← België

Arrest 152938 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.938 Rolnummer: A. 128762/XIV-12386 Zaak: Arrest 152938 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:55 Fiche Arrest nr 152.938 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.938 van 20 december 2005 in de zaak A. 128.762/XIV-12.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat T. HERMANS, kantoor houdende te 9300 AALST, Leopoldlaan 32 A, bus 1/2 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 januari 1967 en van Joegoslavische nationaliteit, op 30 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 30 september 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 19 november 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 4 juli 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 juli 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-12.386-1/9 Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. HERMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 4 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
  4. Op 11 januari 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 30 september 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Aangezien u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot, aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan met betrekking tot uw asielaanvraag evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingen- conventie. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-12.386-2/9 2.1.
  7. Overwegende dat verzoekster een eerste middel put uit de “schending van het recht van verdediging, door een gebrek, onduidelijkheid en dubbelzinnigheid in de motivering van de beslissing; dat verzoekster in casu de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.
  8. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat het niet volstaat om louter te verwijzen naar de beslissing van 11 januari 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, teneinde haar de hoedanigheid van vluchteling te weigeren; dat verzoekster stelt dat geen van de door de Commissaris-generaal aangewende motieven volstaan als weigeringsgrond; dat verzoekster uiteenzet dat de internationale gemeenschap er tot op heden niet in slaagt de orde en veiligheid in Kosovo te handhaven; dat verzoekster aanvoert dat het argument van de Commissaris-generaal dat haar echtgenoot, op de Dienst Vreemdelingenzaken en in zijn verzoek tot dringend beroep, geen melding heeft gemaakt van de door hem tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal aangehaalde bedreigingen van en conflicten met leden van de PDK, niet kan worden aanvaard; dat verzoekster stelt dat zij en haar echtgenoot niet wisten dat het gesprek voor de Dienst Vreemdelingenzaken een interview betreffende hun asielaanvraag was; dat verzoekster betoogt dat zij en haar echtgenoot door de stress en de vermoeidheid van de reis, niet in staat waren een behoorlijk interview af te leggen; dat verzoekster aanvoert dat het niet volstaat te verwijzen naar één enkele tegenstrijdigheid in de diverse opeenvolgende verklaringen die zij en haar echtgenoot tijdens de asielprocedure hebben afgelegd; dat verzoekster tenslotte aanvoert dat er van tegenstrijdigheid geen sprake is; 2.1.
  9. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de XIV-12.386-3/9 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
  10. van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat : - de asielaanvraag van verzoekster volledig steunt op de door haar echtgenoot aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door de Commissaris-generaal een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen; dat bijgevolg met betrekking tot verzoeksters asielaanvraag evenmin kan worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoekster grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het niet volstaat om aan de hand van algemene beweringen te verwijzen naar een bepaalde toestand in het land van herkomst; dat verzoekster als dusdanig niet aantoont dat zijzelf persoonlijk of systematisch wordt vervolgd en dat de Commissaris-generaal op basis van de feitelijke gegevens van de persoonlijke dossiers van verzoekster en van haar echtgenoot kon besluiten dat er in casu ten opzichte van verzoekster en haar echtgenoot geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie aanwezig is; dat verzoekster niet kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat zij en haar echtgenoot niet wisten dat het gesprek op de Dienst Vreemdelingenzaken een interview was in het kader van hun asielaanvraag; dat verzoekster en haar echtgenoot iedere bladzijde van het verhoorverslag hebben ondertekend; dat zij tevens de laatste bladzijde hebben ondertekend en hebben verklaard dat de inhoud van het verslag overeenstemt met de inlichtingen die zij hebben gegeven; dat hieruit blijkt dat het niet ging om een gewoon en oppervlakkig gesprek; dat het feit dat verzoekster en haar echtgenoot stress hadden en vermoeid waren, evenmin een verklaring biedt voor het feit dat zij niet in staat zouden zijn geweest een behoorlijk interview af te leggen; dat iedere kandidaat-vluchteling enigszins onder stress staat; dat uit het verhoorverslag blijkt dat het interview op een normale wijze plaatsvond; dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat de leemten in hun asielrelaas het gevolg zijn van vermoeid- heid en stress; dat, waar verzoekster stelt dat het niet volstaat te verwijzen naar één enkele tegenstrijdigheid in de opeenvolgende verklaringen die verzoekster en haar echtgenoot tijdens de asielprocedure hebben afgelegd, wordt overwogen dat de bestreden beslissing als één geheel moet worden gelezen en niet als van elkaar losstaande elementen; dat de XIV-12.386-4/9 Commissaris-generaal tot de onontvankelijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de overwegingen vervat onder punt 2.1.
