← België

Arrest 153065 - Telecommunicatie - 21/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.065 Rolnummer: Zaak: Arrest 153065 - Telecommunicatie - 21/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-13 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-03 07:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 153.065 van 21 december 2005 Economische zaken - Telecommunicatie Beslissing : Bevolen bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE Nr. 153.065 van 21 december 2005 A. 141.929/V-1675 A. 141.932/V-1676 A. 141.931/V-1677 In zake : 1. de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, 2. de "Radio-Télévision belge de la Communauté française de Belgique" (RTBF), 3. de NV INADI, die alle woonplaats kiezen bij Mr. François TULKENS, advocaat, Terhulpsesteenweg 177/6 1170 Brussel, tegen: de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Bart STAELENS, advocaat, Gerard Davidstraat 46/1 8000 Brugge. Tussenkomende partij: de vennootschap "4FM GROEP NV", die woonplaats kiest bij Mr. Patrick PEETERS, advocaat, Brederodestraat 13 1000 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, ZITTING HOUDEND IN KORT GEDING, Gezien het op 23 september 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij de Franse Gemeenschap de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere V - 1675 - 1/36 landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen (A.141.929/V-1675); Gezien het op 23 september 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij de NV INADI de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen "of op zijn minst van 3 in artikel 2 bedoelde frequenties die worden vermeld in bijlage 1 bij het voornoemde besluit en, bijgevolg, van dezelfde in de artikelen 3 tot 5 bedoelde frequenties die worden vermeld in de bijlagen 2 tot 4 bij hetzelfde besluit, namelijk : Gent 103,5 MHz, Leuven 103,6 MHz, Leuven 104 MHz; (A.141.931/V-1677); Gezien het op 23 september 2003 ingediende verzoekschrift, waarbij de "Radio-Télévision belge de la Communauté française de Belgique" (RTBF) de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio- omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen of "op zijn minst van 55 in artikel 2 bedoelde frequenties die worden vermeld in bijlage 1 bij het voornoemde besluit en bijgevolg, van dezelfde in de artikelen 3 tot 5 bedoelde frequenties die worden vermeld in de bijlagen 2 tot 4 bij hetzelfde besluit", namelijk : Aalst 102,7 MHz, Antwerpen 92,9 MHz, Antwerpen 99,2 MHz, Antwerpen l04,6 MHz, Beersel l05,6 MHz, Beringen 92,8 MHz, Beringen 98,4 MHz, Beringen 106,4 MHz, Berlaar 92,7 MHz, Beveren 106,1 MHz, Bilzen 106,2 MHz, Borgloon-Heers 105,6 MHz, Bree 103,0 MHz, Brugge 91,3 MHz, Brussegem 95,6 MHz, Brussel 98,1 MHz, Brussel 98,4 MHz, Brussel 98,8 MHz, Brussel l02,5 MHz, Dendermonde 92,2 MHz, Diest 99,0 MHz, Eeklo 102,6 MHz, Egem 98,2 MHz, Egem 103,0 MHz, Genk 94,7 MHz, Genk 102,5 MHz, Gent 92,8 MHz, Gent 99,4 MHz, Gent 104,5 MHz, Geraardsbergen 104,9 MHz, Haaltert 105,8 MHz, Hasselt 99,2 MHz, Herentals 92,2 MHz, Herzele 90,9 MHz, Heuvelland-Wijtschate 93,2 MHz, Ichtegem 105,8 MHz, Kapellen Stabroek 105,9 MHz, Kortrijk 106,4 MHz, Lennik-Dilbeek 105,9 MHz, Leuven 102,6 MHz, Leuven-Holsbeek 105,6 MHz, Mechelen 96,7 MHz, Mechelen 99,0 MHz, Ninove 106,2 MHz, Oostende 87,6 MHz, V - 1675 - 2/36 Oostende 104,5 MHz, Oostvletteren 101,0 MHz, Oudenaerde 104,8 MHz, Poperinge 104,5 MHz, Schoten 102,9 MHz, Sint-Pieters-Leeuw 103,1 MHz, Sint-Truiden 89,2 MHz, Tongeren 94,8 MHz, Turnhout 90,6 MHz, Veltem 95,8 MHz (A.141.932/V- 1676); Gezien de op dezelfde dag ingediende verzoekschriften, waarbij dezelfde verzoekende partijen de nietigverklaring van hetzelfde besluit vorderen; Gezien de op 4 december 2003 ingediende verzoekschriften, waarbij de vennootschap "4FM GROEP NV" vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden in het kort geding in de zaken A.141.929/V-1675 en A.141.932/V-1676; Gezien de nota's met opmerkingen en het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag van de heer E. THIBAUT, auditeur bij de Raad van State; Gelet op de beschikkingen van 13 april 2004, waarbij wordt bepaald dat de zaken voorkomen op de terechtzitting van 11 mei 2004 om 9.30 uur; Gelet op de kennisgeving aan de partijen van het verslag en van de beschikkingen tot vaststelling van de rechtsdag; Gehoord het verslag van de heer P. LIÉNARDY, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. F. TULKENS, advocaat, die voor de verzoekende partijen verschijnt, van Mr. B. STAELENS, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt en van Mr. P. PEETERS, advocaat, die voor de tussenkomende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer E. THIBAUT, auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in de drie verzoekschriften de schorsing van de tenuitvoerlegging van het voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 wordt gevorderd, in het eerste verzoekschrift in zijn geheel, in het tweede en het derde V - 1675 - 3/36 verzoekschrift in zijn geheel of "op zijn minst" voor bepaalde frequenties die zijn toegekend aan bepaalde particuliere landelijke radio-omroepen; dat de aangevoerde middelen in ruime mate dezelfde zijn; dat het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel ook samen moet worden onderzocht in de drie zaken; dat de zaken verknocht zijn en moeten worden samengevoegd in het belang van een goede rechtsbedeling; Overwegende dat de vennootschap "4FM GROEP NV" bij twee verzoeken tot tussenkomst van 4 december 2003, die op 5 december 2003 op de griffie zijn ingekomen, vraagt om in de schorsingsgedingen te mogen tussenkomen; dat de verzoekende partij tot tussenkomst is aangewezen als regionale radio-omroep en houder is van een deel van de omstreden frequenties; dat ze haar statuten heeft ingediend en de stukken tot staving van de hoedanigheid van de personen die hun handtekening geplaatst hebben onder de beslissing om het verzoek tot tussenkomst in te indienen; dat ze belang heeft bij de afloop van die zaken; dat er grond is om die verzoeken in te willigen; Overwegende dat de tweede verzoekende partij op 29 december 2003 haar vordering heeft aangevuld wat het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft; dat die bijkomende stukken evenwel na het verzoekschrift zijn ingestuurd; dat die bijkomende stukken uit de debatten moeten worden geweerd; Overwegende dat de volgende feiten dienstig zijn voor het onderzoek van de vorderingen tot schorsing: 1. Op 28 april 2000 deelt de directeur-generaal van de afdeling Media en Films van de Vlaamse Gemeenschap aan het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (BIPT) mee dat de Vlaamse Gemeenschap 67 FM-zenders in werking wenst te stellen en vraagt hij aan het BIPT om de coördinatieprocedure aan te vatten waarvan sprake is in de artikelen 4 en 5 van het Akkoord van Genève 1984 en in artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreffende de klankradio-omroep in frequentiemodulatie in de band 87,5 MHz - 108 MHz. Die aanvraag gaat vergezeld van een tabel met de kenmerken van die zenders en telkens de vermelding of het gaat om nieuwe zenders dan wel om wijzigingen aan bestaande zenders. 2. Volgens de vaststellingen van arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 deelt het BIPT op 29 juni 2000 aan de diensten van de Vlaamse Gemeenschap mee dat de Franse Gemeenschap zich verzet tegen de voormelde coördinatieaanvraag en een lijst van zenders overlegt die niet bestaanbaar zouden zijn met die van de Franse Gemeenschap. V - 1675 - 4/36 3. Op 17 november 2000 wordt de oorspronkelijke aanvraag op verzoek van de diensten van de verwerende partij aangepast naar aanleiding van coördinatiebesprekingen met Nederland. 4. Volgens de vaststellingen van het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 deelt het BIPT met brief van 22 januari 2001 aan de diensten van de Vlaamse Gemeenschap mee dat het de coördinatieprocedures heeft aangevat en verscheidene antwoorden heeft ontvangen. Bij die brief zijn twee brieven gevoegd van de Franse Gemeenschap en de RTBF, waarin deze zich verzetten tegen de coördinatieaanvraag wegens de grondige verstoring van een, in een niet-exhaustieve lijst opgesomd aantal zenders in de Franse Gemeenschap, door het in werking stellen van de in de coördinatieaanvraag vermelde zenders, waarbij ook gewag gemaakt wordt van problemen in verband met de wettigheid van het voormelde koninklijk besluit van 10 januari 2000, alsmede met de wijziging die het grote aantal gevraagde frequenties teweegbrengt in het evenwicht tussen de gemeenschappen. 5. Volgens de vaststellingen van het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 melden de diensten van de Vlaamse Gemeenschap op 23 januari 2001 ontvangst van de brief van 22 januari 2001 van het BIPT en nemen zij akte van de weigering van de Franse en Duitstalige Gemeenschap alsmede van de BRF en de RTBF en vragen zij om spoedige mededeling van de gedetailleerde lijsten waarop deze weigeringen gebaseerd zijn. 6. Volgens de constateringen van het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 wordt in een 4 april 2001 gedateerde niet-ondertekende lijst aangegeven welke van de aangevraagde frequenties niet compatibel geacht worden met zenders van de Franse Gemeenschap. 7. Volgens de constateringen van het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 zijn op een onbekende datum drie niet-ondertekende en niet-gedateerde lijsten van zenders in omloop tussen niet-identificeerbare personen. De eerste heeft als onderwerp zenders waarmee de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap in principe volledig instemmen, de tweede die welke nog verder besproken moeten worden en de derde vermeldt zenders die incompatibel zijn met de zenders van de Franse Gemeenschap, de Duitstalige Gemeenschap en/of de Vlaamse Gemeenschap. 