← België

Arrest 152947 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.947 Rolnummer: A. 164486/X-12391 Zaak: Arrest 152947 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Fiche Arrest nr 152.947 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.947 van 20 december 2005 in de zaak A. 164.486/X-12.

  1. In zake : de v.z.w. FONDATION RAPHAËL MARIE GILLÈS DE PÉLICHY, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VAN DORPE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Loofstraat 39 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. FONDATION RAPHAËL ET MARIE GILLÈS DE PÉLICHY op 20 juli 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 17 februari 2005 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar houdende afgifte van de stedenbouw- kundige vergunning aan de n.v. AQUAFIN voor de bouw van een collector RWZI (Ingelmunster-Izegem: lot 2 - projectnummer 96548B); Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.391-1/11 Gelet op de beschikking van 20 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. VAN DORPE die verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat F. TEMMERMAN die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat L. DE SMET die loco Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
  4. Overwegende dat de naamloze vennootschap AQUAFIN met een op 10 augustus 2005 ter post aangetekend verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  5. Overwegende dat de verzoekster op de terechtzitting aanvullende stukken heeft neergelegd; dat in de neerlegging van dergelijke stukken niet is voorzien in het procedurereglement betreffende de behandeling van vorderingen tot schorsing; dat de bedoelde stukken uit de debatten worden geweerd;
  6. Overwegende dat de verzoekster eigenares is van het kasteel Blauwhuis, met bijhorend park, gelegen te Izegem; Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het aanleggen op het grondgebied van de gemeenten Izegem en Ingelmunster van een collector voor de afvoer van afvalwater naar een in aanbouw zijnde X-12.391-2/11 rioolwaterzuiveringsinstallatie te Ingelmunster; dat de aanvraag onder meer voorziet in de aanleg van de collector door het domein rond het kasteel Blauwhuis; Overwegende dat onder meer de verzoekster een bezwaar heeft ingediend; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Izegem dit bezwaar ongegrond heeft geacht, en over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar van de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen (AROHM) West-Vlaanderen bij besluit van 17 februari 2005 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat die vergunning het voorwerp vormt van de voorliggende vordering;
  7. Overwegende dat de verweerder en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpen, afgeleid uit de laattijdigheid ervan, dat zij aanvoeren dat de bestreden vergunning dateert van 17 februari 2005, en dat de vordering tot schorsing is ingesteld bij verzoekschrift van 18 juli 2005, dat de verzoekster niet onwetend geweest kan zijn van de afgifte van de vergunning, dat zij in elk geval verplicht was om zich regelmatig te informeren over de stand van zaken, door gebruik te maken van haar recht op inzage van de vergunning, dat de verzoekster, die zelf stelt dat zij op 1 februari 2005 nazicht deed op de diensten van de stad Izegem, vervolgens gedurende vier maanden heeft nagelaten enige navraag te doen omtrent de toekenning van de vergunning, dat de vordering is ingesteld meer dan 60 dagen nadat de verzoekster kennis had, of alleszins kennis had kunnen hebben, van de bestreden vergunning; Overwegende dat de verzoekster tot staving van de tijdigheid van haar vordering aanvoert dat zij slechts kennis gekregen heeft van de bestreden beslissing door een brief van de raadsvrouw van de tussenkomende partij van 24 juni 2005, in het kader van een verzoek om inlichtingen vanwege de auditeur belast met het onderzoek van de vordering van de verzoekster tot schorsing van het ministerieel besluit van 9 december 2004 waarbij de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut wordt verklaard (zaak A. 160.088/X-12.212); Overwegende dat, aangezien stedenbouwkundige vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, de termijn van 60 dagen waarbinnen dezen daartegen met een annulatieberoep -en derhalve