← België

Arrest 152944 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.944 Rolnummer: A. 120229/XIV-9763 Zaak: Arrest 152944 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-03 06:56 Fiche Arrest nr 152.944 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.944 van 20 december 2005 in de zaak A. 120.229/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. PEETERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 31 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1969 en van Somalische nationaliteit, op 24 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 26 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 maart 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 29 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 1 februari 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 3 februari 2005; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 oktober 2005 om 14.00 uur; XIV-9763-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. PEETERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 28 september 1999 en verklaart zich vluchteling op 1 oktober
  4. 1.
  5. Op 23 maart 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 26 maart 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Buiten dit criterium steun ik mij op de volgende grond, voorzien in art. 52 van de Vreemdelingenwet: kennelijk ongegrond. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U beweert de Somalische nationaliteit te bezitten, te behoren tot de Murusade-clan, en afkomstig te zijn uit Mogadishu. Sinds uw huwelijk met een lid van de minderheidsclan Reer Hamar leefde u bij uw schoonfamilie in de wijk Hamar Weyne. Omdat uw schoonfamilie rijk was en tot een minderheidsclan behoorde, vielen Habar Gedir-milities steeds binnen op zoek naar geld, waarbij u vaak geslagen en mishandeld werd. U zou ook verschillende keren voor een tijdje naar Afgooye zijn gevlucht om aan de overvallen te ontkomen. In de loop van 1996 zou u, toen hoogzwanger, samen met uw oudste drie kinderen door een Habar Gedir-militie zijn ontvoerd en zijn vastgehouden ergens in de wijk Hamar Jajab. Een week later werd u na betaling van 1000 US$ losgeld door uw schoonfamilie vrijgelaten. Ook nadien bleven de XIV-9763-2/7 overvallen voortduren, tot uw schoonmoeder u tijdens een inval in uw huis in Hamar Weyne in september 1999 aanraadde geld mee te nemen en door het raam te vluchten. U volgde haar advies op, liet uw kinderen achter onder de hoede van uw schoonouders en reisde met een voertuig van de Murusade-clan via Baydhabo naar Addis Abeba (Ethiopië). Daar brachten uw clangenoten u ervan op de hoogte dat leden van uw familie in België verbleven, waarop zij uw verdere reis regelden. Minder dan een maand na uw aankomst in de Ethiopische hoofdstad reisde u met een vliegtuig van een onbekende maatschappij naar Firenze (Italië), vanwaar u per trein uw traject naar België vervolgde. Op 1 oktober 1999 vroeg u tenslotte in ons land asiel aan. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat u het niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingeroepen feiten ter staving van uw asielrelaas een uiting zouden zijn van een geïndividuali- seerde “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève, omdat u hierover vage, tegenstrijdige en weinig aannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Zo baseerde u zich voor het Commissariaat-generaal op een vrijwel volkomen ander asielrelaas dan voor de Dienst Vreemdelingenzaken (gehoor van 27 oktober 1999). Tijdens het laatstgenoemde gehoor verklaarde u namelijk dat u door voortdurende aanvallen vanwege milities van zowel Habar Gedir als Abghaal besloot samen met uw echtgenoot Mogadishu te ontvluchten, waarop u van 1995 tot 1997 in Afgooye verbleef waar uw gezin leefde van de opbrengsten van een kleine boerderij. In 1997 zou uw wederhelft bij een bezoek aan Mogadishu zijn meegenomen door Habar Gedir, waarna u nooit meer iets van hem vernam. Vanaf dan zou u uw kinderen hebben achtergelaten bij uw schoonmoeder in Afgooye, terwijl u werk vond in het huishouden van een Habar Gedir-familie in Mogadishu. Na een tweetal maanden zou u er gevangengezet zijn, tot u in september 1999 uitzonderlijk de toestemming kreeg uw kinderen op te zoeken in Afgooye. Op aanraden