← België

Arrest 152948 - - 20/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.948 Rolnummer: Zaak: Arrest 152948 - - 20/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-06 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 06:58 Fiche Arrest nr 152.948 van 20 december 2005 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 152.948 van 20 december

  1. in de zaken A. 159.357/X-12.180 A. 159.603/X-12.
  2. I In zake :
  3. Joris VAN WALLEGHEM,
  4. Dorine VERGOTE, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
  5. de gemeente ZONNEBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaten J. BOUCKAERT en T. GERNAEY, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1,
  6. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  7. tussenkomende partijen :
  8. de n.v. INAFZO,
  9. de n.v. FIVANCO, die woonplaats kiezen bij Advocaat R. HONORE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A. II. In zake : Godfried OSTYN, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN WALLEGHEM, kantoor houdende te 8980 ZONNEBEKE, Ieperstraat 176 tegen :
  10. de gemeente ZONNEBEKE, die woonplaats kiest bij Advocaten J. BOUCKAERT en T. GERNAEY, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus 1,
  11. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  12. X-12.180-1/8 tussenkomende partijen :
  13. de n.v. INAFZO,
  14. de n.v. FIVANCO, die woonplaats kiezen bij Advocaat R. HONORE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joris VAN WALLEGHEM en Dorine VERGOTE op 20 januari 2005 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 22 november 2004 van de gemeente Zonnebeke houdende afgifte van een stedenbouwkundige vergunning aan de n.v. INAFZO en de n.v. FIVANCO voor het regulariseren en herstructureren van een kleiontginning en de aanleg van een openbaar, sportief en educatief bos met bijhorende voorzieningen op een terrein gelegen Zonnebeke, Ieperstraat 192 kadastraal bekend Zonnebeke 1e Afdeling (Zonnebeke), Sectie A, nrs. 244B, 263A, 312E, 344G 2, 349F, 350B en 369F (A. 159.357); Gezien het verzoekschrift dat Godfried OSTYN op 28 januari 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A. 159.603); Gezien de nota's van de verwerende partijen in beide zaken; Gezien de verslagen in beide zaken opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen in beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 20 en 21 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 oktober 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; X-12.180-2/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat Th. EYSKENS die loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen in de zaak A. 159.357 en die eveneens loco Advocaat J. VAN WALLEGHEM verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak A. 159.603, van Advocaat J. BOUCKAERT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat F. TEMMERMAN die loco Advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, van Advocaat H. VANDEN BERGHE die loco Advocaat R. HONORÉ verschijnt voor de n.v. INAFZO, en van Advocaat J. GOETHALS die loco Advocaat A. LUST verschijnt voor de n.v. FIVANCO; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS in beide zaken; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal in beide zaken;
  15. Overwegende dat de vorderingen in de zaken A. 159.357/X-12.180 en A. 159.603/X-12.189 gericht zijn tegen hetzelfde besluit; dat de twee vorderingen samenhangend zijn, en dan ook samengevoegd worden;
  16. Overwegende dat de naamloze vennootschap INAFZO en de naamloze vennootschap FIVANCO met verzoekschriften van 10 en 18 februari 2005 hebben gevraagd om in het administratief kort geding in de respectieve zaken A. 159.357/X-12.180 en A. 159.603/X-12.189 te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen;
  17. Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke op 5 juni 2001 aan de tussenkomende partijen een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend met betrekking tot een terrein gelegen te Zonnebeke; dat de vergunning betrekking had op het regulariseren en het herstructureren van een kleiontginning, en op de aanleg van een openbaar, sportief en educatief bos met bijhorende voorzieningen; dat die vergunning evenwel vervallen is; X-12.180-3/8 Overwegende dat de tussenkomende partijen op 9 december 2003 een nieuwe aanvraag hebben ingediend, tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met in essentie hetzelfde voorwerp; Overwegende dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek over de nieuwe aanvraag 21 bezwaarschriften zijn ingediend; dat over de aanvraag op 4 november 2004 een gunstig advies is gegeven door de gemachtigde ambtenaar; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Zonnebeke bij besluit van 22 november 2004 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vorderingen tot schorsing;
