id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.943 Rolnummer: A. 121735/XIV-10218 Zaak: Arrest 152943 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 06:56 Fiche Arrest nr 152.943 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.943 van 20 december 2005 in de zaak A. 121.735/XIV-10.
(1998). Op 10/08/2054 (25/12/1997) zou u donatielid geworden zijn van de “Maobadi”-partij. U zou echter geen activiteiten hebben uitgevoerd. Vanaf 2055 (1998-1999) zou u regelmatiger deelgenomen hebben aan acties van de ondertussen revolutionair geworden “ANNSFU-R”. Op 25/01/2055 (8 mei 1998) zou u te Kathmandu gehuwd zijn met XXX. Vanaf 02/2055 (juni à juli 1998) zou u beginnen werken zijn voor het “Road and Construction Department” in Kathmandu. Naar aanleiding van een oproep door “Maobadi” tot het boycotten van de algemene verkiezingen van 20/01/2056 (2 mei 1999) zou u op 06/01/2056 (19 april 1999) “Maobadi”- pamfletten hebben verdeeld te Dhading BC en enkele buurdorpen. Op 08/01/2056 (21 april 1999) zou een medewerker van “ANNSFU-R”, Bashanta Pradhan, door de politie gearresteerd en gedood zijn. U vermoedde toen ook door de politie gezocht te zijn en vluchtte rond 10/01/2056 (23 april 1999) naar uw familielid Krishna Khatiwada in Hetauda (OV nr 4.835.687). Op 17/01/2056 (30 april 1999) zou u samen met enkele andere leden van “ANNSFU-R” (Prakash Khatiwada, Niranjan Ghimire en Arun Ghimire) naar het huis van Krishna gegaan zijn. De politie zou het huis binnengevallen zijn en Niranjan en Prakash gearresteerd hebben. U en Arun konden ontsnappen maar zouden onderweg ook tegengehouden zijn. U zou beiden overgebracht zijn naar het Chaugada-politiekantoor te Hetauda. Op 24/01/2056 (7 mei 1999) zouden Arun en u overgebracht zijn naar het districtspolitiekantoor te Hetauda en de volgende dag vrijgelaten zijn met behulp van “UML”-lid Birod Khatiwada. Prakash en Niranjan zouden de dag van hun arrestatie al overgebracht zijn naar het districtspolitiekantoor te Hetauda. U zou tijdens uw aanhouding onder dwang een document ondertekend hebben waarin u bekende samen met de anderen betrokken te zijn bij een aanslag op 16/01/2056 (29 april 1999) te Hetauda Bazar. Daarna zou u teruggekeerd zijn naar Kathmandu. U zou uw echtgenote hiervan niets verteld hebben. Op 27/01/2056 (10 mei 1999) zou u ontdekt hebben dat u omwille van uw arrestatie ontslagen was. Op 17/06/2056 (4 oktober 1999) hield “Maobadi” een fakkeltocht te Patan Development Area. U zou hiervoor pamfletten verspreid en slogans op muren geschilderd hebben. Die dag zou de politie u op uw adres in Kathmandu komen zoeken zijn. U zou toen al bij verschillende vrienden ondergedoken zijn. Op 20/06/2056 (7 oktober 1999) zou u naar huis teruggekeerd zijn en een brief van uw echtgenote gevonden hebben waarin stond dat de politie was langsgekomen en dat ze op 18/06/2056 (5 oktober 1999) naar haar ouders te Madhu Malla (district Morang) gevlucht was. Er zou ook in vermeld staan dat u zich op 18/06/2056 (05/10/1999) moest melden bij de politie te Sorakhutte. Op 29/06/2056 (16 oktober 1999) ging u op bezoek bij uw echtgenote en schoonouders te Madhumalla. De volgende dag zou u alleen teruggekeerd zijn naar huis. Op 20/05/2057 (5 september 2000) zou u opnieuw uw schoonou- ders bezocht hebben en u zou er vernomen hebben dat de politie er verschillende keren was langsgeweest om u te arresteren en dat ze telkens uw echtgenote op het politiekantoor ondervraagd en mishandeld hadden. Uw schoonouders zouden verteld hebben dat uw echtgenote al met Krishna Khatiwada naar België gevlucht was, terwijl ze in werkelijkheid in Delhi verbleef. Naar aanleiding van de eerste nationale vergadering van “ANNSFU-R” op 26/08/2057 (11 december 2000) hing u posters op en schilderde u slogans te Balaju (Kathmandu). Op 01/07/2057 (17 