id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.942 Rolnummer: A. 120909/XIV-9961 Zaak: Arrest 152942 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-03 06:56 Fiche Arrest nr 152.942 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.942 van 20 december 2005 in de zaak A. 120.909/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat K.-W. ADAM, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 22 augustus 1978 en van Joegoslavische nationaliteit, op 13 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 29 april 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 17 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 11 juli 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 12 juli 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-9961-1/9 Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K.-W. ADAM, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 20 februari 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 februari. 1.
- Op 28 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 29 april 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen bent u een Rom-zigeuner afkomstig uit Kosovo, meerbepaald uit Deçan. Op 27 maart 1999 zou het Servische leger alle inwoners van Deçan verplicht hebben te vertrekken omdat er bombardementen zouden komen. De volgende dag zou u met een aantal XIV-9961-2/9 Albanezen naar Titograd (Montenegro) vertrokken zijn. U zou daar drie maanden en twee weken in een tent verbleven hebben. Eind juni zou u terug naar Deçan gegaan zijn en daar twee weken verbleven hebben. Vier gemaskerde mannen zouden naar uw huis zijn gekomen en zouden u, uw broer en uw ouders gezegd hebben het huis te verlaten vóór 17 uur. Om 17 uur zouden ze teruggekomen zijn en jullie geslagen hebben. Uw broer en uw moeder zouden gedood zijn. U vermoedt dat uw broer vermoord werd omdat hij met de Serviërs zou hebben meegeheuld. U beweerde niet te weten wat er verder met hen gebeurd zou zijn, aangezien u en uw vader onmiddellijk moesten vertrekken. Ook achteraf zou u niets meer over hen hebben vernomen. U zou geen klacht hebben ingediend bij de politie omdat Roma in het algemeen niet graag gezien zijn. U zou zelf nooit problemen met de politie hebben gehad. Vervolgens zou u naar Peje vertrokken zijn waar u twee weken verbleven zou hebben bij een kennis. Daarna zou u opnieuw naar Titograd vertrokken zijn, waar u drie maanden bij uw neef zou verbleven hebben. Vervolgens zou u - omdat u in Montenegro een gebrek had aan materiële middelen - naar Sarajevo gegaan zijn en daar zou u twee of drie weken bij een vriend van uw vader verbleven hebben. Begin 2000 zou u in België aangekomen zijn en op 21 februari 2000 hebt u asiel aangevraagd. Er dient gewezen te worden op een aantal tegenstrijdigheden en inconsequenties tussen uw opeenvolgende verklaringen. Zo beweerde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u één broer, G., en twee zussen heeft, M. en L.. Op het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u één broer, deze keer Arsen genaamd, en twee zussen, X. (andere naam dan op de Dienst Vreemdelingenzaken) en L. te hebben. Bovendien beweerde u de zoon te zijn van M. D. en N. H.. Uit het administratief dossier van M. D. blijkt echter dat deze geen (enkel) gewag maakt van uw bestaan. Hij beweerde daarentegen twee dochters, .en F., en één zoon, I., te hebben. Tot slot kan hier nog aan toegevoegd worden dat u ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken geen (enkel) gewag maakte van de moord op uw moeder en uw broer, wat toch een zeer ingrijpend feit is. U verklaarde trouwens op de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw enige broer, Gezim, zich in Italië bevindt (verhoor DVZ vraag 28). Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat niet het minste geloof gehecht kan worden aan uw beweerde (familiale) afkomst en uw vluchtrelaas. Door een bedrieglijke afkomst voor te wenden, hebt u getracht de Belgische autoriteiten op intentionele wijze te misleiden. Fraus omnia corrumpit. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen hebt aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat u de Joegoslavische Federatie verlaten hebt omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u alsnog bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. U kon immers twee keer gedurende meer dan drie maanden in Montenegro verblijven zonder problemen in de zin van de Geneefse Conventie. Een gebrek aan materiële middelen is een probleem van socio-economische aard, dat als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert. (...).”. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift geen voldoende uiteenzetting van de feiten bevat die het moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen; Overwegende dat het niet is vereist hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota tevens een exceptie van onontvankelijkheid aanvoert wegens het ontbreken van het rechtens vereiste wettelijk belang, omdat de verzoekende partij bewust heeft gepoogd de Belgische overheden te misleiden; XIV-9961-3/9 Overwegende dat uit de bestreden beslissing en uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker in het kader van zijn asielaanvraag bedrieglijke verklaringen heeft afgelegd en dat zijn asielaanvraag daarom wordt afgewezen; dat op basis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de bedrieglijkheid één van de criteria is op basis waarvan een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard, zodat de fraude die verzoeker pleegde, betrekking heeft op de inhoud van zijn asielrelaas; dat verzoeker de mogelijkheid moet hebben om de beslissing van de Commissaris-generaal voor de Raad van State aan te vechten; dat de Raad van State in casu overgaat tot een onderzoek van de middelen aangevoerd in de verzoekschriften; dat het beroep ontvankelijk is en dat de exceptie van de verwerende partij wordt verworpen; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat verzoeker vooreerst aanvoert dat hij geen verschillende voornamen heeft vermeld van familieleden en mocht dit toch het geval zijn, dit uitsluitend te wijten is aan problemen inzake de vertaling; dat verzoeker aanvoert dat zijn verklaringen werden vergeleken met die van zijn vader, die echter een ziekte heeft met vermindering van geestelijke vermogens; dat verzoeker in dit verband een medisch attest voorlegt; dat verzoeker vervolgens aanvoert dat er geen tegenstrijdigheid mag worden afgeleid uit het feit dat verzoeker niet meer weet of hij op 27 of op 29 maart 1999 Deçan heeft verlaten; dat verzoeker stelt dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat zijn asielrelaas tegenstrijdigheden inhoudt die van wezenlijke aard zijn voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn asielaanvraag; dat verzoeker na traumatische ervaringen zijn geboorteland is ontvlucht wat voor psychische spanningen heeft gezorgd, wat minieme tegenstrijdigheden kan verklaren; dat verzoeker tenslotte aanvoert dat de Commissaris-generaal, door te stellen dat verzoeker enkel asiel heeft aangevraagd om socio-economische redenen, voorbijgaat aan de vervolgingen, bedreigingen en het geweld waaraan verzoeker blootgesteld is geweest, en tevens aan de moord op verzoekers moeder en broer; dat verzoeker aanvoert dat hij deze moorden wel heeft vermeld op de Dienst Vreemdelingenzaken en mocht dit niet opgenomen zijn in het verhoorverslag, dit enkel te wijten kan zijn aan het niet vertalen of het niet neerschrijven ervan; dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal ervan uitgaat dat de bedreigingen en het geweld werden gepleegd door andere dan Joegoslavische autoriteiten, terwijl verzoeker had verklaard dat zijn broer werd vermoord omdat hij had mee geheuld met de Serviërs; dat verzoeker hieraan toevoegt dat werd voorbij gegaan aan het feit dat hij een Rom-zigeuner is; 3.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de XIV-9961-4/9 beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - de verklaringen van verzoeker bevatten tegenstrijdigheden en inconsequenties: - verzoeker beweerde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij één broer en twee zussen heeft; op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beweerde hij één broer en twee zussen te hebben, maar deze keer gaf hij andere namen op; - verzoeker beweerde de zoon te zijn van M. D. en N. H.; uit het administratief dossier van M. D. blijkt dat deze het bestaan van verzoeker niet vermeldt; M. D. beweerde twee dochters en één zoon, I., te hebben; - op de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldde verzoeker de moord op zijn moeder en zijn broer niet, en hij verklaarde dat zijn enige broer, G., zich in Italië bevindt; - hieruit volgt dat niet het minste geloof kan worden gehecht aan de beweerde familiale afkomst van verzoeker en aan zijn vluchtrelaas; door een bedrieglijke afkomst voor te wenden heeft verzoeker getracht de Belgische autoriteiten te misleiden, fraus omnia corrumpit; - er dient te worden opgemerkt dat verzoeker geen feiten of elementen heeft aangebracht waaruit zou kunnen blijken dat hij de Joegoslavische Federatie heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij alsnog een dergelijke vrees dient te koesteren bij een eventuele terugkeer: verzoeker kon immers twee keer gedurende meer dan drie maanden in Montenegro verblijven zonder problemen in de zin van de Vluchtelingenconventie, en een gebrek aan materiële middelen is een probleem van socio-economische aard, dat als dusdanig niet onder het toepassingsge- bied van de Conventie ressorteert; Overwegende dat uit de stukken van het dossier, met name het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft gemaakt over de tolk of over de vertaling; dat hij het verhoorverslag heeft ondertekend en dat uit de weergave van verzoekers verklaringen blijkt dat dit verhoor op correcte wijze is gebeurd; dat verzoeker in zijn gemotiveerd verzoekschrift in dringend beroep geen melding heeft gemaakt van problemen met de tolk of inzake de vertaling; dat uit het eerste verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoeker op de vraag hoe het interview verliep voor de Dienst Vreemdelingenzaken “goed” antwoordde; dat hij op het einde van dit interview antwoordde dat hij alle vragen had begrepen; dat verzoeker een tweede maal gehoord werd op het Commissariaat-generaal en dat hij tijdens dit interview XIV-9961-5/9 eveneens verklaarde dat hij alle vragen had begrepen, dat hij de tolk had begrepen en dat hij niets meer had toe te voegen; dat verzoeker bijgevolg de verschillen in voornamen van zijn familieleden, en het feit of zijn broer al dan niet is vermoord, niet kan wijten aan de vertaling; dat de verklaringen van verzoeker enkel met de verklaringen van zijn beweerde vader werden