  11. van dit arrest; dat verzoekster niet kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat er geen sprake is van enige tegenstrijdigheid; dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat er een tegenstrijdigheid is tussen de verklaringen die de echtgenoot van verzoekster heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdeling- enzaken en die hij heeft afgelegd op het Commissariaat-generaal; dat in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken wordt vermeld dat verzoekster en haar echtgenoot na de oorlog waren ingetrokken in de woning van een vriend (Gzim RUFICI), en dat die vriend hen, na zijn terugkeer in september 2000, vroeg de woning te verlaten; dat in het verhoorverslag van de Commissaris-generaal evenwel wordt vermeld dat verzoekster en haar echtgenoot een woning huurden van Agrim SFARSHKU; dat de Commissaris-generaal hieruit op goede gronden kon afleiden dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de verklaringen die de echtgenoot van verzoekster heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdeling- enzaken en de verklaringen die hij heeft afgelegd voor de Commissaris-generaal; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  12. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling- en, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.2.
  13. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal de verplichting heeft om na te gaan of er sprake is van bedreiging van het leven en de vrijheid van verzoekster bij een eventuele terugkeer naar Kosovo; dat verzoekster stelt dat uit de feitelijke gegevens blijkt dat deze verplichting niet op bevredigende wijze werd nageleefd; 2.2.
  14. Overwegende dat, waar verzoekster een schending inroept van het non- refoulement beginsel, blijkt dat artikel 33 van de Vluchtelingenconventie een verbod tot uitzetting of terugleiding inhoudt dat enkel betrekking heeft op beslissingen op grond waarvan de vreemdeling, die zich vluchteling heeft verklaard of als dusdanig is erkend, verplicht zou worden naar zijn land van herkomst terug te keren; dat erkende vluchtelingen en kandidaat- vluchtelingen zich eveneens dienen te beroepen op artikel 56 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster dit artikel niet heeft ingeroepen zodat de schending van voormeld artikel 33 niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.3.
  15. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; XIV-12.386-5/9 2.3.
  16. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal, op basis van de hem ter beschikking gestelde elementen, niet wettig kon beslissen dat geen verder onderzoek noodzakelijk was; dat de beslissing van 11 januari 2001 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf, was gebaseerd op de overweging dat er geen ernstige aanwijzingen voorhanden zijn van vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, hoewel verzoekster in het verzoekschrift tot dringend beroep aanvoert dat dergelijke aanwijzingen wel voorhanden zijn, de bestreden beslissing de overwegingen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken zonder meer overneemt; 2.3.
  17. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat echter wel is vereist dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat verzoekster en haar echtgenoot, bij het indienen van hun dringend beroep, derhalve de mogelijkheid hadden hun relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat de echtgenoot van verzoekster van deze mogelijkheid heeft gebruik gemaakt; dat, hoewel er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen, uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal verzoekster en haar echtgenoot uitvoerig heeft gehoord; dat zij op het einde van het verhoor instemmend hebben geantwoord op de vraag of zij al hun problemen hebben verteld, en op de vraag of zij de mogelijkheid hebben gehad om in detail over hun recente problemen te praten; dat de schending van artikel 63/3 van de Vreemdeling- enwet derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.4.
  18. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 3 en 5, lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); 2.4.