juli 2000) zou u van uw huiseigenaar vernomen hebben dat uw kamergenoot Kedar Adhikari in uw plaats gearresteerd werd omdat u toen afwezig was. Op 3/07/2057 (19 oktober 2000) zou u van uw vriend Mahendra Ghimire vernomen hebben dat uw leven in gevaar was. U dook onder bij hem tot 8/07/2057 (24 oktober 2000). Die dag zou u Nepal verlaten hebben en de volgende dag in Delhi zijn aangekomen. Na een verblijf van enkele XIV-10.218-3/11 dagen zou u op 12/07/2057 (28 oktober 2000) een vlucht genomen hebben naar Parijs waarna u op 29 oktober 2000 in België aankwam. U vroeg hier op 31oktober 2000 asiel aan. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat u door uw weigering om een verklaring af te leggen tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) het normale verloop van de procedure hinderde, wat de geloofwaardigheid van uw relaas in het gedrang brengt. Er wordt immers van de kandidaat-vluchteling verwacht dat hij een coherente uitleg geeft over de redenen ingeroepen ter ondersteuning van zijn asielaanvraag en dat hij antwoordt op elke gestelde vraag (zie punt 205 van “Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status”, UNHCR, Genève, januari 1992). U diende op het Commissariaat-generaal (CGVS) daarentegen wel een verzoekschrift tot dringend beroep in. Daarin zijn echter tegenstrijdigheden vastgesteld enerzijds tussen uw verzoekschrift en de verklaringen die u aflegde op het CGVS en anderzijds in uw eigen verklaringen op het CGVS. Zo beweerde u in uw verzoekschrift dat op 23/05/2056 (8 september 1999) Suresh Wagle door de politie vermoord werd en u naar aanleiding van een “Maobadi”-protestactie (“Nepal Bandh”) op 20/06/2056 (7 oktober 1999) druk bezig was met activiteiten voor de partij (verzoekschrift, p. 4). Daardoor ontdekte u pas later dat uw echtgenote op 17/06/2056 (4 oktober 1999) lastiggevallen was door de politie. Op het CGVS verklaarde u dat u op 10 (27 september) en 20/6/2056 (7 oktober 1999) deelnam aan de “Nepal Bandh”, en op 17/06/2056 aan een “Maobadi”-fakkeltocht te “Patan Development Area” waar u pamfletten verspreidde (CGVS, p. 12-14). U vermeldde deze deelname aan de fakkeltocht, op de dag dat uw echtgenote thuis lastiggevallen werd door de politie, echter niet in uw verzoekschrift, waar u als uitleg voor uw afwezigheid op 20/06/2056 de voorbereidingen voor de “Nepal Bandh” gaf (verzoekschrift, p. 4). U vermeldde dan weer niet op het CGVS dat op 18/06/2056 (5 oktober 1999) uw neef Ganesh door de politie gearresteerd werd en terwijl hij volgens uw verzoekschrift in dezelfde wijk in Kathmandu woonde (Naya Bazar) als u en uw echtgenote (verzoekschrift, p. 4). Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat u dit feit niet vermeldde op het CGVS, terwijl hij toch in dezelfde wijk woonde als u, waardoor het risico dat ook u er gezocht zou worden vergroot. Zo verklaarde u ook op het CGVS dat u bij uw bezoek aan uw schoonouders in Morang op 20/05/2057 (5 september 2000) van hen vernam dat de plaatselijke politie al diverse keren uw echtgenote opgepakt had voor ondervraging en dat zij op het politiekantoor beledigd en mishandeld was (CGVS, p. 17). U maakte in uw verzoekschrift echter geen gewag van het feit dat uw echtgenote al diverse problemen had gekend met de politie, wat toch bevreemdend te noemen is. Immers, zij zou omwille van deze problemen door haar ouders naar India gestuurd zijn, zoals zij zelf verklaarde tijdens het gehoor op DVZ (DVZ, p. 13). U beweerde tevens in uw verzoekschrift dat u naar aanleiding van het “Dashain”-feest (zijnde 12 tot 22/06/2057 of 28 september tot 8 oktober 2000) naar uw geboortedorp in het district Dhading ging (verzoekschrift, p. 5). Op 21/06/2057 (7 oktober 2000) zou u thuis ontdekt hebben dat uw ouders gearresteerd waren door de lokale politie en een document ondertekend hadden waarin zij verklaarden dat u betrokken was bij “Maobadi”-acties en in het bezit was van illegale wapens (verzoekschrift, p. 5). U beweerde tevens naar aanleiding van deze feiten terug naar Kathmandu te zijn gevlucht (verzoekschrift, p. 5). Op het CGVS maakte u echter geen melding van de arrestatie van uw ouders, noch van de valse verklaring die zij onder dwang zouden ondertekend hebben. Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat u dit element zou “vergeten” zijn te vermelden, te meer daar u duidelijk aan het eind van het gehoor gevraagd werd of u alle feiten vermeld had (CGVS, p. 21). Daarenboven verklaarde u in uw verzoek- schrift dat de politie nog regelmatig een inval deed in uw ouderlijk huis waardoor u ook in Dhading uw toevlucht niet zou kunnen zoeken voor uw problemen met de -lokale- politie in Nepal (verzoekschrift, p. 5). Ook dit element vermeldde u niet op het CGVS. Bovendien verklaarde u op het CGVS dat u op 21/05/2057 (6 september 2000) na het bezoek aan uw schoonouders te Morang, dus al een maand vóór de vermeende arrestatie van uw ouders, teruggekeerd was naar Kathmandu en maakte u geen melding van verdere problemen tot begin 07/2057 (oktober 2000) (CGVS, p. 17 en 18). U vermeldde tevens in uw verzoekschrift dat enkele familieleden tegen u gekant waren omwille van uw politieke overtuiging en dat zij daarom de politie hielpen u op te sporen, zonder er verdere details over te geven (verzoekschrift, p. 6). U vermeldde dit evemin op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, nochtans is dit element verbonden met uw directe vluchtaanleiding want u verklaarde hierdoor nergens in Nepal te kunnen onderduiken (verzoekschrift, p. 6). Bovendien blijkt dat u op het CGVS verklaarde wel bij verschillende vrienden te zijn ondergedoken (CGVS, p. 18). Bovenstaande opmerkingen brengen dan ook de geloofwaardigheid van uw relaas op ernstige wijze in het gedrang. Ook sprak u zichzelf tegen wat betreft uw precieze politieke activiteiten en functies. U verklaarde namelijk op het CGVS dat u op 10/08/2054 (25 december 1997) lid werd van het “Maobadi”-celcomité in uw dorp Gumdi (Dhading-district) (CGVS, p. 2), terwijl u dit gegeven nergens vermeldde in uw verzoekschrift. U verklaarde tevens in het begin van het gehoor op het CGVS toen enkel (donatie)lid te zijn geworden van “Maobadi” en verder geen activiteiten te hebben gedaan voor deze partij (CGVS, p. 2). Nochtans is uit de loop van uw relaas gebleken dat u wel degelijk actief was voor “Maobadi”. U verklaarde namelijk dat de pamfletten die u op 06/01/2056 (19 april 1999) te Dhading BC verdeelde, uitgegeven waren door “Maobadi”. XIV-10.218-4/11 Ze riepen immers op tot steun aan de boycot van de komende algemene verkiezingen (CGVS, p. 12). Ook de fakkeltocht waaraan u deelnam op17/06/2056 (4 oktober 1999) werd volgens uw verklaring door “Maobadi” georganiseerd (CGVS, p. 15). Meer nog, ook voor deze actie had u propaganda gemaakt (pamfletten verpreid en slogans geschilderd) (CGVS, p. 15). Het is op zijn minst opmerkelijk te noemen dat u tijdens het gehoor op het CGVS uw eerdere bewering geen acties te hebben gedaan voor “Maoabadi” zelf teniet deed. Ook moet opgemerkt worden dat uw echtgenote in haar gehoor beweerde dat bij de huiszoeking in uw woning te Kathmandu op 17/06/2056 (4 oktober 1999) bepaalde van uw documenten in beslag genomen werden door de politie (CGVS, p. 9), terwijl u zelf dit element niet vermeldde op het CGVS. U legde tijdens het gehoor op DVZ bovendien enkele andere documenten voor en verklaarde er dat ze opgestuurd werden door uw vriend Ramesh Bhanjara, wonende te Naya Bazar, Kathmandu. Uw bewering dat in de brief van uw echtgenote die zij voor u achterliet, zou staan dat u zich op 18/06/2056 (5 oktober 1999) op het politiekantoor moest