8. Volgens de constateringen van het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 verzoeken de diensten van de Vlaamse Gemeenschap, die van oordeel zijn dat V - 1675 - 5/36 de internationale coördinatie is afgehandeld en er sedert 21 mei 2001 een beginselakkoord bestaat tussen de gemeenschappen omtrent de in de bijlage vermelde frequenties, het BIPT op 1 juni 2001 vast te stellen dat de interne coördinatie tot een goed einde is gebracht op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur. 9. Op 8 juni 2001 vaardigt de Vlaamse regering een besluit uit houdende bepaling van het aantal landelijke radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking van de landelijke radio- omroepen worden gesteld. Tegen dat besluit zijn door de Franse Gemeenschap en door de RTBF een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld, welke ingeschreven zijn onder de nummers A.108.832/V-1613 en A.108.981/V-1614. 10. Op 22 juni 2001 delen de diensten van de verwerende partij het BIPT mee dat de Vlaamse Gemeenschap de intentie heeft om het gedeelte 102,5 tot 104,8 MHz van de FM-band te reorganiseren door de bestaande situatie voor 60 frequenties grondig te wijzigen, terwijl ze stelt dat ze van plan is 61 zenders op te geven zodra de coördinatie uitgevoerd is, en verzoeken ze het BIPT de coördinatieprocedure op te starten. Bijlage 2 bij die aanvraag heeft betrekking op de nationale coördinatie en omvat 60 zenders. 11. Op 18 juli 2001 weigert de Minister van de Franse Gemeenschapsregering die bevoegd is voor de audiovisuele sector in te stemmen met de 60 frequenties waarvoor om coördinatie is verzocht. Op 10 augustus 2001 doet de administrateur-generaal van de RTBF hetzelfde. 12. Op 23 augustus 2001 brengt het BIPT de diensten van de verwerende partij op de hoogte van de ongunstige gevolgen gegeven aan de coördinatie-aanvraag d.d. 22 juni 2001. 13. Bij het voormelde arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 wordt de tenuitvoerlegging van het voornoemde besluit van de Vlaamse Gemeenschapsregering van 8 juni 2001 gedeeltelijk geschorst, aangezien het middel dat ontleend was aan schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreffende de klankradio-omroep in frequentiemodulatie in de band 87,5Mhz - 108 MHz, ernstig werd V - 1675 - 6/36 geacht en het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bewezen werd geacht. Datzelfde arrest bepaalt voorts dat het bij uittreksel bekendgemaakt dient te worden. 14. Op 29 november 2002 hecht het Overlegcomité Federale Regering - Gemeenschaps- en Gewestregeringen zijn principiële goedkeuring aan de radiofrequenties in de FM-band onder de opschortende voorwaarde van een laatste verificatie door de Franse Gemeenschap van negen frequenties teneinde na te gaan of zij het grondgebied van Brussel optimaal bestrijken, en beslist het Overlegcomité dat in geval van problemen het dossier opnieuw aan dat comité zal worden voorgelegd. 15. Op 2 december 2002 vragen de diensten van de Administratie Media van de Vlaamse Gemeenschap het BIPT om de coördinatie uit te voeren van 21 FM-zenders. 16. Op 6 december 2002 vraagt het BIPT inzonderheid aan de Franse Gemeenschap om een advies uit te brengen over de aanvraag tot coördinatie van de 21 voornoemde zenders en geeft het daarbij aan dat indien ze niet antwoordt vóór 2 februari 2003, zij geacht zal worden daarmee in te stemmen. De Franse Gemeenschap heeft naar aanleiding van een vraag in dat verband geen enkel relevant antwoord gericht aan de auditeur-rapporteur. 17. Op 28 januari 2003 geeft de directeur van het Bureau des relations techniques extérieures van de RTBF te kennen dat hij niet instemt met de 21 frequenties waarvoor coördinatie was gevraagd, omdat hij vreest dat zijn frequenties zullen worden verstoord. 18. Tussen 13 maart en 28 juli 2003 weigeren de Franse Gemeenschap en de RTBF in te stemmen met de volgende frequenties waarvoor om coördinatie was verzocht: Sint-Niklaas 93,5; Brussel 98,4; Tongeren 89,1; Sint-Truiden 89,2; Aalst 90,0; Tielen 91,4; Turnhout 95,1; Hamont-Achel 96,5; Beringen 98,4; Mechelen 99,0; Hasselt 99,2; Ninove 99,7; Diest 99,0; Kortrijk 92,7; Aalter 107,8; Tielt 105,8 en 106,5 MHz. 19. Op 18 maart 2003 brengt het BIPT de diensten van de verwerende partij op de hoogte van de situatie betreffende de coördinatieaanvraag van 22 juni 2001. In de samenvattende tabel van de antwoorden staat weliswaar de datum van de brief van de RTBF vermeld, maar wordt geenszins aangegeven dat die instelling een negatief advies zou hebben uitgebracht, terwijl dat overzicht twee weigeringen bevat van de Duitstalige Gemeenschap en de BRF voor de frequenties 95 MHz (Ninove) en 95.6 (Brussegem) en van Belgocontrol voor de frequenties 95 MHz (Ninove) en 106 MHz (Brugge). V - 1675 - 7/36 20. Op 26 mei 2003 vragen de diensten van de Administratie Media van de Vlaamse Gemeenschap het BIPT naar de stand van zaken van de coördinatie en verzoeken zij om de akkoorden te bevestigen die over de voorgaande aanvragen werden bereikt. 21. Op 12 juni 2003 antwoordt het BIPT aan de verwerende partij dat, wat de nationale coördinatie betreft, alle aanvragen onderworpen zijn aan de procedure van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992, dat de gedetailleerde technische "akkoorden" tussen de gemeenschappen zijn besproken op vergaderingen op het kabinet van de Eerste Minister en in technische werkgroepen die daartoe zijn opgericht; dat dit overleg tijdens de verschillende overlegvergaderingen uitgemond is in een lijst met een aantal technische akkoorden en beperkingen, dat de lijst met akkoorden door het BIPT werd bijgehouden, dat die akkoorden ervoor zouden moeten zorgen dat de frequentieplannen in de drie gemeenschappen op elkaar zijn afgestemd; dat het BIPT niet betrokken is geweest bij de rechtstreekse gesprekken tussen de gemeenschappen onderling, dat er nog een aantal onopgeloste problemen zijn in verband met Franstalige Brusselse zenders waarvan de lijst niet aan het BIPT is meegedeeld, dat het BIPT oordeelt dat de procedure tot coördinatie van die zenders momenteel afgesloten is, met andere woorden dat het BIPT niet van oordeel is dat het zelf, binnen de bevoegdheden die het krachtens het koninklijk besluit bezit, voor die zenders nog bijkomende stappen moet ondernemen; dat het aan de Vlaamse gemeenschap staat om uit hetgeen voorafgaat de gepaste juridische conclusies te trekken om de aan coördinatie onderworpen frequentietoewijzingen te vergunnen en dat het BIPT van oordeel is dat de frequentieplannen in de drie gemeenschappen in vrij grote mate geconvergeerd zijn, enkele probleemgevallen niet te na gesproken. 22. Op 27 juni 2003 meldt de directeur-generaal van de Afdeling Media en Film van de Vlaamse Gemeenschap aan de administrateur-generaal van het BIPT dat de nationale coördinatieprocedure volledig afgerond is, zoals zulks bevestigd is in het als bijlage bij die brief gevoegde verslag d.d. 29 november 2002 van het Overlegcomité, en vraagt hij hem om vast te stellen dat de coördinatieprocedure afgerond is. 23. Op 18 juli 2003 vaardigt de Vlaamse Gemeenschapsregering het volgende besluit uit: " 18 JULI 2003. - Besluit van de Vlaamse regering houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen V - 1675 - 8/36 De Vlaamse regering, Gelet op de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, inzonderheid op artikel 29, § 2 en § 3, vervangen bij het decreet van 25 oktober 2002 en gewijzigd bij het decreet van 4 juni 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2001 houdende bepaling van het aantal landelijke radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking van de landelijke radio- omroepen worden gesteld; Overwegende dat een aanvraag tot coördinatie, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreffende de klankradio-omroep in de frequentiemodulatie in de band 87,5 MHz-108 MHz, op 28 april en 17 november 2000 en op 22 juni 2001 bij het BIPT werd ingediend; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 8 mei 2003; Overwegende dat de internationale coördinatieprocedure is afgerond; Overwegende dat de onderhandelingen met de Franse en Duitstalige Gemeenschap werden afgerond en dat voor de frequentiemodulatie in de band 104,9 MHz-107,9 MHz het bestaande frequentieplan werd behouden, dat de coördinatieprocedure bijgevolg werd afgerond; Op voorstel van de Vlaamse minister van Wonen, Media en Sport, Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1. Voor de Vlaamse Gemeenschap kan de Vlaamse regering per categorie het volgende aantal particuliere radio-omroepen erkennen : 1o 2 landelijke radio-omroepen; 2o 1 regionale radio-omroep per provincie; 3o 294 lokale radio-omroepen. Art. 2. Voor de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen wordt het frequentieplan, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit, vastgesteld. Art. 3. Aan elk van de landelijke radio-omroepen wordt één van de frequentiepakketten, vermeld in bijlage 2 bij dit besluit, ter beschikking gesteld. Art. 4. Aan elk van de regionale radio-omroepen worden per provincie de in bijlage 3 bij dit besluit vermelde frequenties ter beschikking gesteld. Art. 5. Aan elk van de lokale radio-omroepen wordt één van de frequenties, vermeld in bijlage 4 bij dit besluit, ter beschikking gesteld. Art. 6. Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 2001 houdende bepaling van het aantal landelijke radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking van de landelijke radio- omroepen worden gesteld, wordt opgeheven. Art. 7. Dit besluit treedt in werking de dag waarop de zendvergunningen, bedoeld in artikel 29, § 3, van de decreten betreffende de radio en televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, worden uitgereikt. V - 1675 - 9/36 Art. 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het mediabeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit." Dat is het besluit waarvan de volledige of gedeeltelijke schorsing wordt gevorderd. 