← België

Arrest 153117 - - 22/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.117 Rolnummer: A. 73064/VII-15161 Zaak: Arrest 153117 - - 22/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-02 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 07:02 Fiche Arrest nr 153.117 van 22 december 2005 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.117 van 22 december 2005 in de zaak A. 73.064/VII-15.

  1. In zake : René LAEREMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat A. NAVASARTIAN, kantoor houdende te BRUSSEL, Franklin Rooseveltlaan 156 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. VAN DE VYVER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Eglantierlaan 1, bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat René LAEREMANS op 30 januari 1997 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 18 december 1996 waarbij zijn beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 13 juni 1996 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker, om een inrichting gelegen te Herselt, Westerlosesteenweg 66, te veranderen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-15.161-1/13 Gelet op de beschikking van 27 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. NAVASARTIAN verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoeker exploiteert een gemengde inrichting (varkens, runderen, paarden, pluimvee), gelegen te 2230 Herselt, Westerlosesteenweg 66, kadastraal gekend onder afdeling 1, sectie A, nrs. 290c, 289n, 289p en 291p, in agrarisch gebied (gewestplan), en waarvoor de bestaande vergunningstoestand op datum van de aanvraag, die het voorwerp uitmaakt van het annulatieberoep, de volgende was : - beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 14 november 1977 houdende aktename van de exploitatie van een bedrijf voor100 varkens, 70 runderen, 2 paarden; - beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 14 maart 1990 houdende het verlenen van een vergunning voor 19.800 stuks pluimvee tot 14 maart 2010; - besluit van de bestendige deputatie van 29 oktober 1992 houdende het verlenen van een vergunning voor een bijkomende kippenstal voor 11.000 stuks, elektromotoren van 2 kW, opslag 800 m³ droge mest tot 14 maart 2010; - besluit van de bestendige deputatie van 24 februari 1994 houdende het verlenen van een vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in kunstmatige afvoerwegen voor regenwater tot 14 maart 2010; VII-15.161-2/13 - besluit van de bestendige deputatie van 4 februari 1993 houdende aktename van de opslag van 12 ton kunstmest, 3.030 m³ dierlijke mest en elektromotoren van 20 kW. 1.
  5. Op 12 december 1995 dient verzoeker bij de bestendige deputatie een aanvraag in om de inrichting als volgt te veranderen : Uitbreiding met : - stalplaatsen voor 80 runderen; - 1.538 m³ mestopslag; - bovengrondse tank voor 2.500 liter mazout; - melkkoeltank 6.000 liter en elektrisch vermogen 6 kW; - stalling voor 3 tractoren en 7 aanhangwagens; In haar advies stelt de Provinciale Milieuvergunningscommissie vast dat er tevens een wijziging is door vermindering met 100 varkens en 2 paarden, en 800 m³ droge mest, Zodat het bedrijf voortaan zou omvatten : - stallen voor het houden van 150 runderen : 90 melkkoeien, 30 runderen - stallen voor het houden van 39.900 kippen; - opslag dierlijke mest : 1.538 m³ mengmest; - opslag mazout: 2.500 liter in bovengrondse houder; - melkkoeltank 6.000 liter; 6 kW; - stalling 3 tractoren, 7 aanhangwagens. De aanvraag wordt op 18 december 1995 ontvankelijk en volledig verklaard. 1.
  6. Naar aanleiding van deze aanvraag worden vijftien bezwaarschrif- ten ingediend, waaronder één door de AMINAL, dat vooral betrekking heeft op vastgestelde onregelmatigheden en herhaalde overtredingen van de milieuwetgeving. De overige bezwaarschriften zijn alle identiek en handelen over het niet naleven van de voorwaarden van de vorige vergunningen, geluids- en stankhinder, illegale lozingen van afvalwater, mogelijke overbezetting van de stallen en andere inbreuken op de milieuwetgeving. 1.