vergeleken voor wat betreft de namen van verzoekers broer en zussen en voor wat betreft de al dan niet vermeende verwantschap tussen verzoeker en de heer Metë Demaj; dat zelfs als zou M. D. problemen hebben om zich het één en ander te herinneren, de bestreden beslissing tevens melding maakt van tegenstrijdigheden tussen de verschillende verklaringen van verzoeker zelf (op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde verzoeker dat zijn broer in Italië verblijft, op het Commissariaat-generaal verklaarde verzoeker dat zijn broer is vermoord); dat de Commissaris-generaal bijgevolg op goede gronden heeft beslist dat niet het minste geloof kan worden gehecht aan verzoekers beweerde familiale afkomst; Overwegende dat voor het overige in de bestreden beslissing geen melding wordt gemaakt van tegenstrijdigheden; dat de opmerkingen van verzoeker in dit verband niet ter zake dienend zijn; Overwegende dat de bestreden beslissing melding maakt van het feit dat verzoeker twee maal gedurende meer dan drie maanden in Montenegro heeft verbleven waar hij naar eigen zeggen geen problemen kende en dit gebied heeft verlaten omwille van sociaal-economische redenen; dat dit motief volstaat om de asielaanvraag onontvankelijk te verklaren; dat verzoeker dit motief niet betwist; dat hij enkel kritiek uit in deze zin dat de sociaal-economische redenen gepaard gingen met geweld en met bedreigingen; dat dit evenwel geen afbreuk doet aan zijn verblijf van meer dan drie maanden in een ander land; dat hiertoe wordt verwezen naar artikel 52, § 1, 4/, van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van het feit dat verzoeker een Rom-zigeuner is; dat de asielaanvraag van verzoeker werd afgewezen op basis van andere motieven die, zoals blijkt uit wat voorafgaat, afdoende, pertinent terzake dienend en deugdelijk zijn; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald “de verplichting van de overheid om zich te informeren over alle elementen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het dossier en de verplichting van de overheid om uit deze feiten juiste gevolgtrekkingen af te leiden”; dat verzoeker aanvoert dat eventuele inconsequenties in zijn relaas te wijten zijn aan een onvolledig interview op het Commissariaat-generaal; dat het de taak is van het Commissariaat-generaal om alle elementen van de zaak na te gaan en verzoeker met gerichte vragen te helpen om zijn verhaal te reconstrueren; dat ten onrechte werd gesteund op verklaringen van de vader van verzoeker waarvan de Commissaris-generaal moest weten dat deze aan cerebrale stoornissen lijdt; XIV-9961-6/9 3.2.
- Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de Commissaris-generaal met kennis van zaken de bestreden beslissing heeft genomen; dat verzoeker werd gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat hij een gemotiveerd verzoekschrift in dringend beroep heeft ingediend en dat hij twee maal werd gehoord op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker bijkomende uitleg kon verschaffen; dat uit de analyse van het eerste middel blijkt dat de vergelijking met de verklaringen van de vermeende vader van verzoeker, geen doorslaggevende elementen betreffen; dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond kon worden verklaard uitsluitend op basis van de verklaringen van verzoeker; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de rechten van de verdediging; dat verzoeker aanvoert dat geen rekening werd gehouden met de argumenten die zijn asielaanvraag ondersteunen, en dat verzoeker, door de korte termijn tussen zijn asielaanvraag en de daaropvolgende beslissingen, in de onmogelijkheid verkeerde om bijkomende stukken voor te leggen; 2.3.
- Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker éénmaal is gehoord op de Dienst Vreemdeling- enzaken en tweemaal op het Commissariaat-generaal; dat verzoeker een gemotiveerd verzoekschrift in dringend beroep heeft ingediend; dat verzoeker gedurende de duur van zijn asielprocedure, van 21 februari 2000 tot 29 april 2002, bijkomende stukken kon neerleggen; dat verzoeker niet op goede gronden kan aanvoeren dat de bestreden beslissing te snel werd genomen; dat het derde middel ongegrond is; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker in wat als een vierde middel kan worden beschouwd, aanvoert dat hij werd ondervraagd door een Albanese tolk; dat verzoeker enkel de Servische taal en de Rom-taal machtig is; dat eventuele tegenstrijdigheden enkel te wijten zijn aan nuanceverschillen of aan het feit dat verzoeker het Albanees niet machtig is; 3.4.
- Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat verzoeker heeft verzocht om bijstand van een tolk Servo-Kroatisch; dat hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken als taal van oorsprong het Albanees heeft opgegeven; dat hij op de Dienst Vreemdelingenzaken werd verhoord in het Albanees; dat verzoeker op het Commissariaat-generaal werd verhoord in het Servo-Kroatisch en het Albanees; dat verzoeker, zoals blijkt uit de analyse van het eerste middel, tijdens de procedures geen melding heeft gemaakt van problemen met de tolk; dat het vierde middel ongegrond is; XIV-9961-7/9
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-9961-8/9 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9961-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.942 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.