24. Op 29 juli 2003 antwoordt het BIPT op de brief van 27 juni 2003 van de Vlaamse Gemeenschap dat, wat de nationale coördinatie betreft, de gedetailleerde technische "akkoorden" tussen de gemeenschappen zijn besproken op vergaderingen op het kabinet van de Eerste Minister en in de technische werkgroepen die daartoe zijn opgericht, dat dit overleg tijdens de verschillende overlegvergaderingen uitgemond is in een lijst met een aantal technische akkoorden en beperkingen, dat het Overlegcomité zijn principiële goedkeuring heeft gehecht aan de frequentieplannen van de drie gemeenschappen onder de opschortende voorwaarde van een laatste verificatie van negen Franstalige zenders teneinde na te gaan of zij het grondgebied van BRUSSEL optimaal bestrijken en dat het BIPT van oordeel is dat, om dit dossier te kunnen afsluiten en met toepassing van een regel van behoorlijk bestuur, moet worden gesteld dat de procedure vervat in artikel 2 van het koninklijk besluit voor die zenders momenteel afgesloten is, onder de opschortende voorwaarde bepaald door het Overlegcomité. 25. In het Belgisch Staatsblad van 7 augustus 2003 wordt melding gemaakt van een drukfout in het voornoemde besluit van 18 juli 2003, dat op 25 juli 2003 bekendgemaakt was; in dat erratum worden de eerder bekendgemaakte bijlagen 1, 2, 3 en 4 vervangen door nieuwe tabellen. 26. Op 5 september 2003 vaardigt de Vlaamse Regering het volgende besluit uit: " Besluit van de Vlaamse regering houdende wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen De Vlaamse regering, Gelet op de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, inzonderheid op artikel 29, § 2 en § 3, vervangen bij het decreet van 25 oktober 2002 en gewijzigd bij het decreet van 4 juni 2003; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld V - 1675 - 10/36 van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen, inzonderheid op artikel 6 en 7; Overwegende dat elk misverstand met betrekking tot de datum waarop het frequentieplan van 8 juni 2001 wordt opgeheven en met betrekking tot de datum van inwerkingtreding van dit besluit moet worden uitgesloten; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 28 augustus 2003; Op voorstel van de Vlaamse minister van Wonen, Media en Sport; Na beraadslaging, Besluit: Artikel 1. Artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen wordt vervangen door wat volgt: «Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 25 juli 2003, met uitzondering van artikel 6 dat in werking treedt op de dag waarop de zendvergunningen, bedoeld in artikel 29, § 3, van de decreten betreffende de radio en televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, worden uitgereikt in uitvoering van het frequentieplan zoals vastgelegd bij dit besluit». (...)". I. Onderzoek van de ontvankelijkheid. 1. Excepties opgeworpen door de verwerende partij.

  1. a)Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep van de Franse Gemeenschap. Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A.141.929/V-1675 opmerkt dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ingesteld is door de Franse Gemeenschap, dat overeenkomstig artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de rechtsgedingen van de Gemeenschap als eiser namens de Regering gevoerd worden, ten verzoeke van het door de Regering aangewezen lid, dat dient te worden toegezien op de strikte toepassing van die bepaling, zoals wordt gesteld in arrest nr. 49.644 van 13 oktober 1994; dat de verwerende partij vaststelt dat het verzoekschrift dat ingediend is door de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in het onderhavige geval niet vermeldt welk lid door de Regering is aangewezen; dat zij daaruit afleidt dat het niet-vermelden van de minister, ten verzoeke van wie de Regering optreedt, noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat het verzoekschrift niet-ontvankelijk is; V - 1675 - 11/36 Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat artikel 7 van het bestreden besluit vervangen is bij een wijzigingsbesluit van 5 september 2003 en dat zij daaruit afleidt dat de eerste verzoekende partij ten aanzien van de artikelen 1, 1o, en 6 geen dadelijk belang meer heeft; Overwegende dat de verwerende partij, met verwijzing naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002, aanvoert dat de bevoegdheden van de eerste verzoekende partij geenszins aangetast worden door een bepaling waarmee wordt vastgesteld hoeveel landelijke, regionale of plaatselijke radio-omroepen erkend kunnen worden door de Vlaamse regering, en dat deze bepaling tot de uitsluitende bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap behoort, en daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het zogenaamde patrimonium van frequenties van deze verzoekende partij; dat het beroep ten aanzien van artikel 1 van het bestreden besluit onontvankelijk is wegens ontstentenis van belang;
  2. b)Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep van de N.V. INADI . Overwegende, in de zaak A.141.931/V-1677, dat de verwerende partij het dadelijk belang bij het beroep betwist wat betreft de artikelen 1, 1o, en 6 van het bestreden besluit, als gevolg van de wijziging van artikel 7 bij het wijzigingsbesluit van 5 september 2003; dat ze opmerkt dat deze verzoekende partij beweert een belang te hebben omdat de frequenties die haar zijn toegewezen door het bestreden besluit gestoord zouden worden, terwijl deze bewering feitelijke en wettelijke grondslag mist, dat deze verzoekende partij uit het oog verliest dat het bestreden besluit niet van die aard is dat ze haar nadeel berokkent, dat het bestaan van een frequentieplan op zich geen storingen kan meebrengen, die zich eerst na de toewijzing en de indienststelling van de frequenties zullen voordoen, dat zij geen rechtstreeks belang heeft, dat deze verzoekende partij nauwkeurig en in het verzoekschrift zelf dient aan te tonen welke frequenties gestoord zouden worden, zodat zulks kan worden gecontroleerd en de verwerende partij zich kan verdedigen, dat deze verzoekende partij zich niet kan beroepen op een storing van niet-gecoördineerde of door de Raad van State geschorste frequenties, dat deze verzoekende partij de lijst indient van de frequenties die door de Raad van State geschorst zijn, dat dit het geval is met frequentie "Brussel 104,0 MHz" en frequentie "Charleroi 103,5 MHz", dat het beroep bij gebrek aan een wettig belang onontvankelijk is, dat de verzoekende partij hoe dan ook er geen belang bij heeft het frequentieplan in zijn geheel aan te vechten, dat de studie van deze verzoekende partij in verband met de storingen eenzijdig is en geen belang kan wettigen en dat deze verzoekende partij met de verwijzing naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 niet aantoont welk belang ze erbij zou hebben het huidige artikel 1 aan te vechten, terwijl deze bepaling onder de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap valt, en de vaststelling van het V - 1675 - 12/36 aantal te erkennen radio's de opdrachten van de verzoekende partij, de kwaliteit die deze verzoekende partij nastreeft, of haar rechtstoestand niet in het gedrang mag brengen;
  3. c)Wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep van de RTBF. Overwegende dat de verwerende partij in de zaak A.141.932/V-1676 het dadelijk belang bij het beroep betwist wat betreft de artikelen 1, 1o, en 6 van het bestreden besluit, als gevolg van de wijziging van artikel 7 bij het wijzigingsbesluit van 5 september 2003; dat ze opmerkt dat deze verzoekende partij beweert een belang te hebben omdat haar frequenties door het bestreden besluit gestoord zouden worden, terwijl deze bewering feitelijke en wettelijke grondslag mist, dat deze verzoekende partij uit het oog verliest dat het bestreden besluit niet van die aard is dat ze haar nadeel berokkent, dat het bestaan van een frequentieplan geen storingen kan meebrengen, die zich eerst na de toewijzing en de indienststelling van de frequenties zullen voordoen, dat zij geen rechtstreeks belang heeft, dat deze verzoekende partij nauwkeurig en in het verzoekschrift zelf dient aan te tonen welke frequenties gestoord zouden worden, zodat zulks kan worden gecontroleerd en de verwerende partij zich kan verdedigen, dat deze verzoekende partij zich niet kan beroepen op een storing van niet-gecoördineerde of door de Raad van State geschorste frequenties, dat deze verzoekende partij de lijst van de frequenties indient die door de Raad van State geschorst zijn, dat dit het geval is met frequentie "Doornik 106,0 MHZ", dat het beroep bij gebrek aan een wettig belang onontvankelijk is, dat de verzoekende partij hoe dan ook er geen belang bij heeft het frequentieplan in zijn geheel aan te vechten, dat de studie van de RTBF in verband met de storingen eenzijdig is en geen belang kan wettigen en dat deze verzoekende partij met de verwijzing naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 niet aantoont welk belang ze erbij zou hebben het huidige artikel 1 aan te vechten, terwijl deze bepaling onder de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap valt, en de vaststelling van het aantal te erkennen radio's de opdrachten van de verzoekende partij, de kwaliteit die deze verzoekende partij nastreeft, of haar rechtstoestand niet in het gedrang mag brengen; 2. Excepties opgeworpen door de tussenkomende partij. Overwegende dat de tussenkomende partij uiteenzet dat de vorderingen tot schorsing niet ontvankelijk zouden zijn omdat de Franse Gemeenschap en de RTBF vragen om toepassing van artikel 94 van de algemene procedureregeling, zodat de procedures door elkaar worden gehaald, dat ze geen rechtstreeks belang hebben omdat het aangevoerde nadeel niet afhangt van het bestreden besluit, maar van de beslissing van het BIPT van 12 juni 2003, dat ze deze handeling, die rechtsgevolgen doet ontstaan, dienen te bestrijden, dat ze sinds meer dan 60 dagen kennis hadden van deze beslissing V - 1675 - 13/36 en dat dient te worden nagegaan of hun bevoegde organen binnen de termijn hebben besloten een schorsingsberoep in te stellen; 3. Onderzoek van de excepties.