van uw schoonmoeder zou u daarbij van de gelegenheid gebruik gemaakt hebben door het raam te vluchten en daarop uw land te verlaten (cfr. punten 42 en 44 van het gehoorverslag). Het is opmerkelijk dat u, in tegenstelling tot uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken, tijdens het interview op het Commissariaat-generaal enkel melding maakte van voortdurende overvallen van Habar Gedir-milities (“want onze wijk lag in hun controlegebied”, cfr. p.5) en u nooit de Abghaal ter sprake bracht; dat u in dringend beroep stelde nooit langer dan een maand in Afgooye te hebben verbleven (cfr. p.2); en dat uw echtgenoot “een jaar vóór u zelf vertrok in september 1999” uit eigen beweging zou zijn vertrokken zonder een boodschap na te laten (cfr. p.1 en p.6), wat dus een jaar later is dan 1997 zoals u voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde en hij niet zou meegenomen zijn door één of andere militie. Op geen enkel moment tijdens het gehoor voor het Commissariaat- generaal bracht u uw eventuele tweejarige gevangenschap bij een Habar Gedir-familie in Mogadishu ter sprake, maar zou u in de loop van 1996 wel samen met drie van uw kinderen zijn ontvoerd en gedurende een week zijn vastgehouden (cfr. p.7), feit waarover u dan weer geen enkele melding maakte voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Wat uw verblijfplaats in uw land van herkomst betreft is het vreemd dat u voor het Commissariaat-generaal enerzijds beweerde altijd in Waberi (Mogadishu) te hebben gewoond behalve de korte periodes dat u bij uw schoonfamilie in Afgooye verbleef (cfr. p.2), en anderzijds dat u sinds uw huwelijk altijd in Hamar Weyne, een andere wijk van de Somalische hoofdstad, bij uw schoonfamilie woonde (cfr. p.7-8), terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken terzake stelde dat uw adres in uw land van oorsprong Waberi was (cfr. punt 11), en dat uw schoonfamilie in Afgooye gevestigd was (cfr. punt 42). Ook de verblijfplaats van uw kinderen wisselt nogal naargelang uw verschillende verklaringen. In dringend beroep beweerde u enerzijds dat u hen laatst had gezien bij uw schoonmoeder in Afgooye (cfr. p.2), anderzijds dat u hen vlak vóór uw vlucht had achtergelaten onder hoede van uw schoonouders in uw huis in Hamar Weyne (cfr. p.8). Wat uw reisweg tenslotte betreft lopen uw verklaringen evenzeer uiteen. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken (cfr. punten 24, 25 en 41) beweerde u van Ethiopië met Air France naar Parijs (Frankrijk) te zijn gereisd en vandaar per trein te zijn verdergegaan, terwijl u voor het Commissariaat-generaal stelde via Italië met een vlucht van een ongekende maatschappij Europa te zijn binnengekomen (cfr. p.5 en p.9). Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u, als lid van de in Mogadishu toch machtige Murusadeclan (cfr.info in administratief dossier), blijkbaar toch vlotjes steun kreeg van uw clangenoten om Mogadishu te ontvluchten en om vervolgens uw gehele vlucht naar Europa te laten organiseren (cfr. p.9). Uw bewering dat u na uw huwelijk met een lid van een minder- heidsgroep niet meer op steun van uw eigen clan kon rekenen (cfr. p.8), houdt bijgevolg nog weinig steek in het licht van de latere steun die u van hen kreeg. Het feit dat de asielaanvraag van zowel uw beide ouders, H (CG 98/18682) en M (CG 98/18682B), als uw zuster R (CG 99/23924) door de Dienst Vreemdelingenzaken ontvankelijk werd verklaard op respectievelijk 29 maart 1999 en 27 oktober 1999, doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen, omdat elke asielaanvraag individueel moet worden beoordeeld en omdat uw asielrelaas volledig losstaat van dat van uw familieleden. Hoe dan ook bent u niet in het bezit van enig document dat een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk maakt. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. XIV-9763-3/7 (...).”. 2.1.
  7. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de redelijke termijn als beginsel van behoorlijk bestuur, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het principe van de rechtszekerheid; dat verzoekster aanvoert dat zij na het instellen van haar dringend beroep op 28 maart 2000, tot 19 maart 2002 heeft moeten wachten vooraleer zij werd gehoord op het Commissariaat-generaal; 2.1.
