id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.939 Rolnummer: A. 122171/XIV-10335 Zaak: Arrest 152939 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:55 Fiche Arrest nr 152.939 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.939 van 20 december 2005 in de zaak A. 122.171/XIV-10.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat C. DIERCKX, kantoor houdende te 4020 LUIK, Quai du Condroz 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 mei 1972 en van Indische nationaliteit, op 6 juni 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 mei 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 28 mei 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 3 januari 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 11 januari 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 16 november 2005 om 10.00 uur; XIV-10.335-1/8 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VAN CUTSEM die, loco Advocaat C. DIERCKX verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 4 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 november
- 1.
- Op 13 december 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 mei 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Indische moslim afkomstig uit Narayanpet, Andhra Pradesh. Sedert 1996 bent u lid van de jeugdafdeling van de Congrespartij. U woonde vergaderingen bij en werfde leden voor de partij. Op 28 augustus 2000 nam u deel aan een betoging in Hyderabad. Er werd geprotesteerd tegen de hoge elektriciteitsprijzen waarvoor de regerende TDP- partij verantwoordelijk werd geacht. Alle oppositiepartijen waren op de betoging aanwezig. Toen de politie de aanwezige voormannen van de oppositiepartijen arresteerde, ontaardde de betoging. De politie vuurde traangasgranaten af en de betogers gooiden met stenen en staken wagens in brand. Er werd op de politie geschoten, vermoedelijk door leden van de Naksalite-partij. In paniek verliet u hierop de betoging en keerde naar uw dorp terug. Een week later kwam de politie echter naar uw huis en ze maakten uw vader duidelijk dat u ervan verdacht werd lid te zijn van de Naksalite- partij en dat u diegene was die tijdens de betoging naar de politie geschoten had. U bevond zich die dag bij een vriend in Mehboub Nagar en u verbleef bij hem tot 20 september
- Op die dag vluchtte u naar Bombay. Per telefoon vernam u van uw vader dat de politie nog steeds naar u op zoek (waren) XIV-10.335-2/8 (was, en dat) uw vader en moeder twee dagen door de politie waren vastgehouden. Daarnaast ontvingen uw ouders dreigementen van leden van de Naksalite-partij, die vermoedden dat u hen aan de politie aangegeven had. De situatie werd onhoudbaar voor uw ouders en ze verhuisden naar Hyderabad. In Bombay contacteerde u een reishandelaar die u van het valse paspoort voorzag waarmee u op 4 november 2000 naar Parijs reisde. U reisde meteen door naar België en vroeg er op 21 november 2000 asiel aan. Er dient vooreerst vastgesteld (te) worden dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd door tegenstrijdigheden tussen uw verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS). Zo stelde u tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in 1996 jeugdvoorzitter werd van de afdeling van de Congrespartij in Narayanpet (zie verhoorverslag DVZ, nr 42, p.1). Op het Commmissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat u zich in 1996 als lid aansloot bij de jeugdafdeling van de Congrespartij en dat u er nooit een hogere functie bekleedde (zie verhoorverslag CGVS, p. 3). Voorts beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat diegene die een geweerschot richting politie afvuurde vlakbij u stond (zie verhoorverslag DVZ, nr 42, p.2 en 3). Tegenstrijdig daarmee verklaarde u op het Commissariaat-generaal dat u het geweerschot alleen gehoord heeft (zie verhoorverslag CGVS, p. 5) en dat het moeilijk te zien is wie er schiet in een betoging van 200 à 300.000 demonstranten (zie verhoorverslag CGVS, p. 6). Vervolgens beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw moeder, vader en zus gearresteerd werden en gedurende twee dagen vastgehouden en gemarteld werden (zie verhoorverslag DVZ, nr 42, p.3 en 4). Op het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat enkel uw vader en uw moeder gearresteerd en vastgehouden zijn (zie verhoorverslag p. 8 en p.10). U vermeldde in dringend beroep in verband met deze arrestatie niet dat uw ouders geslagen en gemarteld werden en stelde enkel dat uw vader u over deze arrestatie niet veel wilde vertellen. Voorts verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u alvorens op 20 september 2000 naar Bombay af te reizen ondergedoken leefde op verschillende plaatsen in Narayanpet (zie verhoorverslag DVZ, nr 42, p.3). Tegenstrijdig hiermee verklaarde u op het Commissariaatgeneraal dat u tot 20 september 2000 bij uw vriend in Mehboub Nagar verbleef. (zie verhoor-verslag CGVS, p. 7). De door u in het kader van de asielaanvraag neergelegde documenten (arrestatiebevel uitgevaardigd op 10 december in Hyderabad, een brief van uw vader, een kopie van uw lidkaart van de Congrespartij, een brief van uw advocaat in India en krantenartikels met foto’s van de betoging), tenslotte, zijn, gezien de bedrieglijkheid van uw asielaanvraag, niet van die aard om bovenstaande vaststellingen te wijzigen. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de in de bestreden beslissing door het Commissariaat-generaal aangehaalde argumenten niet van die aard zijn de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker zwaarwichtig te ondermijnen; dat verzoeker stelt dat hij tijdens zijn verhoor op het Commissariaat-generaal werd bijgestaan door een Pakistaanse tolk die geen Urdu sprak, terwijl de taal die verzoeker spreekt een combinatie van Hindi en Urdu is; dat verzoeker uiteenzet dat de tegenstrijdigheden het gevolg zijn van de gebrekkige vertaling van het asielrelaas; dat verzoeker bewijzen aanbrengt die zijn asielrelaas zouden ondersteunen, en waaruit zou blijken dat verzoeker, in zijn land van oorsprong, wel degelijk wordt bedreigd en vervolgd; dat verzoeker stelt dat hij zich, voor bescherming, niet kan wenden tot de autoriteiten van zijn land, vermits hij precies door deze autoriteiten wordt bedreigd; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie XIV-10.335-3/8 betreft van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien verzoeker niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de “schending van de algemene rechtsbeginselen ‘nemo judex in causa sua’, ‘justice should not only be done, it must also be seen to be done’ en ‘Likelihood of bias’, zie art. 57/2 van de Wet van 15.12.1980 en art. 6 van het EVRM.”; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat voormelde beginselen gegrond zijn op de vrees dat “de rechters niet in alle objectiviteit hebben geoordeeld”; dat verzoeker stelt dat voormelde beginselen tot doel hebben de schijn van partijdigheid van de rechter en van de administratie te vermijden; dat verzoeker overweegt dat de inbreuk op deze beginselen niet vereist dat het bewijs van de partijdigheid wordt geleverd, maar dat een schijn van partijdigheid volstaat; dat verzoeker betoogt dat “het middel genomen uit een niet- naleving van deze beginselen (...) van openbare orde (is).”; dat verzoeker uiteenzet dat, overeenkomstig artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet, de Commissaris-generaal en zijn adjuncten hun beslissingen nemen en hun adviezen verlenen in alle onafhankelijkheid; dat verzoeker aanvoert dat de heer Pascal SMET, voordat hij werd benoemd tot Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken, “die de beslissingen nam waartegen verzoekers een dringend beroep instelden bij het Commissariaat-generaal”; dat verzoeker stelt dat dit een voldoende schijn van partijdigheid is; Overwegende dat, waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet onpartijdig is, wordt vastgesteld dat verzoeker nalaat in concreto aan te tonen dat er sprake is van partijdigheid; dat de omstandigheid dat de Commissaris-generaal voordien kabinetschef was van de Minister van Binnenlandse Zaken, die de beslissing heeft genomen waartegen verzoeker bij het Commissariaat-generaal dringend beroep heeft ingediend, op zich niet volstaat om een schijn van partijdigheid met zich mee te brengen; dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de asielaanvraag van verzoeker niet individueel en objectief zou zijn behandeld; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de heer Pascal SMET als kabinetschef persoonlijk zou hebben deelgenomen aan de totstandkoming van de beslissingen genomen door de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de onpartijdigheid van de Commissaris-generaal bovendien wettelijk is vastgesteld, hetgeen XIV-10.335-4/8 wordt bevestigd door het feit dat de Minister van Binnenlandse Zaken zijn hiërarchisch gezag niet kan laten gelden ten opzichte van de beslissingen van de Commissaris-generaal; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (EVRM), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het EVRM niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het EVRM inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het tweede middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat het tweede middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de Vluchtelingenwet, en van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij een uitgebreid en gedetailleerd relaas heeft