  4. a)Ten aanzien van de vertegenwoordiging van de Franse Gemeenschap en van haar beslissing om in rechte op te treden. Overwegende dat artikel 82 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bepaalt dat de rechtsgedingen van de Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, worden gevoerd namens de Regering, ten verzoeke van het door de Regering aangewezen lid; dat de rechtspleging voor de afdeling Administratie van de Raad van State inquisitoir is, dit wil inzonderheid zeggen dat ze geleid wordt door de organen van de Raad van State; dat de verwerende partij de juridische hoedanigheid van de verzoekende partij niet verkeerd heeft kunnen inschatten en dat het de bevoegde minister van de Franse Gemeenschapsregering is die besloten heeft de onderhavige vordering in te stellen, een beslissing waarvan de genoemde Regering vervolgens akte heeft genomen, zoals blijkt uit het onderzoeksdossier; dat in tegenstelling tot de rechtspraak aangevoerd door de verwerende partij, in deze zaak geen delegatieprobleem rijst binnen de regering; dat in het onderhavige geval niet kan worden betwist dat het de bevoegde gemeenschapsminister is die de beslissing heeft genomen om in rechte op te treden en de omstandigheid dat hij niet wordt vermeld in de vordering tot schorsing er derhalve niet toe kan leiden dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard; dat de exceptie bijgevolg niet kan worden aangenomen;
  5. b)Ten aanzien van de beslissing van de RTBF om in rechte op te treden. Overwegende dat uit de stukken van het dossier blijkt dat de beslissing om in rechte op te treden is genomen door de voorzitter van de raad van bestuur van die verzoekende partij, overeenkomstig artikel 11 van het bestuursreglement, en deze beslissing op 25 september 2003 bekrachtigd is door de raad van bestuur; dat de exceptie afgewezen moet worden;
  6. c)Ten aanzien van de verwarring van de procedures. Overwegende dat, wat de eerste en de derde verzoekende partij betreft, de omstandigheid dat zij vragen om toepassing van artikel 94 van de algemene procedureregeling er niet toe kan brengen te oordelen dat zij niet in de eerste plaats de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit vorderen, dat deze exceptie V - 1675 - 14/36 alleen aangenomen zou kunnen worden indien de verzoekschriften slechts de schijn van vorderingen tot schorsing zouden vertonen, dat die hypothese, gezien de uiteenzetting van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, die in zulk een vordering tot schorsing vervat moet zijn, en die in casu aanwezig is, kan worden uitgesloten, dat de exceptie afgewezen moet worden;
  7. d)Ten aanzien van het belang bij de vordering tot schorsing wat sommige bepalingen van het bestreden besluit betreft en na de wijzigingen die daarin zijn aangebracht. Overwegende dat de exceptie in de eerste plaats betrekking heeft op artikel 1 van het bestreden besluit, dat luidt als volgt: " Artikel 1. Voor de Vlaamse Gemeenschap kan de Vlaamse Regering per categorie het volgende aantal particuliere radio-omroepen erkennen: 1o 2 landelijke radio-omroepen 2o 1 regionale radio-omroep per provincie; 3o 294 lokale radio-omroepen"; Overwegende dat deze bepaling geenszins afbreuk doet aan de bevoegdheden van de Franse Gemeenschap; dat ze bijgevolg geen belang kan wettigen om de nietigverklaring en, derhalve, de schorsing ervan te verkrijgen; dat de exceptie gegrond is; Overwegende dat artikel 6 van het bestreden besluit geredigeerd is als volgt: " Art. 6. Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juni 2001 houdende bepaling van het aantal landelijke radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende vaststelling van de frequentiepakketten die ter beschikking van de landelijke radio- omroepen worden gesteld, wordt opgeheven"; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van het voornoemde besluit van 8 juni 2001 gedeeltelijk geschorst is bij arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 op verzoek van onder meer de eerste verzoekende partij; dat artikel 7 van het bestreden besluit, vervangen bij het besluit van 5 september 2003, geredigeerd is als volgt: " Art. 7. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 25 juli 2003, met uitzondering van artikel 6 dat in werking treedt op de dag waarop de zendvergunningen, bedoeld in artikel 29, § 3, van de decreten betreffende de radio en televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995, worden uitgereikt in uitvoering van het frequentieplan zoals vastgelegd bij dit besluit"; Overwegende dat de Franse Gemeenschap er geen belang bij heeft om de schorsing te vorderen van een bepaling die eenmaal in werking tot gevolg heeft de V - 1675 - 15/36 opheffing van een besluit dat in zijn tenuitvoerlegging reeds gedeeltelijk geschorst is, aangezien zulk een bepaling haar geen nadeel kan berokkenen; Overwegende, ambtshalve, dat de Franse Gemeenschap er geen belang bij heeft de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te verkrijgen in zoverre hierbij frequenties worden toegewezen die voorheen gecoördineerd zijn, en het belang van de eerste verzoekende partij beperkt dient te worden tot de frequenties die het voorwerp moesten zijn van een coördinatie; Overwegende dat de exceptie van de verwerende partij gegrond is met betrekking tot artikel 6 van het bestreden besluit en dat, ambtshalve, het belang van de Franse Gemeenschap beperkt dient te worden tot de hiervoor bedoelde frequenties;
  8. e)Ten aanzien van de exceptie van de tussenkomende partij met betrekking tot de beslissing van het BIPT van 12 juni 2003. Overwegende dat in de brief van het BIPT van 12 juni 2003 een mening vervat ligt van dat instituut; dat die handeling de rechtsordening evenwel niet wijzigt; dat het immers aan de Vlaamse Regering staat om de frequenties toe te wijzen aan de radio- operatoren; dat deze brief van het BIPT niet kan worden beschouwd als een bestuurshandeling waartegen beroep kan worden ingesteld; dat de exceptie van de tussenkomende partij niet gegrond is;
  9. f)Ten aanzien van het belang van de tweede verzoekende partij. Overwegende dat de tweede verzoekende partij krachtens artikel 1 van het decreet van 14 juli 1997 houdende het statuut van de RTBF is opgericht, met de benaming "Radio-Télévision belge de la Communauté française", afgekort als RTBF; dat ze een autonoom overheidsbedrijf van culturele aard is van de Franse Gemeenschap, en rechtspersoonlijkheid heeft; dat haar doel bestaat in de exploitatie, inzonderheid door het produceren en het uitzenden van radio- en televisieprogramma’s, van diensten voor klank- en televisie-omroep; dat haar belang evenwel beperkt is tot de frequenties die haar klankradio-uitzendingen storen of kunnen storen; Overwegende dat de omstandigheid dat de studie van de storingen die het gevolg zijn van het bestreden besluit eenzijdig is, niets afdoet aan het belang van de tweede verzoekende partij; dat de exceptie, wat dit punt betreft, ongegrond is; V - 1675 - 16/36 Overwegende dat de enige zender van de RTBF waarvan bij het arrest nr. 66.657 van 10 juni 1997 de schorsing van de tenuitvoerlegging van de frequentietoewijzing bevolen is, volgens die verzoekende partij niet wordt gestoord ten gevolge van het bestreden besluit, zodanig dat de exceptie die door de verwerende partij opgeworpen wordt, wat dit punt betreft, niet kan worden aangenomen;
  10. g)Ten aanzien van de exceptie van de verwerende partij betreffende het belang van de derde verzoekende partij. Overwegende dat de derde verzoekende partij betoogt dat haar doel inzonderheid activiteiten in de audiovisuele sector in de ruime zin omvat en meer in het bijzonder bestaat in het verzorgen van radio-uitzendingen onder de handelsnaam Bel- RTL; dat haar belang evenwel beperkt is tot de in het bestreden besluit vermelde frequenties waardoor de frequenties die ze gebruikt gestoord worden of gestoord dreigen te worden; dat deze verzoekende partij melding maakt van de frequenties die in het bestreden besluit vermeld staan onder de nummers 131, 218 en 219, namelijk de volgende zenders: Gent (103,5 MHz), Leuven (103,6 MHz) en Leuven (104 MHz); Overwegende dat de frequentie van 104 MHz die de derde verzoekende partij in Brussel gebruikt, ter sprake is gekomen in arrest nr. 82.807 van 5 oktober 1999, waarbij de schorsing is bevolen van de tenuitvoerlegging van het besluit d.d. 21 april 1997 van de Franse Gemeenschapsregering betreffende de toewijzing van frequenties aan private radio's en de erkenning van deze radio's; dat het verder gebruik van deze frequentie dus ongeoorloofd is; dat de derde verzoekende partij derhalve niet doet blijken van een wettig belang om door de administratieve rechter te worden beschermd tegen storingen van een frequentie die in strijd met het voormelde arrest gebruikt wordt; Overwegende dat de frequentie 103,6 MHz te Leuven, tegen de toewijzing waarvan de derde verzoekende partij een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging heeft ingesteld, in verband moet worden gebracht met de frequentie 103,8 MHz die door deze verzoekster in bijlage 4 bij haar verzoekschrift wordt vermeld als een storende frequentie; dat dit gegeven uit het verzoekschrift steunt op berekeningen die deze verzoekende partij volgens theoretische modellen heeft gemaakt met de bedoeling te voorkomen dat haar zender van 104 MHz te Brussel gestoord wordt, hoewel ze die zender met schending van het voormelde arrest nr. 82.703 van 5 oktober 1999 gebruikt; V - 1675 - 17/36 Overwegende dat de omstandigheid dat het bestreden besluit reeds in werking getreden is, geen voorwaarde is waaraan voldaan moet zijn wil een beroep tegen een bestuurshandeling ontvankelijk zijn; dat verzoeker ten aanzien van het begrip belang bedoeld in artikel 19 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, doet blijken van een voldoende belang bij de nietigverklaring en de schorsing van een bestuurshandeling wanneer deze handeling een weerslag kan hebben op zijn situatie, zonder dat de toewijzing van de frequenties reeds geschied hoeft te zijn; Overwegende dat de omstandigheid dat de studie van de storingen die het gevolg zijn van het bestreden besluit eenzijdig is, niets afdoet aan het belang van de derde verzoekende partij; dat de exceptie, wat dit punt betreft, ongegrond is; Overwegende dat het belang van de derde verzoekende partij beperkt dient te worden tot de frequentie 103,5 MHz te Gent die bij het bestreden besluit wordt toegewezen, voorzover die de frequentie die zij wettig gebruikt, zou storen of zou kunnen storen; II Onderzoek van de grondvoorwaarden. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van het bestreden besluit kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1. De ernstige middelen. Overwegende dat de drie verzoekende partijen een tweede en een derde middel aanvoeren waarvan het tweede middel wordt ontleend aan schending van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreffende de klankradio-omroep in frequentiemodulatie in de band 87,5 MHz - 108 MHz, van de substantiële vormvereisten, van het beginsel van behoorlijk bestuur en aan dwaling omtrent het recht doordat de verwerende partij met de omstreden handeling frequenties heeft bepaald zonder de noodzakelijke voorafgaande coördinatie van het BIPT te verkrijgen, en waarvan het derde middel wordt ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, van het beginsel van federale loyauteit en van artikel 4, 6o, van de bijzondere wetten tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, juncto artikel 33 van de Grondwet, van artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992 betreffende de V - 1675 - 18/36 klankradio-omroep in frequentiemodulatie in de band 87,5 MHz - 108 MHz en van de substantiële vormvereisten, doordat in artikel 2 van en bijlage 1 bij het bestreden besluit 55 frequenties worden vermeld die pas kunnen worden toegekend na voleindiging van de procedure tot coördinatie; Overwegende dat de drie verzoekende partijen tot staving van het tweede middel uiteenzetten dat, aangezien bij het bestreden besluit in de aan de Vlaamse Gemeenschap toegekende frequenties wijzigingen worden aangebracht, de verwerende partij overeenkomstig artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 10 januari 1992 een aanvraag tot voorafgaande coördinatie moest indienen bij het BIPT, dat overgaat tot de coördinatie met de andere gemeenschappen, de Regie der Luchtwegen en de buitenlandse administraties (RvS, arrest nr. 82.703 van 5 oktober 1999, overwegingen 3.1.3.1.,3.1.3.2.), dat de Raad van State in zijn arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 geoordeeld heeft dat "het ontbreken van coördinatie een schending uitmaakt van een substantieel vormvereiste, dat de bevoegdheid van de betrokken gemeenschap raakt in haar relatie tot de federale overheid en ook is opgelegd in het belang van de andere gemeenschappen; dat het de openbare orde raakt"; dat de verzoekende partijen eveneens verwijzen naar arrest nr. 66.078 dat op 25 april 1997 door de Raad van State is gewezen; Overwegende dat de drie verzoekende partijen stellen dat in casu "de procedure tot coördinatie niet afgerond lijkt te zijn, noch op internationaal niveau, noch op nationaal niveau", dat op nationaal niveau door de Franse Gemeenschap en door de Duitstalige Gemeenschap, alsook door de RTBF en de BRF, omtrent de coördinatieaanvraag van 17 november 2000 een algemene weigering uitgesproken is, dat geen enkele andere coördinatieaanvraag tot resultaat heeft geleid, dat "het zich toe- eigenen bij wijze van bewarende maatregel van een deel van het frequentiespectrum, waaraan de verwerende partij zich schuldig maakt, in strijd is met het artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992, dat net vereist dat de coördinatie geschiedt voordat een frequentieplan wordt opgesteld en bijgevolg voordat de handeling wordt aangenomen waarbij zulk een frequentieplan wordt ingevoerd", dat het onjuist is om, zoals in de aanhef van het bestreden besluit, te beweren dat "de onderhandelingen met de Franse en Duitstalige Gemeenschap werden afgerond" en dat "het niet juist is te stellen dat het bestaande frequentieplan behouden is wat betreft de band 104,9 MHz- 107,9 MHz, terwijl, enerzijds, een dergelijk plan nooit in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt is en, anderzijds, verschillende frequenties van deze band, vermeld in bijlage 2 bij de bestreden handeling, gewijzigd zijn tegenover de vorige coördinaties die daarop betrekking hadden"; dat de drie verzoekende partijen daaruit afleiden dat "alles bij elkaar, zoals reeds geoordeeld is, geconstateerd moet worden dat het ontbreken van V - 1675 - 19/36 coördinatie een schending uitmaakt van een substantieel vormvereiste dat de openbare orde raakt, en dat het middel ernstig is"; Overwegende dat de drie verzoekende partijen tot staving van het derde middel uiteenzetten dat de verwerende partij zich op onwettige wijze een deel van het frequentiespectrum voorlopig toe-eigent, "dat de coördinatieprocedure die vastgesteld is bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992 immers alleen zin en nut heeft wanneer ze doorlopen wordt vóór de goedkeuring van de regelgevende handeling waarbij een frequentieplan uitgewerkt of gewijzigd wordt; dat een beslissing in tegengestelde zin erop zou neerkomen dat aan een politieke collectiviteit toegestaan wordt haar bevoegdheden bij wijze van bewarende maatregel uit te oefenen en zulks bij ontstentenis van enige machtiging tot regelgeving die haar zulks toestaat; dat de verwerende partij overigens, door te haren gunste de frequenties vermeld in artikel 2 van en bijlage 1 bij het bestreden besluit te «bevriezen», de Franse Gemeenschap verhindert haar eigen bevoegdheden uit te oefenen; dat de verwerende partij voorbijgaat aan de verdeling van de frequenties" en wel ten nadele van de verzoekende partijen; dat zij uit de uiteenzetting van het middel afleiden dat het ernstig is; Overwegende dat de verwerende partij in verband met het tweede middel antwoordt dat uit de rechtspraak die door de eerste verzoekende partij wordt geciteerd alleen kan worden afgeleid dat zijzelf het voormelde besluit van 10 januari 1992 als een dode letter beschouwt, dat de eerste verzoekende partij zelf dat besluit nooit toepast, ook niet bij de toekenning van frequenties aan de tweede en de derde verzoekende partij en dat de schorsingsarresten die krachtens dat artikel 2 van hetzelfde besluit zijn gewezen niet nageleefd worden; dat zij verwijst naar het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2001 tot vaststelling van het initieel referentierooster van de Franse Gemeenschap voor de klankradio-omroep in frequentiemodulatie op de band 87,5-108 MHz en tot wijziging van het decreet van 24 juli 1997 betreffende de Hoge Raad voor de Audiovisuele Sector en de private diensten voor klankradio-omroep van de Franse Gemeenschap, welk decreet zich kant tegen elke verplichting tot coördinatie; dat zij stelt dat de eerste verzoekende partij geen enkel wettig belang heeft bij het aanvoeren van een bepaling die zijzelf als een dode letter beschouwt, dat zij inderdaad van oordeel is dat de verzoekende partijen zich op zulk een wijze gedragen dat zij coördinatie schuwen, hetgeen voor de verwerende partij een onhoudbare situatie doet ontstaan en waardoor de verzoekende partijen sedert tien jaar heel het beleid terzake van de verwerende partij nagenoeg onmogelijk maken met kennelijke schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, terwijl van de verzoekende partijen mag worden verwacht dat zij het gelijkheidsbeginsel en het consistentiebeginsel naleven; V - 1675 - 20/36 dat zij daaruit, wat dit punt betreft, afleidt dat het verweer ten gronde een subsidiair verweer is; Overwegende dat de verwerende partij daarop laat volgen dat het voormelde koninklijk besluit van 10 januari 1992 uitgevaardigd is ten gevolge van arrest nr. 1/91 d.d. 7 februari 1991 van het Arbitragehof, dat de coördinatieplicht in zijn context moet worden gezien, en dat het hoe dan ook de exclusieve bevoegdheid van elke gemeenschap blijft om in frequentietoewijzing te voorzien, dat de coördinatieprocedure niet inhoudt dat aan de ene gemeenschap een vetorecht zou zijn verleend ten aanzien van de frequentietoewijzing die de andere gemeenschap binnen haar bevoegdheden organiseert, dat volgens de formele plicht een coördinatieaanvraag moet worden ingediend maar dat niet met precisie is bepaald hoe de coördinatie verder dient te verlopen, dat aangenomen mag worden dat deze lacune in de regelgeving moet worden ingevuld overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat duidelijk uit het dossier blijkt dat hoe dan ook voldaan is aan de verplichtingen vervat in artikel 2, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 10 januari 1992; dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel voorzover daarin wordt beweerd dat de internationale coördinatie niet tot stand zou zijn gebracht, dat de verzoekende partijen, wanneer ze naar de coördinatieaanvragen van 28 april 2000 en 17 november 2000 verwijzen, uit het oog verliezen dat die aanvragen op 22 juni 2001 zijn aangevuld en dat ook de coördinatieprocedure voortgezet is, dat de redenering van de verzoekende partijen, namelijk dat de omstandigheid dat de coördinatieaanvraag in het verleden niet beëindigd was of zou zijn, er per definitie toe moet leiden dat de coördinatieaanvraag ook heden niet beëindigd is, natuurlijk tot absurde resultaten leidt : er bestaat een verplichting tot coördinatie maar die coördinatie zou nooit beëindigd kunnen worden, zodat de Vlaamse Gemeenschap haar bevoegdheden nooit zou kunnen uitoefenen; dat het nogal evident is dat een coördinatieprocedure op een gegeven ogenblik beëindigd is of althans geacht moet worden beëindigd te zijn, dat het feit dat de coördinatieprocedure wel degelijk beëindigd is, blijkt uit de brief van het BIPT van 12 juni 2003 naar luid waarvan "het BIPT (met andere woorden) niet van oordeel (