melden komt echter niet voor in de verklaringen van uw echtgenote, terwijl zij toch die brief zou geschreven hebben (CGVS, p. 16). Tenslotte dient te worden opgemerkt dat er enkele bevreemdende elementen werden vastgesteld in bepaalde documenten die u op het CGVS indiende na uw gehoor. Alhoewel het slechts om een kopie gaat, kan uit een foto waarop u zou afgebeeld staan, volgens bijhorende nota, tijdens een “programma” van “ANNSFU-R”, het volgende worden opgemerkt: uw lichaamsverhoudingen en algemene houding stemmen niet overeen met die van de andere personen afgebeeld op de foto. U bent duidelijk kleiner afgebeeld en staat bovendien helemaal aan de kant terwijl de andere personen dicht bij elkaar afgebeeld staan. Hierdoor rijzen ernstige twijfels omtrent de authenticiteit van de bewuste foto. De overige documenten die u ter staving van uw asielaanvraag indiende, namelijk een kopie van uw huwelijksfoto, een ontvangstbewijs (kopie) van “ANNSFU-R”, een kopie van uw studentenkaart, kopieën van uw behaalde diploma’s, twee kopieën van krantenartikels en een brief van voorzitter Krishna Khatiwada van het “Nepalese People’s Progressive Forum- Belgium” zijn derhalve niet van die aard dat ze de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen. (...).”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, tweede verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Madhumalla, district Morang. Op 25/01/2055 ( Gregoriaanse kalender 8 mei 1998) huwde u met XXX te Kathmandu. U zou ervan op de hoogte zijn dat uw echtgenoot een actief lid was van de studentenorganisatie “Akhil Nepal Rastry Sotantra Bidhyarthi Union-Krantikari” (ANNSFU-R) maar weet niet welke activiteiten hij voor deze organisatie had. In de eerste maand van 2056 (april à mei 1999) zou uw echtgenoot te Hetauda gearresteerd zijn wegens het verspreiden van pamfletten naar aanleiding van een demonstratie. Naar aanleiding van deze arrestatie zou hij ontslagen zijn als ambtenaar bij het “Road Construction Department”. Uw echtgenoot zou vaak van huis geweest zijn wegens zijn activiteiten voor “ANNSFU-R”. Op 17/06/2056 (4 oktober 1999) zou de politie uw gezamenlijke woning te Naya Bazar, Kathmandu, binnengevallen zijn. De agenten zouden naar uw echtgenoot gevraagd hebben en zouden u(
- w)bedreigd en geslagen hebben toen u verklaarde niet te weten waar hij zich bevond. U wist enkel dat hij weggegaan was voor de “Nepal Bandh” (algemene stakingsdag) van 20/06/2056 (7 oktober 1999). De agenten zouden de woning doorzocht hebben en enkele documenten van uw echtgenoot in beslag genomen hebben. Ze zouden ermee gedreigd hebben u te doden indien u niet binnen de 24 uur vertelde waar uw echtgenoot zich bevond. U liet een brief achter voor uw echtgenoot waarin u vertelde wat er gebeurd was en dat u naar uw ouders in Morang trok. Op 19/06/2056 (6 oktober 1999) zou u bij uw ouders aangekomen zijn. Ongeveer 12 dagen nadien zou uw XIV-10.218-5/11 echtgenoot u bij uw ouders opgezocht hebben. Omdat hij weigerde zijn politieke activiteiten op te geven, trok hij de dag daarop opnieuw naar Kathmandu. Daarna zou de plaatselijke politie u en uw ouders bijna dagelijks lastiggevallen hebben over uw echtgenoot. U zou herhaalde malen voor enkele uren meegenomen zijn naar het politiekantoor waar u ondervraagd werd over uw echtgenoot. De agenten zouden u tevens beledigd en bedreigd hebben. Uw ouders besloten uiteindelijk u naar uw broer Tika Ram Dahal in Delhi te sturen. Op 28/08/2056 (14 december 1999) zou u in Delhi aangekomen zijn. Om uw echtgenoot Nepal te doen verlaten, werd er bedacht dat hem bij een volgend bezoek aan uw ouders verteld zou worden dat u reeds naar België gevlucht was met zijn familielid, Krishna Khatiwada (OV n/ 4.835.687). Rond 06/2057 (september 2000) kreeg u een telefoontje van uw