  18. Overwegende dat de eerste verweerster en de tussenkomende partijen in de zaak A. 159.603 /X-12.189 een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpen, afgeleid uit het ontbreken van belang in hoofde van de verzoeker; dat in de exceptie wordt aangevoerd dat de verzoeker niet ter plaatse woont, en dat de percelen waarvan hij eigenaar is, gelegen zijn op meer dan 350 m van de uiterste grens van zone 5 van de stortplaats; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken;
  19. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen nadeel kan berokkenen;
  20. Overwegende, wat het vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat de verzoekers in de zaak A. 159.357/X-12.180 in de eerste plaats aanvoeren dat de reliëfwijzigingen, die plaatsvinden in de onmiddellijke nabijheid van hun eigendom, grote visuele nadelen, geluidsoverlast en daarenboven, gelet op de aard van de materialen die daarvoor aangewend zullen worden, stof-, stank- en luchtverontreiniging met zich brengen; dat het onmogelijk is om, eens de illegaal uitgevoerde werken bedekt zijn onder een massa industrieel (gevaarlijk en X-12.180-4/8 niet-gevaarlijk) stortafval, een mogelijk vernietigingsarrest tot uitvoering te brengen, en dat het uitmesten van een illegaal afvalstort in elk geval geen sinecure is; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de visuele barrière, bestaande uit de inplanting van een stortplateau met een hoogte van ongeveer 6 m boven het maaiveld, voorzien van een hekkenafsluitingssysteem, een rondgang en daarbovenop het zogenaamde "openbaar en sportief bos", onaanvaardbaar is, dat hun zicht aldus integraal wordt ontnomen, dat het massief stortplateau hen elke normale belevingswaarde ontneemt, en dat een dergelijk nadeel uit zijn aard ernstig en moeilijk te herstellen is; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat de reliëfwijziging grotendeels verwezenlijkt wordt door een stort van gevaarlijk en industrieel afval van categorie I, en dat het niet denkbeeldig is dat de materialen waarmee het volstorten van de kleiputten en de reliëfwijziging dienen te geschieden, het grondwater aantasten dat de verzoekers van water voorziet, dat op de percelen van de verzoekers aan landbouwexploitatie wordt gedaan, en dat de ernstige dreiging van waterverontreiniging en de door de wind meedraagbare deeltjes van het industriële afvalstort het einde van een normale landbouwexploitatie betekenen, dat het storten van industrieel (gevaarlijk en niet- gevaarlijk) afval van categorie I naast een grote lawaaioverlast ernstige stof- en geurhinder meebrengt, met als gevolg de geleidelijke vergiftiging van de gronden; dat schade aan de gezondheid door inademing niet of moeilijk te herstellen ernstig is; dat de chemische lucht- en bodemverontreiniging een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is; Overwegende dat de verzoeker in de zaak A. 159.603 /X-12.189 in de eerste plaats melding maakt van de verontreiniging, ten gevolge van het storten van afvalstoffen, van water en lucht (het stof, de stank van sterk chemisch geconcentreerde lucht), van lawaaihinder en van andere negatieve effecten (onder meer een waardevermindering voor de percelen waarvan de verzoeker eigenaar is), dat de gevolgen van het storten van een grote massa industriële afval gedurende tien jaren moeilijk te herstellen zijn, dat het nadeel verbonden aan het opstarten van de stortactiviteiten per definitie een moeilijk te herstellen nadeel is; dat de verzoeker voorts aanvoert dat er vanop zijn hoger gelegen eigendom rechtstreekse inkijk is op de stortplaats, dat hij ook aanvoert dat de activiteiten van reliëfwijziging zorgen, niet enkel voor geluidsoverlast en visuele nadelen, maar ook voor stof-, stank- en luchtverontreiniging; dat de verzoeker ten slotte aanvoert dat het steevast verkrachten van zijn recht op de naleving van een goed geordende ruimte zeer ernstig en moeilijk herstelbaar is; X-12.180-5/8 Overwegende dat, in zoverre de verzoekers zich beroepen op het nadeel dat ontstaan is uit de werken en handelingen welke bij de bestreden vergunning worden geregulariseerd, het een nadeel