ook met een vordering tot schorsing- kunnen opkomen, ingaat met de dag waarop zij kennis X-12.391-3/11 hebben van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen, gebruik makend van de wettelijke mogelijkheden die hen worden geboden om er aldaar inzage van te nemen; dat het zaak is van de partij die aanvoert dat de verzoekende partijen kennis hadden van een bestuurshandeling, het bewijs daarvan te leveren; Overwegende dat de bestreden vergunning is verleend op 17 februari 2005; dat de raadsvrouw van de tussenkomende partij in een schrijven van 24 juni 2005 aan het auditoraat, bij schrijven van dezelfde dag medegedeeld aan de verzoekster, melding heeft gemaakt van die vergunning; dat de verweerder en de tussenkomende partij geen concreet gegeven voorbrengen waaruit zou blijken dat de verzoekster reeds vóór de ontvangst van het genoemde schrijven van 24 juni 2005 kennis had van het bestaan van de bestreden vergunning; dat de verweerder en de tussenkomende partij evenmin een gegeven aanvoeren waaruit zou blijken dat verzoeksters aandacht voordien om een of andere reden op de afgifte van de vergunning zou zijn gevestigd; dat aan de verzoekster dan ook geen nalatigheid verweten kan worden; Overwegende dat de vordering is ingesteld binnen 60 dagen na de kennisneming van de brief van 24 juni 2005; dat de exceptie ongegrond is;
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen;
  9. Overwegende dat de verzoekster een enig middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de materiële motiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht bij het nemen van een individuele beslissing en de zorgvuldigheidsplicht bij het voorbereiden van de beslissing, doordat de verzoekster bij aangetekende brief van haar raadsman van 19 mei 2003 aan het college van burgemeester en schepenen, binnen het kader van het openbaar X-12.391-4/11 onderzoek georganiseerd door de stad Izegem van 7 mei tot 3 juni 2003, het volgende bezwaar heeft ingediend: "Ik word geraadpleegd door V.Z.W. FONDATION RAPHAËL ET MARIE GILLÈS DE PÉLICHY in verband met de plannen van de N.V. AQUAFIN voor de aanleg van een watercollector dwars doorheen het kasteelpark op een wijze die schadelijk is, terwijl er een korter tracé wordt aangeboden, met de mogelijkheid voor de gemeente om er een fiets- en wandelpad aan te leggen. Het is op grond van onjuiste gegevens dat het MER (milieueffectenrapport) een tracé heeft gekozen dat veel nadeliger is dan het oorspronkelijk tracé dat niet door het park loopt, maar langs het park binnen het domein. Hierbij doe ik officiële mededeling van het verslag met bijhorend plan opgemaakt op 20 december 2002 door de BVBA JOS DUMOULIN, studiebureel - landmeter-expert te Roeselare, met de nodige verduidelijking omtrent het tracé dat mijn cliënte voorstelt. De gemeente heeft zelf belang bij dit tracé omdat het van aard is (het) kasteelpark maximaal te vrijwaren en de mogelijkheid creëert tot aanleg door de gemeente van een ongetwijfeld interessant wandel- en fietspad. Mag ik dan ook vragen dat het college van burgemeester en schepenen hieromtrent standpunt zou willen innemen? Wij kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat administratieve stroefheid dreigt te leiden tot onverantwoorde schade aan het kasteelpark. In elk geval zal mijn cliënte zich met alle rechtsmiddelen verzetten tegen de aanleg van de collector dwars doorheen het kasteelpark"; dat het bestreden besluit de bestreden vergunning verleent volgens het tracé dwars door het kasteelpark, op grond onder meer van de volgende overwegingen: "Het bezwaarschrift wordt als volgt geëvalueerd door het college van burgemeester en schepenen: ontvankelijk en ongegrond, overwegende dat de opgeroepen schade tot een minimum kan herleid worden door het nemen van de noodzakelijke voorzorgsmaatregelen, en overwegende dat het voorgestelde tracé niet realistisch is, aangezien het zou lopen door een bestaand tuinbouwbedrijf. Ons bestuur sluit zich aan met deze motivatie en vindt het bezwaarschrift ontvankelijk, maar ongegrond. Wij voegen er wel nog de volgende extra- motivering aan toe: - het alternatieve traject werd besproken tijdens de MER-procedure. Het aanleggen van de collector in het gazon van het kasteel (huidige bouwaanvraag) verhindert belangrijke beschadiging van het biologisch zeer