ouders waarin u vernam dat uw echtgenoot bij hen op bezoek was. U zou uw echtgenoot toen zelf verteld hebben dat u in België was. Op 08/07/2057 (24 oktober 2000) zou uw echtgenoot Nepal ontvlucht zijn. Rond 07/2058 (eind november 2001) zou uw echtgenoot u gebeld hebben met het nieuws dat hij zich in België bevond. Op 18/07/2058 (3 november 2001) zou u vanuit Delhi een vlucht genomen hebben naar Parijs. De volgende dag zou u aangekomen zijn in België en diende hier op 14 november 2001 een asielaanvraag in. Er dient vooreerst te worden opgemerkt dat er tegenstrijdigheden kunnen worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen en die van uw echtgenoot. U beweerde namelijk zowel op het Commissariaat-generaal (CGVS) als op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat bij de politieinval in Kathmandu op 17/06/2057 (4 oktober 1999) diverse documenten van uw echtgenoot in beslag genomen werden. Uw echtgenoot vermeldde dit echter niet in zijn gehoor op het CGVS, wat op zijn minst opmerkelijk te noemen is. Bovendien legde uw echtgenoot op DVZ, en na het gehoor op het CGVS, diverse documenten neer, waaronder zijn studentenkaart, die blijkbaar toch niet door de politie werden meegenomen. U kon echter niet verduidelijken welke documenten wel en welke niet door de politie in beslag werden genomen (CGVS, p. 9). Uw echtgenoot beweerde tevens dat op de brief die u voor hem zou achtergelaten hebben, stond dat hij zich de volgende dag moest aanmelden op het politiekantoor te Sorakhutte (CGVS, p. 16), terwijl u hiervan geen gewag maakte. Volgens uw verklaring schreef u op het briefje dat u binnen de 24 uur de politie moest informeren over de verblijfplaats van uw echtgenoot, waarbij u evenwel niet vermeldde dat hij zich bij de politie moest aanmelden (CGVS, p. 9). Evenmin vermeldde u dit in uw gehoor op DVZ of in uw verzoekschrift tot dringend beroep. U verklaarde in dit verzoekschrift dat er enkele dagen na het bezoek van uw echtgenoot bij uw ouders in Morang in de plaatselijke krant verscheen dat uw echtgenoot een activist was van “ANNSFU-R” (verzoekschrift, p. 1). Bovendien beweerde u dat een spion van de “Nepali Congress Party” de lokale politie hierover zou geïnformeerd hebben, waardoor u ook door de politie in Morang lastiggevallen werd (verzoekschrift, p. 1). U vermeldde dit gegeven echter niet tijdens het gehoor op DVZ. U gaf trouwens op het CGVS een andere verklaring voor het feit dat de politie u in Morang kwam lastigvallen. U beweerde namelijk dat iemand misschien de politie in Morang verteld had dat u de echtgenote was van een militant, zonder te verduidelijken wie, en sprak er niet meer over een krantenartikel waarin zou vermeld staan dat uw echtgenoot een “ANNSFU-R”- activist was, wat op zijn minst opmerkelijk te noemen is (CGVS, p. 7). U vermeldde aanvankelijk op het CGVS wel een ander krantenartikel waarin over de arrestatie van uw echtgenoot in Hetauda begin 2056 (april 1999) zou bericht zijn maar beweerde niet meer te weten wanneer dit gepubliceerd werd (CGVS, p. 5). Bovendien blijkt dat deze arrestatie zowel volgens uw verklaring als die van uw echtgenoot ongeveer vijf maanden vóór uw vertrek naar Morang, op 18/06/2056 (5 oktober 1999), zou gebeurd zijn, waardoor het dus om een ander krantenartikel zou gaan (Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, p. 10 en CGVS, p. 13). Het is tevens ten zeerste opmerkelijk te noemen dat uw echtgenoot geen gewag maakte van enig krantenartikel, noch over de arrestatie in Hetauda, noch over zijn betrokkenheid bij “ANNSFU-R”. Het lijkt echter weinig geloofwaardig dat u uw echtgenoot niets over deze vermeende krantenartikels zou verteld hebben. Bovenstaande opmerkingen brengen dan ook de geloofwaardigheid van uw verklaringen in het gedrang. Tevens sprak u zichzelf tegen op het