  11. is)dat er voor deze zenders nog bijkomende stappen door het BIPT ondernomen kunnen worden binnen de ons door het KB toegekende bevoegdheden", dat de verwerende partij nog voorzichtiger is geweest en zich nog behoorlijker heeft opgesteld dan vereist is krachtens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 10 januari 1992, zoals door het BIPT geïnterpreteerd, dat het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap na de voormelde brief van het BIPT het Instituut een kopie heeft toegestuurd van de notulen van het Overlegcomité waaruit blijkt dat het Comité op 29 november 2002 zijn principiële goedkeuring heeft verleend aan de voorgestelde frequentieplannen en een voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot 9 frequenties en V - 1675 - 21/36 dat, voorzover de facto nieuwe problemen zouden rijzen, deze opnieuw aan het Overlegcomité zouden worden voorgelegd, dat dit voorbehoud geen betrekking had op frequenties van het bestreden besluit, dat indien de termijn van twee maanden waarbinnen krachtens artikel 2, vierde lid, van het voormelde koninklijk besluit van 10 januari 1992 de opmerkingen moeten worden gemaakt, tijdens de besprekingen geschorst zou moeten worden, enkel en alleen geconcludeerd zou kunnen worden dat deze termijn op 29 november 2002 is ingegaan en dat, toen het bestreden besluit gesteld is, die termijn reeds lang verstreken was, dat bovendien artikel 2 van het voormelde besluit erin voorziet dat indien binnen twee maanden geen antwoord wordt verstrekt aan het BIPT er iuris et de iure sprake is van een akkoord en uiteraard van het einde van de coördinatieprocedure, dat, ten slotte, wat het derde middel betreft, de verzoekende partijen de argumenten herhalen die ze tot staving van het tweede middel uiteengezet hebben; Overwegende dat de tussenkomende partij opmerkt dat, wat het tweede en het derde middel betreft, uit de toedracht van de zaak en uit de beslissing van het BIPT blijkt dat wel degelijk een coördinatieaanvraag is gedaan en dat het BIPT geoordeeld heeft dat aan de coördinatieplicht was voldaan; Overwegende dat de verwerende partij het belang van de verzoekende partijen bij het tweede middel betwist; dat zij niet aantoont dat haar beweringen in dat verband waar en relevant zijn; dat de omstandigheid dat de eerste verzoekende partij zich niet zou hebben gehouden aan een of meer arresten van de Raad van State geen enkel gevolg heeft voor de ontvankelijkheid van haar vordering tot schorsing of van het middel dat ze aanvoert voorzover zij niet vraagt om door de administratieve rechter te worden beschermd tegen storingen van frequenties die ze in strijd met schorsings- of annulatiearresten zou gebruiken; dat, zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 66.078 van 25 april 1997 het ontbreken van coördinatie een schending uitmaakt van een substantieel vormvereiste, dat de bevoegdheid van de betrokken gemeenschap raakt in haar relatie tot de federale overheid en ook is opgelegd in het belang van de andere gemeenschappen en dat de openbare orde raakt; dat prima facie de exceptie betreffende het belang bij het middel voorzover daarin verwezen wordt naar de internationale coördinatie lijkt te kunnen worden aangenomen, aangezien in het licht van het voormelde arrest nr. 66.078 alleen de coördinatie op federaal niveau redelijkerwijze geacht kan worden de bevoegdheid van de eerste verzoekende partij aan te tasten; dat de exceptie ten dele gegrond is; Overwegende dat, wat de ernst van de middelen betreft, de middelen samen onderzocht moeten worden in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van het V - 1675 - 22/36 voornoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992; dat artikel 2 van dat besluit als volgt gesteld is : " Een Gemeenschap die een nieuw frequentieplan wenst op te stellen of een wijziging wenst aan te brengen in haar plan, dient de coördinatie-aanvraag in bij het Instituut die, naargelang het geval, overgaat tot de coördinatie met : 1° de andere Gemeenschappen; 2° de Regie der Luchtwegen; 3° de buitenlandse administraties. Onder wijziging van het frequentieplan verstaat men : 1° een nieuwe frequentietoewijzing; 2° een verhoging van het uitgestraald vermogen en/of van de equivalente antennehoogte van een bestaande toewijzing; 3° een verplaatsing van een bestaand radio-omroepstation. Het coördinatieverzoek bevat minstens de technische karakteristieken vermeld in bijlage 1. De geraadpleegde Belgische organismen dienen hun akkoord of hun eventuele bezwaren behoorlijk gemotiveerd aan het Instituut mede te delen binnen een maximale termijn van twee maanden. Bij gebrek aan antwoord binnen deze termijn, worden ze verondersteld hun akkoord te betuigen. De coördinatie met de buitenlandse administraties gebeurt overeenkomstig het Akkoord van Genève, 1984"; Overwegende dat het ontbreken van een coördinatie een schending uitmaakt van een substantieel vormvereiste, dat de bevoegdheid van de betrokken gemeenschap raakt in haar relatie tot zowel de federale overheid als tot de andere gemeenschappen en ook is opgelegd in het belang van de andere gemeenschappen; dat het middel van openbare orde is; dat uit de duidelijke bewoordingen van het voornoemde artikel 2 niet kan worden afgeleid dat na een weigering uitgaande van een gemeenschap voorbijgegaan kan worden aan de coördinatieplicht opgelegd door de in het middel bedoelde bepaling; Overwegende dat tegen de coördinatieaanvragen die door de verwerende partij zijn ingediend op 17 november 2000 en 22 juni 2001 bezwaar is gemaakt; dat er geen coördinatie heeft plaatsgevonden voor de betrokken frequenties; dat tegen de coördinatieaanvraag die op 2 december 2002 is ingediend door de verwerende partij, de eerste verzoekende partij geen enkel bezwaar heeft gemaakt, maar dat de tweede verzoekende partij zich ertegen heeft verzet; dat tussen 13 maart en 28 juli 2003 de eerste en de tweede verzoekende partij verzet hebben aangetekend tegen zeventien coördinatieaanvragen uitgaande van het BIPT; dat wat de 165 frequenties betreft waarvoor die coördinatieaanvragen zijn ingediend, waarvan een aantal ervan elkaar overlappen, die coördinatie niet is geschied; dat uit het onderzoeksdossier gebleken is dat van die 165 frequenties, 121 frequenties zijn toegekend zonder de vereiste coördinatie; V - 1675 - 23/36 Overwegende dat de "beslissing" van het Overlegcomité van 29 november 2002 die een opschortende voorwaarde bevat die niet vervuld is, hoe dan ook niet kan gelden als een formele of stilzwijgende instemming met een frequentieplan; dat daaruit moet worden afgeleid dat de coördinatieprocedure die wordt opgelegd door artikel 2 van het voornoemd koninklijk besluit van 10 januari 1992 niet tot een goed einde gebracht is noch volledig afgedaan is; dat in zoverre ze de schending aanvoeren van het genoemde koninklijk besluit van 10 januari 1992, alle middelen samen beschouwd ernstig zijn, wat de niet-gecoördineerde frequenties betreft; Overwegende dat de coördinatieprocedure ingesteld bij het koninklijk besluit van 10 januari 1992, naar aanleiding van het arrest van het Arbitragehof nr. 1/91 van 7 februari 1991 waarbij artikel 3 van de wet van 30 juli 1979 vernietigd wordt, doordat het de regels schendt die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten in zoverre het de nationale overheid er op een onbegrensde wijze toe machtigt om de normen betreffende de uitzendingen van private radio's te bepalen, en diezelfde overheid aanwijst als de overheid die bevoegd is om de vergunningen tot vestiging van dergelijke radio's te verlenen, een substantieel vormvereiste uitmaakt dat van openbare orde is, aangezien het de bevoegdheid van de gemeenschappen raakt in hun relatie tot de federale overheid en ook is opgelegd in het belang van de andere gemeenschappen en de zenders die zij in het leven roepen of waarvoor zij een vergunning toekennen; dat wat de frequenties betreft waarvan de tweede verzoekende partij de schorsing vordert en die niet dezelfde zijn als de frequenties waarvoor uit het dossier van het BIPT en uit het onderzoek van de zaak gebleken is dat er geen coördinatie is geweest, de verwerende partij niet bewijst dat die andere frequenties gecoördineerd zijn of niet hoefden te worden gecoördineerd; dat wat die andere frequenties betreft, de middelen samen beschouwd ernstig zijn; Overwegende dat, wat betreft frequentie 106,5 MHz die toegekend is aan de zender in Tielt, het BIPT de RTBF om instemming heeft verzocht op 1 juli 2003 met vaststelling van de vervaldag op 23 juli 2003; dat het bestreden besluit met datum van 18 juli 2003 niet genomen mocht worden zolang de termijn van de coördinatieaanvraag niet afgelopen was; dat aangezien er geen coördinatie is geweest voor die frequentie, de middelen samen beschouwd ernstig zijn; 2. Het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. V - 1675 - 24/36 Overwegende dat de eerste verzoekende partij verwijst naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002; dat zij betoogt "dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet naleven van de verplichting om vooraf te coördineren op Belgisch niveau, net heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de zenders kon worden gevoerd"; dat zij eveneens teruggrijpt naar arrest nr. 82.703 van 5 oktober 1999 en arrest nr. 66.078 van 25 april 1997; dat zij eraan toevoegt dat het bestreden besluit "de normale uitoefening van de bevoegdheden inzake radio-uitzendingen belemmert" en dat "de omstandigheid dat die uitoefening wordt belemmerd of zelfs gedurende een lange periode onmogelijk wordt gemaakt, moet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel"; dat zij overeenkomstig de rechtspraak van de Raad