waardevol gebied (MER-studie, p. 180) binnen het park en dit in het kader van het oorspronkelijke tracé. Dit deel van het park, waar oorspronkelijk het tracé werd voorgesteld, bevindt zich volgens het vigerende BPA in een zone voor openbaar groen waar wijkrecreatie (dus ook fiets- of voetpaden) is toegelaten. In deze zone dateert het vigerend gewestplan van na de goedkeuring van het BPA en wijkt de bestemming vastgelegd in dit laatste niet af van deze van het gewestplan, maar is deze meer gedetailleerd. Bijgevolg wordt het BPA als planologisch instrument gebruikt. In deze zone, langs de Kasteelbeek, is er reeds een belangrijke aanplant van hoogstammen die deel uitmaakt van het park. Precies deze aanplant, alsook de bestaande (ingebuisde) beek dienen gevrijwaard van schade en dienen hun potenties te behouden", X-12.391-5/11 en op grond van de volgende overweging: "Het deeltraject in het kasteelpark, meer bepaald door het gazon en langs de oprit, wordt ondersteund door de MER-studie die het als minst schadelijk beschouwt voor het park mits te voorzien in een aantal milderende maatregelen, herstellen in de oorspronkelijke toestand en in de noodzakelijke herplant. Als bijkomende voorwaarde wordt wel opgelegd dat in alle kwetsbare gebieden (natuurgebied, parkgebied) ook de deksels onzichtbaar dienen te zijn en afgedekt dienen te worden met een laag teelaarde", terwijl, eerste onderdeel, de motivering dat het voorgestelde tracé niet realistisch is, aangezien het zou lopen door een bestaand tuinbouwbedrijf, onjuist is en gesteund is op een verkeerd uitgangspunt, gezien dat tracé volledig loopt over de eigendom van de verzoekster (schending van de materiële en de formele motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel), en terwijl, tweede onderdeel, de motivering"In deze zone, langs de Kasteelbeek, is er reeds een belangrijke aanplant van hoogstammen die deel uitmaakt van het park. Precies deze aanplant, alsook de bestaande (ingebuisde) beek dienen gevrijwaard van schade en dienen hun potenties te behouden", onjuist is, zoals wordt aangetoond door de concrete vaststellingen vervat in het verslag Dumoulin, dat omtrent het deel 25 (zone G-G) vermeldt "dat het gaat om een zone met struikgewas en kleinere bomen met een stamdiameter tot maximaal 30 cm, niet vergelijkbaar met de bomen in de zone D. Het aantal bomen die enigszins waardevol kunnen genoemd worden en die zich op een afstand van minder dan 8 m (breedte van de eventuele werkzone) van de bestaande beek bevinden, is zeer beperkt. Het MER stelt dat er een groot aantal bomen dienen gerooid te worden in deze zone en dat 'het herstel in de oorspronkelijke staat niet mogelijk is'. Wij willen dit tegenspreken: er staan in deze zone slechts een 15-tal bomen met stamdiameters tussen de 20 en 30 cm, die trouwens slecht geworteld zijn en scheef staan en die in de toekomst voor problemen zouden zorgen voor de aanpalende woningen"; de motivering dat de (ingebuisde) beek gevrijwaard dient te worden van schade, niet helemaal steekhoudend is, "gezien de aangewezen strook aan de rand van het kasteelpark voldoende breed is en het bestaan van een ingebuisde beek precies wijst op de reële mogelijkheden van dat traject", en terwijl , derde onderdeel, de motivering "Het deeltraject in het kasteelpark, meer bepaald door het gazon en langs de oprit, wordt ondersteund door de MER-studie die het als minst schadelijk beschouwt voor het park mits te voorzien in een aantal milderende maatregelen, herstellen in de oorspronkelijke toestand en in de X-12.391-6/11 noodzakelijke herplant", kritiekloos steunt op de MER-studie, alhoewel het MER in zijn beoordeling van het oorspronkelijke tracé betreffende het deel 25 en het gekozen tracé, onjuist is (zoals was aangevoerd door de verzoekster), zodat het bestreden besluit dat op deze onjuiste beoordeling is gesteund, zelf nietig is; het MER vermeldt : "Deel 25: (...) Dit gedeelte van het traject verloopt ter hoogte van het kasteelpark. Dit parkgebied wordt beschouwd als landschappelijk zeer waardevol. Aanleg van een collector doorheen het parkgebied betekent niet enkel dat een groot aantal bomen zullen verwijderd worden, (...) maar ook dat herstel van het gebied in zijn oorspronkelijke toestand onmogelijk is (daar geen diepwortelende gewassen mogen aangeplant worden bovenop