CGVS omtrent de bedreigingen die u van de politie te Madhumalla zou gekregen hebben. U vermeldde aanvankelijk dat de politie u er dagelijks kwam lastigvallen (CGVS, p. 7), terwijl u daarna plots beweerde dat ze bijna iedere dag kwamen, maar soms enkele dagen niet (CGVS, p. 8). Maar ondanks het feit dat u sinds eind 06/2056 (oktober 1999) herhaaldelijk door de politie bedreigd en zelfs verschilldende keren meegenomen werd naar het politiekantoor, vluchtte u pas op 26/08/2056 (12 december 1999) naar Delhi. Het feit dat u pas na twee maanden herhaaldelijke bedreigingen door de plaatselijke politie naar India (Delhi) vluchtte, terwijl u al na de eerste politieinval van 17/06/2056 (4 oktober 1999) in Kathmandu naar Morang-district gevlucht was, is eveneens opmerkelijk te noemen (CGVS, p. 6). Hierdoor komt ook de geloofwaardigheid van uw vermeende gegronde vrees voor de politie te Morang in het gedrang. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat u zich wat de motieven voor uw asielaanvraag betreft, hoofdzakelijk baseert op de problemen die uw echtgenoot in uw land van herkomst kende. Aangezien in hoofde van hem een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen werd, kan ook aan uw asielaanvraag geen positief gevolg worden gegeven. XIV-10.218-6/11 (...).”. 2.1. Overwegende dat verzoekers in een eerste middel de schending aanvoeren van de motiveringsplicht; dat verzoekers aanvoeren dat de beslissingen niet zijn gesteund op argumenten waaruit zij kunnen afleiden waarom hun asielaanvraag onontvan- kelijk werd verklaard; dat verzoekers stellen dat het niet opgaat dat de beslissingen werden gemotiveerd op grond van het feit dat een aantal elementen niet volledig zijn weergegeven in hun verzoekschriften in dringend beroep; dat verzoekers stellen dat de documenten die ze hebben ingediend ter ondersteuning van hun asielaanvraag zonder de minste uitleg aan de kant worden geschoven; dat een bepaald krantenartikel zich in het dossier bevindt terwijl verzoekers het verwijt krijgen dat ze dit artikel niet hebben ingediend; dat verzoekers doen gelden dat eventuele tegenstrijdigheden te wijten zijn aan het feit dat zij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal veel meer uitleg konden geven dan zij in hun verzoekschrif- ten dringend beroep hebben gedaan; dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal niet motiveert waarom hun asielaanvragen bedrieglijk zijn; Overwegende dat de bestreden beslissing, genomen ten opzichte van XXX, steunt op volgende motieven: - door zijn weigering om op de Dienst Vreemdelingenzaken een verklaring af te leggen, hinderde verzoeker het normale verloop van de procedure en dit brengt de geloofwaardigheid van zijn relaas in het gedrang; - er zijn tegenstrijdigheden vast te stellen tussen het verzoekschrift in dringend beroep van verzoeker en zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal; er zijn tevens tegenstrijdighe- den vast te stellen tussen de verklaringen van verzoeker op het Commissariaat-generaal; dit brengt de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas ernstig in het gedrang; - er werden enkele bevreemdende elementen vastgesteld in bepaalde documenten die verzoeker indiende na het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen: op een kopie van een foto waarop verzoeker zou zijn afgebeeld, blijkt dat hij in verhouding veel kleiner is afgebeeld dan de andere personen op de foto, waardoor er twijfels rijzen omtrent de authenticiteit van deze foto; - de overige documenten zijn niet van die aard dat ze de appreciatie van de Commissaris- generaal inzake zijn asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen; Overwegende dat de bestreden beslissing, genomen ten opzichte van XXX, steunt op volgende motieven: - er zijn tegenstrijdigheden vast te