  8. Overwegende dat in casu de periode tussen het instellen van het dringend beroep en de beslissing van de Commissaris-generaal, net geen twee jaar bedraagt; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag afzonderlijk dient te behandelen; dat gelet op de zeer grote toevloed aan asielzoekers in deze periode, er geen onredelijke termijn is verstreken tussen de datum van het indienen van het beroep en de uiteindelijke beslissing; dat tijdens de duur van het onderzoek in dringend beroep alle verwijderingsmaatregelen ten aanzien van de kandidaat-vluchteling worden geschorst, zodat verzoekster gedurende die periode op legale wijze in het Rijk kon verblijven en zij tevens in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielrelaas te verzamelen, zodat de verstreken termijn verzoekster niet heeft benadeeld; dat verzoekster reeds van bij het indienen van haar asielaanvraag wist dat haar verblijf in het Rijk precair was, zodat zij zich niet kan beroepen op haar integratie in België en de vervreemding van haar land van herkomst; dat het beginsel van de redelijke termijn niet werd geschonden, evenmin als het beginsel van de rechtszekerheid; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de verplichting oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster de vragenlijst van het Commissariaat- generaal heeft ingevuld; dat verzoekster werd opgeroepen voor een interview, waarvan het verhoorverslag tien bladzijden beslaat; dat zij tijdens dit interview de kans kreeg om haar asielmotieven omstandig uiteen te zetten en aanvullende bewijsstukken neer te leggen; dat het interview plaatsvond in aanwezigheid van een tolk die de Somali taal machtig is; dat het zorgvuldigheidsbeginsel niet werd geschonden; Overwegende dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  9. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de materiële motiveringplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en; dat verzoekster aanvoert dat in de bestreden beslissing melding wordt gemaakt van XIV-9763-4/7 tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat verzoekster betoogt dat er meer dan twee jaren zijn verstreken tussen deze verhoren, waardoor het normaal is dat verzoekster zich niet meer alle details herinnerde; dat verzoekster hieraan toevoegt dat er een groot verschil was tussen de manier van ondervragen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en bij het Commissariaat- generaal; dat verzoekster stelt dat de verstreken termijn en de verschillende manier van ondervragen een uitleg bieden voor de verschillen in de verklaringen van verzoekster; dat verzoekster verwijst naar een rapport van Amnesty International van 2001 om aan te tonen dat haar verklaringen overeenstemmen met de situatie in Somalië; 2.2.
  10. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht haar verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat verzoekster een “vrijwel volkomen ander asielrelaas” heeft verteld tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal dan tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat daarnaast in de bestreden beslissing nog tal van tegenstrijdigheden worden opgesomd; dat, zelfs bij het verstrijken van een termijn van meer dan twee jaar tussen beide verhoren (27 oktober 1999-19 maart 2002) kan worden verwacht dat een asielzoeker een gelijkluidend asielrelaas vertelt; dat verzoekster aanvoert dat het verstrijken van een termijn van twee jaar een verschoningsgrond is voor de tegenstrijdigheden; dat in de bestreden beslissing, die steun vindt in de gegevens van het administratief dossier, wordt vermeld dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken hoofdzakelijk haar asielaanvraag steunde op de voortdurende aanvallen van milities van zowel HABAR GEDIR als ABGHAAL, waardoor zij Mogadishu ontvluchtte samen met haar echtgenoot, waarna het gezin twee jaar in Afgooye leefde, en dat wanneer haar echtgenoot werd meegenomen door HABAR GEDIR, ze niets meer van hem vernam, de kinderen bij de schoonmoeder achterliet en werk vond in Mogadishu, waar zij later werd gevangengezet, tijdens een korte termijn werd vrijgelaten en op aanraden van haar schoonmoeder het land ontvluchtte; terwijl zij op het Commissariaat-generaal haar relaas baseerde op voortdurende aanvallen van milities van HABAR GEDIR, waarbij zij regelmatig werd aangevallen en geslagen, en in 1996 werd ontvoerd en vastgehouden en dat zij werd vrijgelaten na betaling van losgeld door haar schoonfamilie, dat de overvallen evenwel bleven duren, tot haar schoonmoeder haar tijdens een inval aanraadde te vluchten, dat XIV-9763-5/7 verzoekster vluchtte naar Addis Abeba (Ethiopië) waar clanleden haar op de hoogte brachten van de aanwezigheid van familieleden in België, en haar hielpen het land te verlaten; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft beslist dat verzoekster een “vrijwel volkomen ander asielrelaas” heeft verteld tijdens de twee verhoren; dat noch het verstijken van een termijn van twee jaar, noch het eventueel verschil in de manier van interviewen, een verklaring kunnen bieden voor de grote verschillen in het asielrelaas van verzoekster; dat de verwijzing naar het rapport van Amnesty International hieraan geen afbreuk doet, omdat dit betrekking heeft op de algemene situatie in Somalië en verzoekster dit rapport niet betrekt op haar persoonlijke situatie; Overwegende dat het tweede middel ongegrond is; 2.
  11. Overwegende dat verzoekster in een derde middel machtsafwending aanvoert en de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel; Overwegende dat verzoekster de schending van deze ingeroepen beginselen niet uiteenzet; dat het derde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-9763-6/7 BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-9763-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.944 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.