← België

Arrest 152941 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.941 Rolnummer: A. 115580/XIV-8119 Zaak: Arrest 152941 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 06:55 Fiche Arrest nr 152.941 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.941 van 20 december 2005 in de zaak A. 115.580/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BOWMAN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Van Eycklei 45 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 februari 1943 en van Joegoslavische nationaliteit, op 26 december 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 november 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 31 januari 2002 waarbij aan de verzoeken- de partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de tweede verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 11 juli 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 12 juli 2005; XIV-8119-1/7 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat P. BOWMAN verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. De verzoekende partij komt België binnen op 20 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 februari
  6. 1.
  7. Op 6 november 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  8. Op 29 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (...). Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Rom-Zigeuner afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Deçan. U bent tijdens de Kosovo-crisis met uw gezin naar Montenegro gevlucht, waar u hebt XIV-8119-2/7 verbleven tot de zomer van
  9. Nadat u daar gehoord had dat de oorlog in Kosovo was beëindigd, bent u naar uw woonplaats in Deçan, Kosovo teruggekeerd. Een paar dagen na uw terugkeer, zijn er drie leden van het UCK (Kosovaars Bevrijdingsfront) naar uw huis gekomen en deze hebben gezegd dat er voor Roma’s geen plaats meer is in Kosovo. U bent vervolgens geslagen, waarop uw vrouw is tussengekomen. Vervolgens zouden uw vrouw en zoon zijn doodgeschoten. Nog diezelfde avond bent u te voet vertrokken naar Rozhaje, Montenegro, waar u de bus hebt genomen naar Titograd, Montenegro. U hebt daar in het vluchtelingenkamp Konic een deel van de winter van 1999-2000 doorgebracht, waarna u - omwille van de slechte levensomstandigheden in het kamp - bent doorgereisd naar Sarajevo, Bosnië. Daar hebt u ongeveer 15 dagen verbleven, waarna u naar België bent gereisd, waar u op 21 februari 2000 asiel aanvroeg. U beschikt over een Joegoslavische identiteitskaart. Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u de Joegoslavische Federatie verlaten hebt omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. U verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken Deçan (Kosovo) voor de laatste maal te zijn ontvlucht eind augustus 1999 (op het Commissariaat-generaal stelde u de precieze datum niet te weten), meer bepaald na de moord op uw vrouw en dochter. U bent toen onmiddellijk gevlucht naar Podgorica, Montenegro. U hebt in Montenegro verbleven tot uw vertrek naar Sarajevo, Bosnië, waar u gedurende ongeveer twee weken verbleven zou hebben. U kwam in België aan in februari
  10. Hieruit blijkt dat u na uw vlucht uit Kosovo minstens vier maanden in Montenegro hebt verbleven. Over uw verblijf daar verklaarde u dat u er geen problemen hebt gekend (verhoorverslag p. 7) en er dient dan ook gesteld dat u een lange tijd in Montenegro hebt verbleven (zowel tijdens de oorlog in Kosovo als na uw laatste vlucht uit Deçan) zonder problemen te hebben gekend in de zin van de Conventie van Genève. De motieven door u aangehaald om Montenegro te ontvluchten (slechte levensomstandigheden in het vluchtelingen- kamp) zijn van louter socio-economische aard en ressorteren als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. (...).”.
  11. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevat die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 3.1.
  12. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 14 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, en van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat verzoeker aanvoert dat artikel 14 van voornoemd verdrag aan iedereen het recht geeft om asiel te zoeken en te verkrijgen in andere landen; dat verzoeker stelt dat hij in zijn geboorteland werd bedreigd en mishandeld omwille van etnische redenen, met name zijn Roma-afkomst, en dat hij enkel zijn mondelinge verklaringen heeft om dit te staven; dat verzoeker betoogt dat hij, gezien de omstandigheden het voordeel van de twijfel moet krijgen en dat zijn asielaanvraag ten onrechte bedrieglijk en kennelijk vreemd aan de criteria van de Vluchtelingenconventie werd verklaard; XIV-8119-3/7 3.2.