stellen tussen de verklaringen van verzoekster en die van haar echtgenoot, en tussen de verklaringen van verzoekster tijdens de verschillende verhoren; dit brengt de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoekster in het gedrang; - verzoekster sprak zich tegen tijdens het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen omtrent de bedreigingen van de politie te Madhumalla; XIV-10.218-7/11 - verzoekster vluchtte pas naar India na bedreigingen door de plaatselijke politie die twee maanden duurden, terwijl ze voorheen al na de eerste politieinval in Kathmandu naar het Morang-district was gevlucht; hierdoor komt de geloofwaardigheid van haar vermeende gegronde vrees voor vervolging in het gedrang; - wat de motieven van haar asielaanvraag betreft, baseert verzoekster zich hoofdzakelijk op de problemen die haar echtgenoot in hun land van herkomst kende; aangezien in hoofde van hem een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen, kan ook aan verzoeksters asielaanvraag geen positief gevolg worden gegeven; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen duidelijk blijkt waarom de Commissaris-generaal de asielaanvragen van verzoekers bedrieglijk acht; dat zowel de verklaringen van verzoeker als van verzoekster talrijke tegenstrijdigheden bevatten; dat de tegenstrijdigheden niet enkel tegenstrijdigheden betreffen tussen hun verzoekschriften in dringend beroep en hun verklaringen op het Commissariaat-generaal, maar tevens tussen de verklaringen van verzoeker en verzoekster onderling, tussen de verklaringen van verzoeker tijdens één en hetzelfde interview op het Commissariaat-generaal, tussen de verklaringen van verzoekster tijdens één en hetzelfde interview op het Commissariaat-generaal en tevens tussen de verklaringen van verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken en haar verklaringen op het Commissariaat-generaal; dat het bijgevolg niet opgaat te stellen dat de tegenstrijdigheden kunnen worden verklaard door het feit dat verzoekers tijdens het interview op het Commissariaat-generaal de mogelijkheid hadden om op meer uitgebreide en gedetailleerde wijze hun asielrelaas uiteen te zetten; dat verzoekers bovendien geen van de vastgestelde tegenstrijdigheden betwisten of pogen te weerleggen in de verzoekschriften; Overwegende dat de documenten die verzoekers hebben ingediend door de Commissaris-generaal aan een onderzoek werden onderworpen; dat betreffende de kopie van de huwelijksfoto, een kopie van een ontvangstbewijs van “ANNSFU-R”, een kopie van verzoekers studentenkaart, kopieën van verzoekers diploma’s, twee kopieën van krantenarti- kels, en een brief van voorzitter Krishna Khatiwada van het “Nepalese People’s Progressive Forum-Belgium”, wordt gesteld dat deze niet van die aard zijn dat ze de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake verzoekers asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen; dat verzoekers in het middel aanvoeren dat “het krantenartikel dat men (...) hem verwijt niet te hebben vermeld, in het dossier zit”; dat verzoekers niet aanduiden om welk krantenartikel het gaat; dat in de bestreden beslissing genomen ten opzichte van verzoekster, enkel wordt vermeld dat “het (...) tevens ten zeerste opmerkelijk te noemen (