  7. Op 13 juni 1996 beslist de bestendige deputatie de aanvraag deels in te willigen en deels te weigeren wat betreft de uitbreiding met een stal voor 80 runderen en de opslag van 1.538 m³ dierlijke mest. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : VII-15.161-3/13 "Gelet op de ligging van de inrichting in een gebied van het gewestplan Herentals-Mol, waarvoor volgende voorschriften van toepassing zijn : agrarisch gebied (uitbreiding gelegen op ca. 120 m van een woongebied); Overwegende dat gesteld kan worden dat de verandering van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde vergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico’s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde verandering mits naleving van de in onderhavig besluit opgelegde milieuvergunningsvoor- waarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behalve voor wat betreft het gedeelte van de aanvraag dat betrekking heeft op de uitbreiding met een stal voor 80 runderen in een gemengd bedrijf en door opslag van 1583 m³ dierlijke mest; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de gevraagde vergun- ning gedeeltelijk toe te staan voor een termijn verstrijkend op 14 maart 2010"; 1.
  8. Op 24 juli 1996 tekent verzoeker beroep aan tegen deze beslissing. In het beroepschrift wordt onder meer aangehaald dat wel voldaan is aan de afstandsregels ten aanzien van hindergevoelige gebieden. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven : - de Vlaamse Landmaatschappij op 17 september 1996 en op 11 december 1996 : ongunstig; - de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg op 19 september 1996 : ongunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op 8 oktober 1996 : gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen op 10 oktober 1996 : gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 11 oktober 1996 : deels ongunstig. 1.
  9. Op 18 december 1996 beslist de minister het beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de bestendige deputatie te bevestigen. Dit is de bestreden beslissing. Zij is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat onderhavig beroep betrekking heeft op de weigering van de vergunning om een gemengd bedrijf uit te breiden met een stal voor 80 runderen (tot een totaal van 150 runderen) en opslag van 1.538 m³ dierlijke mest; Overwegende dat er op dit moment op deze inrichting een vergunning is voor het houden van : - 70 runderen (tot 14 november 2007); - 100 varkens (tot 14 november 2007); - 2 paarden (tot 14 november 2007); VII-15.161-4/13 - 19.800 legkippen (tot 14 maart 2010); - 3.030 m³ mestopslag (tot 01 september 2011); Overwegende dat de exploitant in bijlage 2 van zijn aanvraag bij de beschrijving van de situatie na de gevraagde verandering, geen varkens meer vermeldt; dat de aanvraag dus ook een vermindering met 100 varkens inhoudt; Overwegende dat, voor wat deze inrichting betreft, er voor het aanslagjaar 1993 op 23 maart 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank, op naam van de BVBA Laever, met als verantwoordelijke persoon mevrouw Vermeulen Godelieve, echtgenote van de aanvrager; dat op deze aangifte dieren werden vermeld; dat volgens art. 1.1.2 van titel II van het Vlarem deze inrichting dus een bestaande veeteeltinrichting is; dat het volgens artikel 5.9.3.1,§ 1 van titel II van het Vlarem nog toegelaten is dergelijke inrichtingen te exploiteren en/of te veranderen; Overwegende dat de aanvraag ontvankelijk en volledig werd verklaard op 18 december 1995; Overwegende dat op de Oude Baan 14 te 2230 Herselt volgens Mestbankge- gevens eveneens een inrichting wordt uitgebaat door BVBA RELIEF met als verantwoordelijke persoon van deze BVBA mevr. Vermeulen Godelieve, echtgenote van de aanvrager; dat op deze inrichting mestkalveren gehouden worden, met een vergunning voor in totaal 1.094 dieren; (...) (Overwegende) dat de aanvrager dus in totaal 28.132 kg P2O5/jaar kan afzetten; dat de grondgebonden en de grondverbonden afzet volgens het aanvullend advies dd. 11 december 1996 derhalve voldoende is voor een verantwoorde mestafzet van alle inrichtingen behorend bij het bedrijf; dat bijgevolg deze aanvraag op bedrijfsniveau verenigbaar is met de doelstellingen van het Mestdecreet alsook met artikel 5.9.8.3, § 3 van titel II van het Vlarem; Overwegende dat voor de kippenhouderij