  13. Overwegende dat verzoeker in België asiel heeft kunnen aanvragen en dat er een onderzoek werd gevoerd naar deze asielaanvraag; dat de rechten van verzoeker in dit verband gevrijwaard zijn; dat de Universele Verklaring voor de Rechten van de mens een beginselverklaring is waarvan verzoeker de schending niet dienstig kan inroepen; Overwegende dat verzoeker niet aanduidt welk artikel van de Vluchtelingenconventie zou zijn geschonden; dat dit onderdeel van het middel onontvan- kelijk is; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is; 3.2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van het beginsel van behoorlijk bestuur, met name het redelijkheidsbeginsel; van de formele motiveringplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende werd gemotiveerd omdat uit een grondige studie van het dossier blijkt dat verzoeker wel gelijklopende verklaringen heeft afgelegd; dat verzoeker stelt dat de verschillende data te wijten zijn aan zijn ongeschooldheid en aan het feit dat hij veel heeft geleden tijdens de oorlog; dat verzoeker betoogt dat zijn verklaringen niet bedrieglijk zijn en dat hij het voordeel van de twijfel moet krijgen gezien de huidige toestand in Kosovo; dat verzoeker tevens aanvoert dat zijn relaas ernstige en aantoonbare gronden bevat die wijzen op een risico van schending van de Vluchtelingenconventie omdat verzoeker een subjectieve vrees kent voor zijn fysieke integriteit en die van zijn gezin in geval van terugkeer; dat verzoeker aanvoert dat hij vreest voor discriminatoire acties van de Kosovaarse autoriteiten tegen Roma-zigeuners en dat hij daarom niet de bescherming van zijn land kan inroepen; dat verzoeker verwijst naar een arrest van het Arbeidshof te Luik en naar een uitspraak van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen die verwijzen naar de situatie in Kosovo, en naar de Proceduregids van het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties; dat verzoeker hieraan toevoegt dat het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel geschonden zijn; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van XIV-8119-4/7 de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - verzoeker haalt onvoldoende feiten of motieven aan waaruit zou kunnen blijken dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij bij een eventuele terugkeer zulk een vrees dient te koesteren; - op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat hij Kosovo voor de laatste maal was ontvlucht eind augustus 1999; dat hij daarna naar Montenegro is gegaan en daar is gebleven tot zijn vertrek naar Sarajevo; dat verzoeker bijgevolg minstens vier maanden in Montenegro heeft verbleven en daar volgens zijn eigen verklaring geen problemen heeft gekend; - de motieven om Montenegro te ontvluchten zijn van sociaal-economische aard en ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat in de bestreden beslissing niet wordt vermeld dat verzoeker tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd; dat zijn opmerkingen in dit verband niet terzake dienend zijn; Overwegende dat verzoeker zich beperkt tot de ontkenning van het bedrieglijk en kennelijk ongegrond karakter van zijn asielaanvraag en dat hij tevens verwijst naar de algemene oorlogstoestand in Kosovo; dat verzoeker de aangehaalde rechtspraak niet op zijn persoonlijke situatie betrekt; dat deze algemene beweringen, die verzoeker niet staaft met concrete gegevens, geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de Commissaris- generaal; dat de bestreden beslissing duidelijk melding maakt van het feit dat verzoeker gedurende minstens vier maanden in Montenegro heeft verbleven waar hij geen problemen kende en Montenegro heeft verlaten omwille van sociaal-economische redenen; dat verzoeker deze vaststelling niet betwist; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat hij de bescherming van de Kosovaarse overheden niet kan inroepen wegens zijn Roma-afkomst; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat hij dit element niet heeft vermeld naar aanleiding van zijn asielaanvraag; dat verzoeker dit feitelijk gegeven niet voor het eerst kan aanvoeren voor de Raad van State; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en toegepast overeenkomstig de vigerende wetgeving in materiële zin van het Vreemdelingencontentieux; dat dit in casu het geval is, omdat uit de bestreden XIV-8119-5/7 beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van deze beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; Overwegende dat het motief ontleend aan artikel 52, § 1, 4/, van de Vreemdelingenwet, met name een verblijf van meer dan drie maanden in een ander veilig land, determinerend is en volstaat om de bestreden beslissing te dragen; Overwegende dat de bestreden beslissing bijgevolg steunt op pertinente, afdoende, terzake dienende en deugdelijke motieven; dat verzoeker de schending van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel niet uitwerkt; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is;
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-8119-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-8119-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.