  19. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat zij op basis van de bestreden beslissing zal worden onderworpen aan behandelingen die ingaan tegen de rechten van de mens; dat verzoekster stelt dat het Commissariaat-generaal van de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing geen rekening houdt met de vluchtredenen en de mensenrechtensituatie in Kosovo; 2.4.
  20. Overwegende dat, waar verzoekster een schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van het E.V.R.M.,wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel, waar uitvoerig werd vastgesteld dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielrelaas, aangezien zij zich baseerde op de motieven die werden aangehaald door haar echtgenoot en diens asielaanvraag XIV-12.386-6/9 door de Commissaris-generaal kennelijk ongegrond en bedrieglijk werd verklaard; dat uit de analyse van het vierde middel ook blijkt dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet op goede gronden tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoekster heeft besloten; dat zij niet aantoont dat de bestreden beslissing, die niet behept is met een onwettigheid, de artikelen 2 en 3 van het E.V.R.M. schendt; Overwegende dat, waar verzoekster een schending aanvoert van artikel 5 van het E.V.R.M., wordt vastgesteld dat verzoekster zich beperkt tot het summier aanhalen van de bepaling die zij geschonden acht indien de bestreden beslissing zou worden uitgevoerd, maar nalaat aan te duiden op welke wijze deze bepaling concreet door de bestreden beslissing zou worden geschonden; dat verzoekster zich beperkt tot vage beweringen, zonder deze concreet te betrekken op de werkelijke vaststellingen van de bestreden beslissing, noch op haar persoonlijke situatie; dat verzoekster haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissing niet op goede gronden heeft genomen; Overwegende dat het vierde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.5.
  21. Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel; 2.5.
  22. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de beslissing van de Commissaris-generaal door een zorgvuldig onderzoek moet worden voorafgegaan; dat verzoekster stelt dat voormelde beslissing van de Commissaris-generaal een beslissing moet zijn die door ieder ander redelijk denkend mens of orgaan zou kunnen worden genomen en die men als een redelijk verantwoorde beslissing zou kunnen zien en aanvaarden; 2.5.
  23. Overwegende dat waar verzoekster een schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, kan worden verwezen naar de analyse van de vorige middelen, waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal het asielrelaas van verzoekster en haar echtgenoot grondig heeft onderzocht en rekening heeft gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat verzoekster niet aantoont dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat het vijfde middel ongegrond is; 2.6.
  24. Overwegende dat verzoekster in een zesde middel een schending aanvoert van het verbod van machtsafwending; XIV-12.386-7/9 2.6.
  25. Overwegende dat verzoekster aanvoert dat “de bestreden beslissing werd ingegeven om andere dan wettelijke motieven door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, nu deze de eerste beslissing dd. 11 januari 2001 van de gevolmachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken volkomen heeft gevolgd.”; dat verzoekster stelt dat “het verbod van machtafwending verbiedt dat eender welk overheidsor- gaan zijn wettelijk voorziene macht om de rechtsmiddelen die verzoekende partij heeft aangewend, zou misbruiken om mee te werken aan een bepaald overheidsbeleid inzake vluchtelingen en vreemdelingen.”; dat verzoekster betoogt dat het Commissariaat-generaal “haar macht heeft afgewend om de volgehouden stellingen van verzoekende partij niet te moeten onderzoeken, (...) op een manier die wettelijk van het Commissariaat-Generaal mag worden verwacht.”; 2.6.
  26. Overwegende dat machtafwending inhoudt dat een bestuurlijke overheid de bevoegdheid die haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een welbepaalde doelstelling van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven, en wanneer deze ongeoorloofde doelstelling het enige doel is van de betrokken bestuurshande- ling; dat verzoekster het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid afwendt van het doel waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, zijnde het controleren van asielrelazen op hun geloofwaardigheid in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; Overwegende dat het zesde middel ongegrond is;
  27. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.386-8/9 BESLUIT: Artikel
  28. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  29. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-12.386-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.