dwingende afstandsregels in titel II van het VLAREM zijn opgenomen; dat wat rundveehouderijen betreft in titel II van het VLAREM geen dwingende afstandsregels zijn opgelegd; dat dit laatste evenwel onverlet laat de noodzaak om de toelaatbaarheid van de beoogde uitbreiding te toetsen aan de specifieke omgevingssituatie; dat de inrichting is gelegen in een agrarisch gebied doch op amper ongeveer 100 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; dat de nieuw- bouw aan de runderstal wordt gebouwd weg van het zuidelijk gelegen woongebied; dat de bestaande rundveestal intern wordt verbouwd; dat deze uitbreiding wel dichter komt bij de woning op perceel nr. 294 1, zijnde de woning van een van de bezwaarvoerders, met name tot op 30 m van deze woning; dat echter het deel gelegen het dichtst bij deze woning, een loods is van circa 10 m breed voor de stalling van voertuigen; Overwegende dat ten aanzien van de voormelde adviezen van de Afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dient aangestipt dat de beoogde uitbreiding van het onderdeel rundveehouderij meer dan een verdubbeling van het aantal runderen vertegenwoordigt; dat uit het voormelde advies van de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur blijkt dat binnen een straal van 100 m een 4-tal woningen zijn gelegen terwijl een 5-tal woningen zich binnen de geurhinderzone van 150 m bevinden; dat de beoogde uitbreiding van de rundveehouderij een onaanvaardbare verhoging van de geurhinder tot gevolg heeft; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - volgens de gegevens van de Mestbank betreft het inderdaad een bestaande veeteeltinrichting; VII-15.161-5/13 - de procedure, lopende bij de Raad van State, heeft in wezen geen betrekking op deze aanvraag gezien de inrichting wordt beschouwd als vergund voor 19.800 kippen; - de geproduceerde mest kan, zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, inderdaad op een ecologisch verantwoorde wijze afgezet worden; - vorige argumenten laten onverlet het gegeven dat de uitbreiding aanleiding zal geven tot overdreven geurhinder voor de in het nabijgelegen woongebied gelegen woningen; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico' s voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde exploitatie, zelfs mits naleving van aangepaste milieuvergunningsvoorwaarden, niet tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, behoudens wat het volgende onderdeel van de aanvraag betreft : - opslag van 2500 1 mazout in een bovengrondse houder; - een melkkoeltank met een vermogen van 6 kW; - stalplaats voor tractoren met aanhangwagens; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen";
  10. De gegrondheid van het beroep 2.1.
  11. Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert "van de materiële en formele motiveringsplicht, welke laatste vervat ligt in artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985, artikel 52.3 Vlarem I en de bepalingen van de wet van 29 juli 1991"; dat hij het middel als volgt toelicht : "Wanneer een inrichting aan de afstandsregels voldoet maar de minister toch van oordeel is dat de geurhinder de tolerantiedrempel zal overschrijden, moet dit oordeel berusten op in redelijkheid aanvaardbare motieven (R.v.St., nr. 56.361, 17 november 1995). De Raad van State zal nagaan of de beoordeling waartoe de overheid is gekomen uitgaat van correcte feitelijke en in rechte aanvaardbare gegevens en niet kennelijk onredelijk is ( R.v.St., nr. 60.146, 13 juni 1996). De motivering van een vergunningsbesluit mag niet al te faciel en oppervlak- kig zijn. Zij moet afdoende zijn (R.v.St., nr. 55.941, 19 oktober 1995). Zij dient m.a.w. voldoende precies te zijn (R.v.St., nr. 58.939, 28 maart 1996). Het bestreden besluit laat na in concreto aan te geven waarin in het huidige geval de geurhinder zou bestaan, en waarom deze onaanvaardbaar zou zijn voor de onmiddellijke omgeving. Die vaststelling klemt des te meer nu er voor rundveestallen geen dwingende afstandsregels bestaan, terwijl de bestaande afstandsregels mede zijn ingegeven door de mogelijke geurhinder van de inrichting. Wanneer geen afstandsregels zijn opgelegd, moet men er van uitgaan dat het bedrijf verondersteld wordt geen geurhinder te veroorzaken en zal de verwerende partij, wanneer dit wel het geval lijkt te zijn, zulks deugdelijk moeten