- is)dat uw echtgenoot geen gewag maakte van enig krantenartikel, noch over de arrestatie in Hetauda, noch over zijn betrokkenheid bij ‘ANNSFU-R’ ”; dat de Commissaris-generaal in casu vaststelt dat het vreemd is dat verzoeker geen melding maakt van krantenartikelen die zijn verhaal zouden kunnen staven, terwijl verzoekster dit wel deed; dat dit een tegenstrijdigheid betreft tussen de verklaringen van verzoeker en verzoekster, ongeacht of deze krantenartikelen werden XIV-10.218-8/11 bijgevoegd; dat een verwijzing naar deze artikelen zelf, de tegenstrijdigheid in dit verband niet opheft; Overwegende dat de bestreden beslissingen steunen op afdoende, pertinente, terzake dienende en deugdelijke motieven; dat de motiveringplicht niet is geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2. Overwegende dat verzoekers in een tweede middel de schending aanvoeren van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de rechten van de verdediging en de zorgvuldigheidsplicht; dat verzoekers aanvoeren dat zij “zeer veel vragen (hebben) over de wijze waarop dergelijk interview wordt afgenomen en uiteindelijk geïnterpreteerd”; dat verzoekers aanvoeren dat de tegenstrijdigheden beschouwd moeten worden als aanvullingen; dat verzoekers aanvoeren dat verzoeker genoegzaam heeft verklaard dat hij problemen had met de tolk van de Dienst Vreemdelingenzaken omwille van diens politieke strekking en dat hem niet kan worden ten grieve geduid dat hij niet wilde meewerken; dat verzoekers betogen dat een onderzoek moest worden gevoerd naar deze tolk; dat verzoekers aanvoeren dat hun verhaal coherent is en strookt met de gekende feiten; dat verzoekers stellen dat de Commissaris-generaal de foto’s aan een grondig onderzoek had moeten onderwerpen, evenals de verklaringen van Krishna Khatiwda; Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat verzoekers uitvoerig werden gehoord op het Commissariaat-generaal en op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat beiden een gemotiveerd verzoekschrift in dringend beroep hebben ingediend; dat uit de analyse van het eerste middel is gebleken dat de tegenstrijdigheden niet kunnen worden verklaard door het feit dat verzoekers tijdens het interview op het Commissariaat-generaal meer uitleg konden geven dan hetgeen zij in hun verzoekschriften in dringend beroep vermeldden; Overwegende dat de kritiek van verzoeker op het verloop van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken niet terzake dienend is, gelet op het devolutief karakter van het dringend beroep; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenza- ken blijkt dat verzoeker elke medewerking weigerde; dat verzoeker in zijn verzoekschrift in dringend beroep melding heeft gemaakt van de problemen met de tolk, maar tevens een uitgebreide uiteenzetting gaf van zijn asielmotieven; dat de Commissaris-generaal zich kan steunen op een verzoekschrift in dringend beroep en dat hij dit in casu heeft gedaan; dat de Commissaris-generaal heeft beslist dat hij voldoende ingelicht was omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat verzoeker nuttig voor zijn belangen is kunnen opkomen; XIV-10.218-9/11 Overwegende dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat het asielrelaas van verzoekers niet coherent is en talrijke tegenstrijdigheden bevat, die verzoekers niet betwisten, zoals is gebleken uit de analyse van het eerste middel; Overwegende dat de Commissaris-generaal op basis van de tegenstrij- digheden in de verklaringen van verzoekers, voldoende elementen had om de asielaanvragen bedrieglijk te verklaren; dat een onderzoek naar de foto die verzoekers hebben ingediend en naar de verklaringen van de voorzitter van het “Nepalese People’s Progressive Forum- Belgium”, geen afbreuk doen aan de talrijke tegenstrijdigheden in het asielrelaas van verzoekers, zoals wordt vastgesteld in de bestreden beslissingen; dat de Commissaris- generaal deze stukken in overweging heeft genomen en hiervan melding heeft gemaakt; maar dat het geen schending van de rechten van verdediging of van de zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat hij deze stukken niet aan verdere onderzoeken heeft onderworpen; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-10.218-10/11 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-10.218-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div