concludeert dat "het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor een grondwettelijk erkend onderdeel van het Rijk zoals een van de gemeenschappen een specifiek karakter vertoont"; Overwegende dat de tweede verzoekende partij betoogt dat het in werking stellen van de frequenties die de verwerende partij zich onrechtmatig heeft toegeëigend, een ernstige storing kan veroorzaken van verschillende frequenties die zij rechtens gebruikt, dat haar openbare-omroepopdracht daaronder aanzienlijk te lijden zal hebben, wat ten koste zal gaan van haar luisteraars, die geen redelijk luistercomfort meer zullen hebben wanneer zij afstemmen op een of verschillende programma's van de openbare klankradio-omroep, en dat, met verwijzing naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002, de Raad van State in het algemeen geoordeeld heeft "dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet naleven van de verplichting om vooraf te coördineren op Belgisch niveau, net heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de zenders kon worden gevoerd"; dat zij eraan toevoegt dat "niet minder dan 21 van de 49 frequenties waarover de RTBF rechtens beschikt, gestoord zullen worden door het in werking stellen van 55 frequenties van de verwerende partij", hetgeen zij verduidelijkt aan de hand van een tabel die bij haar verzoekschrift gaat, dat zij drie aanvullende methodes heeft gebruikt om de omvang van de storing van die frequenties te meten, dat bij die methodes "geen rekening wordt gehouden met de storingen die veroorzaakt worden door de Vlaamse zenders op een aantal in Vlaanderen gelegen proef-ontvangstplaatsen van zender van de RTBF"; dat zij, steunend op verschillende arresten van de Raad van State, betoogt dat "de bestreden handeling de normale uitoefening van de bevoegdheden inzake radio-uitzendingen belemmert, dat de omstandigheid dat die uitoefening wordt belemmerd of zelfs gedurende een lange periode onmogelijk wordt gemaakt, moet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel" en ten slotte dat "naast het materiële nadeel dat de (tweede) verzoekende partij lijdt, er een moreel nadeel bovenop komt, aangezien een V - 1675 - 25/36 storing van de frequenties van de verzoekende partij haar goede naam bij haar luisteraars dreigt aan te tasten"; Overwegende dat de derde verzoekende partij betoogt dat het in werking stellen van de frequenties die de verwerende partij zich onrechtmatig heeft toegeëigend, een ernstige storing kan veroorzaken van verschillende frequenties die zij rechtens gebruikt, dat deze inwerkingstelling haar onvermijdelijk luisteraars zal doen verliezen, en dat de Raad van State, met verwijzing naar arrest nr. 105.634 van 18 april 2002, in het algemeen geoordeeld heeft dat er rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet naleven van de verplichting om vooraf te coördineren op Belgisch niveau, net heeft verhinderd dat de discussie over het al dan niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden gevoerd; dat zij voorts stelt dat "niet minder dan 2 frequenties waarover de (derde) verzoekende partij rechtmatig beschikt zullen worden gestoord door het in werking stellen van 3 frequenties van de verwerende partij"; dat zij dit preciseert in een nota bij haar verzoekschrift; dat zij beweert, op grond van verschillende arresten van de Raad van State, dat "het bestreden besluit de normale uitoefening van de bevoegdheden inzake radio-uitzendingen belemmert, en dat de omstandigheid dat die uitoefening wordt belemmerd of zelfs gedurende een lange periode onmogelijk wordt gemaakt, moet worden beschouwd als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel" en ten slotte, dat naast "het materiële nadeel dat de (derde) verzoekende partij lijdt, er een moreel nadeel bovenop komt, aangezien een storing van de frequenties van de verzoekende partij haar goede naam bij haar luisteraars dreigt aan te tasten"; Overwegende dat de verwerende partij in verband met de eerste verzoekende partij opmerkt dat artikel 1 van het bestreden besluit ten aanzien waarvan het ingestelde beroep niet ontvankelijk is, haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dat bij de bespreking van het tweede middel aangetoond is dat deze verzoekende partij haar coördinatieplicht veronachtzaamd heeft, dat ze derhalve niet op een rechtmatige wijze een gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan aanvoeren, dat deze verzoekende partij zelf doet wat zij aan de verwerende partij verwijt, dat rekening moet worden gehouden met het adagium "patere legem quam ipse fecisti" en dat degene die van oordeel is dat de verplichting tot coördinatie voor hem niet geldt, niet kan stellen dat er voor hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat wanneer de andere gemeenschap zich niet aan deze verplichting houdt; Overwegende dat de verwerende partij in verband met de tweede verzoekende partij opmerkt dat artikel 1 van het bestreden besluit ten aanzien waarvan het ingestelde beroep niet ontvankelijk is, haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel V - 1675 - 26/36 kan berokkenen, dat nog zou moeten worden aangetoond dat de vermeende storingen ernstig zijn en onherstelbare schade toebrengen, dat de tweede verzoekende partij daartoe zelfs geen poging onderneemt, dat ze er zich bewust van is dat ze een financieel nadeel zou lijden dat uit de aard der zaak herstelbaar is en dat het nadeel inzake luisteraars niet persoonlijk, en dus niet dienstig is; Overwegende dat de verwerende partij in verband met de derde verzoekende partij opmerkt dat artikel 1 van het bestreden besluit ten aanzien waarvan het ingestelde beroep niet ontvankelijk is, haar geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, dat nog zou moeten worden aangetoond dat de vermeende storingen ernstig zijn en onherstelbare schade toebrengen, dat de derde verzoekende partij daartoe zelfs geen poging onderneemt; Overwegende dat de tussenkomende partij betoogt dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State, een partij die wacht tot de laatste dag van de termijn van zestig dagen om een vordering tot schorsing in te stellen, geen gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantoont, dat het gevaar niet het gevolg is van het bestreden besluit, maar van de beslissing van het BIPT om de coördinatieprocedure af te ronden, dat de kaarten die door de eerste en de derde verzoekende partij in het administratief dossier opgenomen zijn alleen voor bepaalde frequenties gelden, dat een schorsingsarrest in ieder geval beperkt zou moeten worden tot deze frequenties, dat hieruit kan worden afgeleid dat een groot gedeelte van het aangevoerde nadeel zich op het grondgebied van de Vlaamse Gemeenschap voordoet, terwijl de Franse Gemeenschap haar bevoegdheden alleen op haar grondgebied kan uitoefenen, dat de beweringen over de storingen eenzijdig zijn, dat die storingen niet op transparante wijze berekend zijn en nauwelijks verband houden met het nadeel dat zich op het grondgebied van de Franse Gemeenschap voordoet; dat de tussenkomende partij opmerkt dat dezelfde verzoekende partijen hun verzoekschrift hebben aangevuld bij aangetekende brief van 25 september 2003, dat stuk 6a dat pas op deze datum ingestuurd is, te laat komt en dat er geen rekening mee kan worden gehouden; Overwegende dat de drie verzoekende partijen niet kunnen bewijzen dat zij belang hebben bij de nietigverklaring en, bijgevolg, bij de schorsing van de artikelen 1 en 6 van het bestreden besluit; dat ze niet het gevaar lopen door de tenuitvoerlegging ervan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden; Overwegende dat de eerste verzoekende partij een publiekrechtelijke rechtspersoon is waarvan het bestaan en de bevoegdheden op cultureel gebied door en krachtens de Grondwet vastgelegd zijn; dat bij het bestreden besluit frequenties worden V - 1675 - 27/36 toegekend, terwijl deze publiekrechtelijke rechtspersoon zich verzet heeft tegen de coördinatie van althans een deel van de frequenties waarop die handeling betrekking heeft, dat deze verzoekende partij bovendien in haar brieven waarin zij zich tegen coördinatie verzet, heeft aangegeven dat de voor coördinatie voorgestelde frequenties storingen veroorzaken die nadelig zijn voor haar stations; Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 66.657 van 10 juni 1997 geoordeeld heeft dat "het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor een grondwettelijk erkend onderdeel van het Rijk als de Vlaamse Gemeenschap een specifiek karakter vertoont; dat een normale ongehinderde uitoefening van haar door of krachtens de Grondwet toegekende bevoegdheden door de organen van die Gemeenschap een zaak is die de openbare orde aanbelangt; dat de omstandigheid dat die bevoegdheden gedurende een periode langer dan in geval de schorsing niet wordt uitgesproken gehinderd of onmogelijk worden gemaakt, voor de Vlaamse Gemeenschap geacht moet worden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit te maken"; Overwegende dat de Raad van State in zijn arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 geoordeeld heeft dat "nadat de diensten van de Vlaamse Gemeenschap op 28 april 2000 een eerste aanvraag tot coördinatie bij het BIPT hadden ingediend, de Franse Gemeenschap evenals de RTBF hebben gewezen op mogelijke storingen van welbepaalde zenders op welbepaalde frequenties, voorwerp van de coördinatieaanvraag; dat nadat de Vlaamse Gemeenschap op 17 november 2000 een nieuwe aanvraag met voor een deel gewijzigde frequenties had ingediend bij het BIPT, de Franse Gemeenschap zich ertoe bepaald heeft te stellen dat een aantal met name genoemde zenders van de Franse Gemeenschap en eventueel andere zullen worden gestoord, doch zonder te preciseren om welke aangevraagde zendfrequenties het ging en zij voor het overige enkel verwezen naar vroegere betwistingen betreffende door haar zelf ingediende coördinatieaanvragen; dat