten en kon hij er zonder noemenswaardige problemen een woning huren; in geval van een eventuele herhaling van voornoemde feiten kan verzoeker derhalve steeds een beroep doen op de bescherming van de (nieuwe) lokale autoriteiten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het immers niet volstaat om aan de hand van algemene beweringen te verwijzen naar een bepaalde toestand in het land van herkomst; dat verzoeker als dusdanig niet aantoont dat hijzelf persoonlijk of systematisch wordt vervolgd en dat de Commissaris- generaal op basis van de feitelijke gegevens van het persoonlijk dossier van verzoeker kon besluiten dat er in casu ten opzichte van verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aanwezig is; dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat hij niet wist dat het gesprek op de Dienst Vreemdelingenzaken een interview was in het kader van zijn asielaanvraag; dat verzoeker iedere bladzijde van het verhoorverslag heeft ondertekend; dat verzoeker tevens de laatste bladzijde heeft ondertekend en heeft verklaard dat de inhoud van het verslag overeenstemt met de inlichtingen die hij heeft gegeven; dat hieruit blijkt dat het niet ging om een gewoon en oppervlakkig gesprek; dat het feit dat verzoeker stress had en vermoeid was, evenmin een verklaring biedt voor het feit dat hij niet in staat zou zijn geweest een behoorlijk interview af te leggen; dat iedere kandidaat-vluchteling enigszins onder stress staat; dat uit het verhoorverslag blijkt dat het interview op een normale wijze plaatsvond; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de leemten in zijn asielrelaas het gevolg zijn van vermoeidheid en stress; dat, waar verzoeker stelt dat het niet volstaat te verwijzen naar één enkele tegenstrijdigheid in de opeenvolgende verklaringen die verzoeker en zijn echtgenote tijdens de asielprocedure hebben afgelegd, wordt overwogen dat de bestreden beslissing als één geheel moet worden gelezen en niet als van elkaar losstaande elementen; dat de Commissaris-generaal tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de overwegingen vervat in punt 2.1.
  13. van dit arrest; dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat er geen sprake is van enige tegenstrijdigheid; dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat er een tegenstrijdigheid is tussen de verklaring- en die verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en die hij heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal; dat in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt vermeld dat verzoeker na de oorlog was ingetrokken in de woning van een vriend (Gzim RUFICI), en dat die vriend hem, na zijn terugkeer in september 2000, vroeg de woning te verlaten; dat in het verhoorverslag van de Commissaris-generaal evenwel wordt vermeld dat verzoeker een woning huurde van A. S.; dat de Commissaris-generaal hieruit op goede gronden kon afleiden dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de verklaringen die XIV-12.384-6/11 verzoeker heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken en de verklaringen die hij heeft afgelegd voor de Commissaris-generaal; dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal de verplichting heeft om na te gaan of er sprake is van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoeker bij een eventuele terugkeer naar Kosovo; dat verzoeker stelt dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd; 2.2.
  16. Overwegende dat, waar verzoeker een schending inroept van het non- refoulement beginsel, blijkt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat erkende vluchtelingen en kandidaat- vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker dit artikel niet heeft ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.3.
  17. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; 2.3.
  18. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal, op basis van de hem ter beschikking gestelde elementen, niet wettig kon beslissen dat geen verder onderzoek noodzakelijk was; dat de beslissing van 11 januari 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, was gebaseerd op de overweging dat er geen ernstige aanwijzingen voorhanden zijn van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, hoewel verzoeker in het verzoekschrift tot dringend beroep aanvoert dat dergelijke aanwijzingen wel voorhanden zijn, de bestreden beslissing de overwegingen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zonder meer overneemt; 2.3.
  19. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat echter wel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan XIV-12.384-7/11 opkomen; dat verzoeker, bij het indienen van zijn dringend beroep, derhalve de mogelijkheid had zijn relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker van deze mogelijkheid heeft gebruik gemaakt; dat, hoewel er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen, uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal verzoeker uitvoerig heeft gehoord; dat verzoeker op het einde van het verhoor instemmend heeft geantwoord op de vraag of hij al zijn problemen heeft verteld, en op de vraag of hij de mogelijkheid heeft gehad om in detail over zijn recente problemen te praten; dat de schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.4.
  20. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3 en 5, lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.4.
  21. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij op basis van de bestreden beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens; dat verzoeker stelt dat het Commissariaat-generaal van de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing geen rekening houdt met de vluchtredenen en de mensenrechtensituatie in Kosovo; 2.4.
  22. Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikelen 2 en 3 van het E.V.R.M.,wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waar uitvoerig werd vastgesteld dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van verzoekers asielrelaas; dat uit de analyse van het vierde middel ook blijkt dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de kennelijke ongegrondheid en bedrieglijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft besloten; dat hij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet behept is met een onwettigheid, de artikelen 2 en 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat, waar verzoeker een schending aanvoert van artikel 5 van het E.V.R.M., wordt vastgesteld dat verzoeker zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepaling die hij geschonden acht wanneer de bestreden beslissing zou worden uitgevoerd, maar nalaat aan te duiden op welke wijze deze bepaling concreet door de bestreden beslissing wordt geschonden; dat verzoeker zich beperkt tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op zijn persoonlijke situatie; dat verzoeker zijn grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissing niet op goede gronden heeft genomen; XIV-12.384-8/11 Overwegende dat het vierde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.5.
  23. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel; 2.5.
  24. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de beslissing van de Commissaris-generaal door een zorgvuldig onderzoek moet worden voorafgegaan; dat verzoeker stelt dat voormelde beslissing van de Commissaris-generaal een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden; 2.5.
  25. Overwegende dat waar verzoeker een schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, kan worden verwezen naar de analyse van de vorige middelen, waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal het asielrelaas van verzoeker grondig heeft onderzocht en rekening heeft gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat verzoeker niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het vijfde middel ongegrond is; 2.6.
  26. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel een schending aanvoert van het verbod van machtsafwending; 2.6.
  27. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat “de bestreden beslissing werd ingegeven om andere dan wettelijke motieven door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, nu deze de eerste beslissing dd. 11 januari 2001 van de gevolmachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken volkomen heeft gevolgd”; dat verzoeker stelt dat “het verbod van machtafwending verbiedt dat eender welk overheidsor- gaan zijn wettelijk voorziene macht om de rechtsmiddelen die verzoekende partij heeft aangewend, zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen”; dat verzoeker betoogt dat het Commissariaat-generaal “haar macht heeft afgewend om de volgehouden stellingen van verzoekende partij niet te moeten onderzoeken, (...) op een manier die wettelijk van het Commissariaat-Generaal mag worden verwacht”; 2.6.
  28. Overwegende dat machtafwending inhoudt dat een bestuurlijke overheid de bevoegdheid die haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een welbepaalde doelstelling van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven, en wanneer deze ongeoorloofde doelstelling het enige doel is van de betrokken bestuurshande- XIV-12.384-9/11 ling; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, zijnde het controleren van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; Overwegende dat het zesde middel ongegrond is;
  29. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  30. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-12.384-10/11 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.384-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.937 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.