is dat niet meer kan worden verholpen door de schorsing van de vergunning; Overwegende dat, wat de nog uit te voeren werken en handelingen betreft, de verzoekers zich niet lijken te beroepen op enig nadeel dat zou voortvloeien uit de kleiontginning, doch enkel op het nadeel dat zal voortvloeien uit het opvullen van de kleiputten met afvalstoffen en uit het ophogen van de volgestorte kleiputten, ter verwezenlijking van de nabestemming; Overwegende dat de verzoekers geen concrete gegevens aanbrengen in verband met de geluidsoverlast en de stof-, stank- en luchtverontreiniging; dat het bedoelde nadeel bovendien voortvloeit uit de wijze waarop de stortplaats zal worden geëxploiteerd, en niet uit de thans vergunde wijziging van het reliëf; dat de verzoekers voorbijgaan aan de voorwaarden die in dit verband aan de tussenkomende partijen zijn opgelegd bij de milieuvergunning, verleend bij besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 19 juli 2004; Overwegende dat de verzoekers evenmin concrete gegevens aanbrengen in verband met de aantasting van het grondwater; dat zij op dit punt trouwens slechts gewag maken van de mogelijkheid van een dergelijke aantasting, zonder nader in te gaan op de mate van waarschijnlijkheid dat het risico zich ook effectief realiseert; Overwegende, wat de visuele hinder betreft, dat de verzoeker in de zaak A. 159.603/X-12.189 het heeft over een rechtstreekse inkijk op de stortplaats vanuit zijn hoger gelegen eigendom; dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de ontginnings- en stortactiviteiten plaatsvinden in een diepe put, en dat een groenscherm is aangeplant dat de site voor een groot deel aan het zicht onttrekt; dat de verzoeker in gebreke blijft het nadeel concreet te omschrijven; Overwegende, nog in verband met de visuele hinder, dat de verzoekers in de zaak A. 159.357/X-12.180 aanvoeren dat hun zicht na afloop van de vergunde werken zal worden ontnomen door "een stortplateau met een hoogte van zo’n 6 m boven het maaiveld, voorzien van een hekkenafsluitingssysteem, een X-12.180-6/8 rondgang en daarbovenop het zgn. openbaar en sportief bos"; dat, zoals onder meer blijkt uit de beoordeling van de bezwaren van de verzoekers door het college van burgemeester en schepenen, het voorwerp van de aanvraag van de tussenkomende partijen mede omvat de verwezenlijking van de nabestemming, in overeenstemming met de bepalingen van het gewestplan, en dat daartoe bij de aanvraag een landschapsstudie en een landschapsplan zijn gevoegd; dat een vergunning wordt verleend voor de afwerking van de zone, bestaande uit de inrichting en de beplanting van een bos en uit de aanleg van een aantal bouwwerken in dat bos, met name een sportinfrastructuur (fit-o-meter), een polyvalente overdekte ruimte, een overdekte picknicktafel en een informatiepaneel; dat uit de enkele vaststelling dat een plateau zal worden opgericht, overigens met een hoogte die door de tussenkomende partijen wordt betwist en waarvoor de verzoekers geen concrete berekening geven, niet kan worden afgeleid dat de verwezenlijking van de nabestemming aanleiding zal geven tot een ernstig nadeel; dat de verzoekers geen concrete gegevens aanbrengen waaruit zou blijken dat het bos, aan te planten overeenkomstig de landschapsstudie, ten opzichte van de omgeving een visuele hinder zou uitmaken, laat staan dat die hinder ernstig zou zijn; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de verzoekers het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voortvloeiend uit de bestreden vergunning, niet aantonen, of minstens, dat zij niet aantonen dat zulk nadeel door de schorsing van de vergunning zou kunnen worden verholpen;
  21. Overwegende dat aldus zowel in de zaak A. 159.357/X-12.180 als in de zaak A. 159.603/X-12.189 niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vorderingen af te wijzen, X-12.180-7/8 BESLUIT: Artikel
  22. De zaken A. 159.357/X-12.180 en A. 159.603/X-12.189 worden gevoegd. Artikel
  23. De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. INAFZO en de n.v. FIVANCO in de vorderingen tot schorsing worden ingewilligd. Artikel
  24. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing worden uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedures, bepaald op 500 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig december 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.180-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.948 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.