zoals hoger gezegd, niet van de verzoekende partijen kan worden geëist dat zij in het kader van deze schorsingsprocedure het bewijs leveren dat op de betrokken frequenties uitzendende zenders effectief zenders van de Franse Gemeenschap zullen storen en rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid precies heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden gevoerd; dat in zoverre de Vlaamse regering in artikel 3 van haar bestreden besluit frequenties reserveert welke zij zich voorneemt eerst na het beëindigen van de coördinatieprocedure toe te kennen, doch welke zenders van de Franse Gemeenschap kunnen storen eenmaal dit gebeurt, zij eveneens het beleid van die Gemeenschap hindert"; V - 1675 - 28/36 Overwegende dat in de onderhavige zaak dezelfde motieven gelden; dat het onderzoek van de ernst van de middelen hierboven samengenomen het mogelijk heeft gemaakt te constateren dat de coördinatieprocedure niet afgerond is, dat aldus het in werking stellen van frequenties waarvoor de coördinatieprocedure niet afgerond is, voor de eerste verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt; dat haar moeilijk te herstellen ernstig nadeel evenwel beperkt dient te zijn tot de coördinaties die niet afgerond zijn en tot de frequenties waarvoor de verwerende partij niet aantoont dat er een aanvraag tot coördinatie is geweest en dat er vroeger reeds coördinatie was bereikt; dat aldus dit risico gedeeltelijk is aangetoond; Overwegende dat de tweede verzoekende partij bij haar verzoekschrift kaarten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat haar frequenties gestoord zullen worden door de frequenties die bij het bestreden besluit worden toegekend; dat de Raad van State in arrest nr. 105.634 van 18 april 2002 heeft geoordeeld dat "uit de door de (...) verzoekende partij bij het dossier gevoegde kaarten blijkt dat haar zenders kunnen worden gestoord door een aantal zenders waaraan bij het bestreden besluit een frequentie is toegekend, zelfs indien sommige ervan eerst in werking worden gesteld wanneer de twee landelijke radio-omroepen door de bevoegde administratieve overheden zullen zijn aangewezen en met uitzenden zullen zijn begonnen; dat artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vereist dat het nadeel reeds bestaat, doch slechts dat er een risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat; dat het feit dat de storing van een zender door de verzoekende partij slechts als een mogelijkheid werd beschreven, niet voldoende is om het te beschouwen als een louter hypothetisch nadeel; dat in de loop van de niet afgewerkte coördinatieprocedure de verzoekende partij RTBF welbepaalde van de gevraagde frequenties als mogelijke oorzaken van storing heeft aangewezen en zulks steunde op berekeningen; dat zij de lijst van die frequenties herneemt in haar verzoekschrift; dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de begane onwettigheid, namelijk het niet naleven van de verplichting vooraf op het intern Belgisch vlak te coördineren, precies heeft verhinderd dat de discussie over het al of niet hinderlijk karakter van de betrokken zenders kon worden gevoerd; dat derhalve moet worden aangenomen dat wat haar betreft voor die bepaalde frequenties aan de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is voldaan"; Overwegende, om dezelfde redenen, dat het gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bewezen is voor de frequenties die door de tweede verzoekende partij worden gebruikt; V - 1675 - 29/36 Overwegende dat de derde verzoekende partij bij haar vordering tot schorsing een kaart heeft gevoegd waaruit blijkt dat het gevaar bestaat dat haar frequenties gestoord zullen worden door de frequenties die bij het bestreden besluit worden toegekend; dat ten aanzien van haar dezelfde redenering moet worden gevolgd als ten aanzien van de tweede verzoekende partij betreffende de frequentie die zij gebruikt zonder het gezag van gewijsde van een arrest van de Raad van State te schenden; Overwegende dat aan de frequenties in verband waarmee de eerste verzoekende partij genoegzaam aantoont dat ze een gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel opleveren de frequenties moeten worden toegevoegd in verband waarmee de tweede en de derde verzoekende partij eveneens het bestaan van zulk een gevaar aantonen; dat daaruit volgt dat het frequentieplan van bijlage 1 van het bestreden besluit en de verdeling ervan in de bijlagen 2 tot 4 een gevaar voor een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen opleveren voor de frequenties die zijn toegekend zonder dat de coördinatieprocedure is gevolgd of voor de frequenties waarvoor de verwerende partij niet bewijst dat ze zijn gecoördineerd of dat ze niet gecoördineerd hoefden te worden; Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 2, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, die vervuld moeten zijn wil men de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kunnen bevelen, BESLUIT: Artikel 1. De zaken met de nummers A.141.929/V-1675, A.141.932/V-1676 en A141.931/V-1677 worden samengevoegd voor de rechtspleging in kort geding. Artikel 2. De verzoeken tot tussenkomst in het kort geding, ingediend door de vennootschap "4FM GROEP NV", worden ingewilligd. V - 1675 - 30/36 Artikel 3. Geschorst wordt de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2003 houdende bepaling van het aantal particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen dat kan worden erkend en houdende de opstelling van het frequentieplan en de vaststelling van de frequentiepakketten en de frequenties die ter beschikking worden gesteld van de particuliere landelijke, regionale en lokale radio-omroepen voor de volgende frequenties : Lokaliteit Frequentie Vermogen (MHz) (Watt) 1 Aalst 90 501 2 Aalst 93 316 3 Aalst 102,7 3162 4 Aalst 104,2 1000 5 Aalst 104,8 3162 6 Aalter 104,7 501 7 Aalter 107,8 100 8 Aarschot 104,4 158 9 Antwerpen 92,9 501 10 Antwerpen 98 1000 11 Antwerpen 99,2 10000 12 Antwerpen 100,2 1995 13 Antwerpen 103,4 5012 14 Antwerpen 104,2 1995 15 Antwerpen 104,6 1995 16 Beersel 105,6 100 17 Beringen 92,8 1000 18 Beringen 98,4 501 19 Beringen 106,4 100 20 Berlaar 92,7 316 21 Beveren 106,1 100 22 Bilzen 106,2 100 23 Borgloon/Heers 105,6 100 V - 1675 - 31/36 24 Bree 93,5 1000 25 Bree 99,3 1000 26 Bree 103 1000 27 Brugge 88,1 1000 28 Brugge 89,6 1995 29 Brugge 91,3 3162 30 Brugge 102,7 1995 31 Brugge 103,3 1000 32 Brugge 106 100 33 Brussegem 95,6 1259 34 Brussel 94,6 501 35 Brussel 98,1 3981 36 Brussel 98,4 200 37 Brussel 98,8 3162 38 Brussel 102,5 1000 39 Brussel 102,8 1000 40 Brussel 103,4 10000 41 Deinze 106,2 100 42 Dendermonde 92,2 3162 43 Dendermonde 103,9 100 44 Diest 99 501 45 Diest 103,3 1000 46 Diest 103,9 501 47 Diksmuide 88,9 1000 48 Eeklo 102,6 1000 49 Eeklo 104,8 158 50 Egem 93,6 5012 51 Egem 94 2000 52 Egem 98,2 3162 53 Egem 103 19953 54 Egem 104,1 50119 55 Galmaarden 103,9 100 56 Geel 93,5 1995 V - 1675 - 32/36 57 Geel 103,8 1000 58 Geel 104,6 1995 59 Genk 88 501 60 Genk 94,7 251 61 Genk 102,5 50119 62 Genk 103,4 19953 63 Genk 104,3 501 64 Gent 88,6 3162 65 Gent 92,8 1000 66 Gent 96,3 1995 67 Gent 99,4 3162 68 Gent 102,8 1000 69 Gent 103,5 19953 70 Gent 103,8 1995 71 Gent 104,5 501 72 Geraardsbergen 104,9 40 73 Haaltert 105,8 100 74 Ham 160 100 75 Hamont-Achel 96,5 501 76 Hasselt 96,8 501 77 Hasselt 99,2 501 78 Hasselt 103,8 1000 79 Hasselt 104,1 1995 80 Hasselt 104,7 1000 81 Herentals 92,2 1995 82 Herzele 90,9 3981 83 Heusden-Zolder 88,8 501 84 Heuvelland (Wijtschate) 93,2 316 85 Holsbeek (Nieuwrode) 90,3 501 86 Hooglede 96,2 501 87 Ichtegem 105,8 100 88 Ieper 105,7 100 89 Kapellen/Stabroek 105,9 100 V - 1675 - 33/36 90 Kasterlee (Tielen) 91,4 316 91 Koksijde 104,8 316 92 Kortrijk 88 1995 93 Kortrijk 88,4 100 94 Kortrijk / Harelbeke 92,7 1995 95 Kortrijk 104,4 501 96 Kortrijk 106,4 100 97 Lanaken 106 100 98 Lennik / Dilbeek 105,9 100 99 Leuven 99,7 1000 100 Leuven 102,6 2000 101 Leuven 103,8 3162 102 Leuven 104,2 5012 103 Leuven 106 100 104 Lommel 95,9 501 105 Lommel 103,7 3162 106 Mechelen 96,7 1995 107 Mechelen 99 1000 108 Mechelen 104,5 1000 109 Mechelen 104,8 316 110 Menen / Ledegem 89,9 100 111 Nieuwpoort 106,1 100 112 Ninove 99,7 251 113 Ninove 106,2 87 114 Oostende 87,6 3162 115 Oostende 103,6 1000 116 Oostende 104,5 1000 117 Oostvleteren 101 19953 118 Oostvleteren 88,3 1000 119 Opwijk 87,8 100 120 Oudenaarde 104,8 316 121 Overpelt 104,2 100 122 Poperinge 104,5 1000 V - 1675 - 34/36 123 Ravels 106 100 124 Ronse 103,3 200 125 Schoten 102,9 50119 126 Sint-Niklaas 93,5 1995 127 Sint-Niklaas 103,7 1995 128 Sint-Pieters-Leeuw 95,5 1000 129 Sint-Pieters-Leeuw 103,1 50119 130 Sint-Truiden 89,2 501 131 Sint-Truiden 96,9 1000 132 Tielt (Aarsele) 105,8 100 133 Tielt 106,5 100 134 Tongeren 89,1 1000 135 Tongeren 94,8 1000 136 Turnhout 90,6 5012 137 Turnhout 95,1 1000 138 Turnhout 103,9 501 140 Turnhout 104,2 1000 141 Turnhout 104,5 1000 142 Veltem 95,8 1000 143 Voeren 97,4 251 144 Wetteren / Wichelen 106,1 100 145 Wuustwezel 100 1000 146 Wuustwezel 103,7 1000 Artikel 4. De vorderingen tot schorsing worden voor het overige verworpen. Artikel 5. Dit arrest zal bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het besluit waarvan de tenuitvoerlegging gedeeltelijk wordt geschorst. Artikel 6. V - 1675 - 35/36 De kosten van de verzoeken tot tussenkomst in het kort geding, ingediend door de vennootschap "4FM GROEP NV", bepaald op 250 euro, komen ten laste van laatstgenoemde. De beslissing over de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, zitting houdend in kort geding, op eenentwintig december tweeduizend vijf door : de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, P. LIÉNARDY, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, M.-Chr. MALCORPS. R. ANDERSEN. V - 1675 - 36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.065 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.