de collector). Uitvoering van dit tracé veroorzaakt zodoende een blijvend effect in dit waardevol (en als stadsgezicht beschermd gebied)", en het verder vermeldt, omtrent het gekozen traject: "Ter hoogte van het gedeelte 25 werd voorgesteld om de collector aan te leggen in het gazon voor het kasteel Blauwhuis. Dit traject brengt geen vernietiging van het bestaande waardevolle parkgebied met zich mee en is zodoende vanuit landschappelijk opzicht te verkiezen", deze beoordeling niet kan gelden als feitelijke grondslag en motivering voor het gekozen traject; in de eerste plaats, de stellingname in het MER dat "Aanleg van een collector doorheen het parkgebied betekent niet enkel dat een groot aantal bomen zullen verwijderd worden" op geen enkele concrete wijze wordt aangetoond en wordt tegengesproken door de concrete vaststellingen vervat in het verslag Dumoulin dat omtrent het deel 25 (zone G-G) vermeldt "dat het gaat om een zone met struikgewas en kleinere bomen met een stamdiameter tot maximaal 30 cm, niet vergelijkbaar met de bomen in de zone D. Het aantal bomen die enigszins waardevol kunnen genoemd worden en die zich op een afstand van minder dan 8 m (breedte van de eventuele werkzone) van de bestaande beek bevinden, is zeer beperkt. Het MER stelt dat er een groot aantal bomen dienen gerooid te worden in deze zone en dat 'het herstel in de oorspronkelijke staat niet meer mogelijk is'. Wij willen dit tegenspreken: er staan in deze zone slechts een 15-tal bomen met stamdiameters tussen de 20 en 30 cm, die trouwens slecht geworteld zijn en scheef staan en die in de toekomst voor problemen zouden zorgen voor de aanpalende woningen"; deze tijdig medegedeelde en gedetailleerde kritiek op het MER niet wordt weerlegd, noch beantwoord; zelfs indien, zoals gesteld door het besluit van 9 december 2004 "het MER er rekening mee zou houden dat recent verschillende mature bomen in het betrokken gedeelte 25 van het park werden verwijderd (er blijkt niet op welk ogenblik de toestand ter plaatse werd bekeken), in elk geval moet worden vastgesteld dat het geen precieze beschrijving geeft van die zone 25 (G-G) en dat de conclusie 'dat een groot aantal X-12.391-7/11 bomen zal moeten verwijderd worden' niet gesteund is op juiste feitelijke vaststellingen en wordt tegengesproken door de vaststellingen van het verslag DUMOULIN"; een zorgvuldige besluitvorming minstens een onderzoek ter plaatse zou hebben vereist; vervolgens, in tegenstelling tot wat in het MER wordt aangenomen, er geen enkel verbod is om diepwortelende gewassen aan te planten bovenop de collector, gelet op de aard en de diepte van de ingraving; door het bestreden besluit in dit verband geen enkele beperking van de beplanting wordt opgelegd; door het bestreden besluit de verplichting tot het uitfrezen van de stronken integendeel maximaal dient te gebeuren ten einde de verantwoorde heraanplanting mogelijk te maken; het MER dan ook van een verkeerd uitgangspunt vertrekt; het zich trouwens niet heeft uit te spreken over de maatregelen die zouden moeten genomen worden ter bescherming van de inrichting; de conclusie uit het verkeerde uitgangspunt dan ook geheel ten onrechte is; er geen enkele reden is waarom het herstel van het gebied (deel 25) in zijn oorspronkelijke toestand onmogelijk zou zijn, daar wel degelijk diepwortelende gewassen aangeplant mogen worden bovenop de collector; dit evenwel het doorslaggevend gegeven is van het bestreden besluit (namelijk ondersteuning door het MER) om het oorspronkelijke tracé niet te volgen; zodat het bestreden besluit alle in het middel aangehaalde bepalingen schendt, in samenhang en afzonderlijk; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de tussenkomende partij aanvankelijk een project had uitgewerkt waarbij de collector niet dwars door het gazon van het kasteel zou lopen, maar aan de rand van het park dat rond het kasteel ligt (eerste tracé); dat het milieueffectenrapport, opgemaakt ten verzoeke van de tussenkomende partij, wees op bezwaren die vanuit het oogpunt van de bescherming van de natuur aan dat tracé verbonden waren; dat, ten gevolge van die bezwaren, de tussenkomende partij haar oorspronkelijk plan heeft aangepast, en uiteindelijk een tracé heeft voorgesteld dwars door het gazon en langs de oprit naar het kasteel (tweede tracé); dat de