gegeven; dat verzoeker stelt dat de beweerde tegenstrijdigheden veeleer het resultaat zijn van een gebrekkige vertaling door een Pakistaanse tolk die het Urdu niet machtig is; dat verzoeker betoogt dat het Commissariaat-generaal niet aantoont dat deze tegenstrijdigheden zodanig zwaarwichtig zijn dat zij het relaas van verzoeker ernstig ondermijnen; dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal zich ertoe beperkt te overwegen dat de neergelegde stukken niet van aard zijn de vaststellingen te wijzigen, zonder verdere uitleg of motivering; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; XIV-10.335-5/8 Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij bedrieglijk is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat: - de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas wordt ondermijnd door tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat- generaal: tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken stelde verzoeker dat hij in 1996 jeugdvoorzitter werd van de afdeling van de Congrespartij in Narayanpet; op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker daarentegen dat hij zich in 1996 als lid aansloot bij de jeugdafdeling van de Congrespartij en dat hij er nooit een hogere functie bekleedde; - op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat diegene die een geweerschot richting politie afvuurde vlakbij hem stond; op het Commissariaat-generaal verklaarde hij evenwel dat hij het geweerschot enkel heeft gehoord, en dat het moeilijk te zien is wie er schiet in een betoging van 200 à 300.000 demonstranten; - op de Dienst Vreemdelingenzaken beweerde verzoeker dat zijn moeder, vader en zus werden gearresteerd en gedurende twee dagen werden vastgehouden en gemarteld; op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker daarentegen dat enkel zijn vader en zijn moeder werden gearresteerd en vastgehouden; in verband met deze arrestatie vermeldde verzoeker in dringend beroep niet dat zijn ouders werden geslagen en gemarteld en stelde hij enkel dat zijn vader hem over deze arrestatie niet veel wilde vertellen; - op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij, alvorens op 20 september 2000 naar Bombay af te reizen, ondergedoken leefde op verschillende plaatsen in Narayanpet; op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker evenwel dat hij tot 20 september 2000 bij zijn vriend in Mehboub Nagar verbleef; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij zijn asielaanvraag heeft verzocht om de bijstand van een tolk die het Hindi machtig is en dat XIV-10.335-6/8 hij deze bijstand heeft gekregen bij beide verhoren; dat het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken aan verzoeker werd voorgelezen in het Urdu-Hindi; dat verzoeker elke pagina van zijn asielrelaas heeft ondertekend; dat verzoeker ook de laatste pagina van het verslag heeft ondertekend, en daarmee aangaf dat verslag overeenstemt met de inlichtingen die hij heeft gegeven, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat verzoeker op dat ogenblik geen enkele opmerking heeft gemaakt over mogelijke vertaalproblemen; dat uit het administratief dossier evenmin blijkt dat verzoeker op het Commissariaat-generaal blijk zou hebben gegeven van problemen met de tolk; dat verzoeker geen concrete gegevens aanvoert waaruit blijkt dat de door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden het resultaat zouden zijn van een gebrekkige vertaling door de Pakistaanse tolk die het Urdu niet machtig is; dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij aanvoert dat de tegenstrijdigheden niet voldoende zwaarwichtig zijn, vermits zij betrekking hebben op essentiële elementen uit verzoekers asielrelaas; dat, waar verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal zich er, zonder verdere uitleg of motivering, toe beperkt te stellen dat de neergelegde stukken niet van aard zijn de vaststellingen te wijzigen, de in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen besloten plicht tot uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende administratieve overheid de motieven van haar overwegingen moet vermelden; dat de vaststelling dat de documenten die verzoeker in het kader van zijn asielaanvraag heeft neergelegd, gezien de bedrieglijkheid van zijn asielaanvraag, de vaststellingen van de Commissaris-generaal niet kunnen weerleggen, een afdoende motivering uitmaakt; dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van verzoeker grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, afdoende en pertinente motieven; dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: XIV-10.335-7/8 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.335-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div