verzoekster in het kader van het openbaar onderzoek over de aanvraag, bezwaar heeft gemaakt tegen het tweede tracé en heeft aangevoerd dat het eerste tracé een beter alternatief was; dat, zoals blijkt uit de in het middel aangehaalde overwegingen van het bestreden besluit, de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar het eerste tracé niet realistisch acht, hij de door dat tracé aan het park aangerichte schade bovendien belangrijk vindt, en hij het tweede tracé als het minst schadelijke voor het park beschouwt; X-12.391-8/11 Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat in het bestreden besluit wordt overwogen, met verwijzing naar het milieueffectenrapport, dat het door de verzoekster voorgestelde alternatieve tracé een belangrijke beschadiging zou veroorzaken aan een als "biologisch zeer waardevol" bestempeld gebied; dat de verzoekster deze vaststelling op zich niet bekritiseert; Overwegende dat in het bestreden besluit weliswaar ook nog wordt verwezen naar het bijzonder plan van aanleg, blijkens hetwelk het betrokken deel van het park zich bevindt in een zone voor openbaar groen; dat voorts wordt overwogen dat er in deze zone, langs de Kasteelbeek, reeds een belangrijke aanplant is van hoogstammen die deel uitmaakt van het park, en dat deze aanplant, alsook de bestaande (ingebuisde) beek, van schade gevrijwaard dienen te worden en hun potenties dienen te behouden; dat die overweging voorkomt als een ten overvloede gegeven overweging, die de zelfstandige overweging in verband met de conclusies van het milieueffectenrapport onaangetast laat; dat het tweede onderdeel derhalve niet tot de schorsing van het bestreden besluit lijkt te kunnen leiden, en het mitsdien onontvankelijk lijkt; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat dit onderdeel gericht is tegen een van de motieven waarop het college van burgemeester en schepenen heeft gesteund om het bezwaar van de verzoekster te verwerpen; dat dit motief weliswaar wordt bijgevallen door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, doch dat deze daaraan eigen motieven toevoegt, welke hiervóór, bij het onderzoek van het tweede onderdeel, vermeld zijn; dat het in het eerste onderdeel bestreden motief voorkomt als een ten overvloede gegeven motief, dat de zelfstandige overweging in verband met de conclusies van het milieueffectenrapport onaangetast laat; dat het tweede onderdeel derhalve niet tot de schorsing van het bestreden besluit lijkt te kunnen leiden, en het mitsdien onontvankelijk lijkt; Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat dit onderdeel gericht is tegen de overweging dat het in de aanvraag voorgestelde traject, door het gazon en langs de oprit, wordt ondersteund door het milieueffectenrapport, dat het als het minst schadelijke voor het park beschouwt, mits er voorzien wordt in een aantal milderende maatregelen; dat in het onderdeel enkel kritiek wordt uitgeoefend op twee specifieke vaststellingen in het milieueffectenrapport, die te maken hebben met de schade die het gevolg zou zijn van het door de verzoekster voorgestelde alternatieve tracé; dat in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk naar die vaststellingen X-12.391-9/11 wordt verwezen; dat in het onderdeel geen kritiek wordt uitgeoefend op de wijze waarop het bestreden besluit de schade ten gevolge van het in de aanvraag voorgestelde tracé beoordeelt; dat zelfs al mocht de kritiek op de genoemde vaststellingen van het milieueffectenrapport gegrond zijn, daaruit niet de onredelijkheid volgt van de beoordeling dat het in de aanvraag voorgestelde tracé als het minst schadelijke beschouwd moet worden; dat het derde onderdeel derhalve niet tot de schorsing van het bestreden besluit lijkt te kunnen leiden, en het mitsdien onontvankelijk lijkt; Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen ernstig is;
  10. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  11. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. AQUAFIN in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  12. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  13. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.391-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.391-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.947 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.