aantonen en concreet motiveren. Dit laatste is in casu niet gebeurd. De verwerende partij bezondigt zich overigens aan een contradictie: enerzijds wordt vastgesteld dat de aanvraag een vermindering met 100 varkens inhoudt, VII-15.161-6/13 terwijl anderzijds wordt geoordeeld dat de beoogde uitbreiding van de rundveehouderij een onaanvaardbare verhoging van de geurhinder tot gevolg heeft. Wat varkenshouderijen betreft geldt wel een dwingende afstandsregel (art. 5.9.4.1 e.v. Vlarem II), zodat er een vermoeden bestaat dat deze wel geurhinder veroorzaken. Wanneer de exploitant beslist om de bezetting van de inrichting met 100 varkens te verminderen heeft dit uiteraard een gunstige invloed op de mogelijke geurhinder, zodat de verwerende partij, geplaatst voor dit element, niet zomaar kon beslissen dat de inrichting na de vastgestelde vermindering, toch overdreven en dus ontoelaatbare geurhinder zou veroorzaken"; 2.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "Verzoekende partij stelt ten onrechte dat verwerende partij de motiverings- plicht zou hebben geschonden. Het bestreden besluit duidt immers zelf aan waardoor er bij het uitbreiden van de bestaande inrichting met 80 runderen een onaanvaardbare verhoging van de hinder, meer bepaald geurhinder, zou ontstaan. Het bestreden besluit verwijst hiervoor naar de specifieke omgevingssituatie, naar de ligging van de inrichting ten opzichte van de omliggende woningen en naar het feit dat de uitbreiding van de rundveehouderij meer dan een verdubbe- ling van het aantal runderen inhoudt. Verwerende partij verwijst desbetreffend naar het bestreden besluit dat het volgende overweegt (...) : voerders, met name tot op 30 m van deze woning; dat echter het deel gelegen het dichtst bij deze woning, een loods is van circa 10 m breed voor de stalling van voertuigen; Overwegende dat ten aanzien van de voormelde adviezen van de Afdeling Milieuver gunningen en van de Gewest elijke Milieuvergunningscommissie dient aangestipt dat de beoogde uitbreiding van het onderdeel rundveehouderij meer dan een verdubbeling van het aantal runderen vertegenwoordigt; dat uit het voormelde advies van de Afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg van het Departement Welzijn, volksgezondheid en Cultuur blijkt dat binnen een straal van 100 m een 4-tal woningen zijn gelegen terwijl een 5-tal woningen zich binnen de geurhinderzone van 150 m bevinden; dat de beoogde uitbreiding van de rundveehouderij een onaanvaardbare verhoging van de geurhinder tot gevolg heeft'; Verzoekende partij stelt dat de bestreden beslissing, gezien er geen dwingende afstandsregels inzake rundveehouderijen voorhanden zijn, deugdelijk en op afdoende wijze dient te motiveren waarom er in casu wel sprake is van een onaanvaardbare geurhinder. VII-15.161-7/13 Uit het bovenstaande blijkt nochtans dat verwerende partij bij de beoordeling van de gevraagde uitbreiding op zeer concrete wijze heeft nagegaan welke hinder deze de facto zou kunnen veroorzaken op het leefmilieu in het algemeen en op de omliggende woningen in het bijzonder. Bij deze beoordeling is verwerende partij grondig te werk gegaan en in de bestreden beslissing wordt op uitgebreide wijze de weigering van verwerende partij gemotiveerd. Vooreerst heeft zij de ligging van de inrichting onderzocht, waarbij zij tot de vaststelling diende te komen dat deze in een agrarisch gebied gelegen is : Vervolgens heeft verwerende partij de geplande uitbreiding getoetst aan de mogelijke hinderlijke invloed ervan op de nabijgelegen woningen. Het bestreden besluit stelt hierbij uitdrukkelijk dat de nieuwbouw aan de runderstal weg van het zuidelijk gelegen woongebied verbouwd wordt en dat de woning op perceel nr. 294 l, gelegen op 30 m van de geplande uitbreiding, geen hinder van de uitbreiding zal ondervinden gezien het deel gelegen het dichtst bij de woning een loods voor de opslag van voertuigen betreft. De Minister diende de aangevraagde uitbreiding echter te weigeren om reden dat de beoogde uitbreiding van het onderdeel rundveehouderij meer dan een verdubbeling van het aantal runderen vertegenwoordigt. De combinatie van de verdubbeling van het aantal runderen, hetgeen overigens niet betwist wordt, met de ligging van een 4-tal woningen binnen een straal van 100 m en van een 5-tal woningen binnen de geurhinderzone van 150 m, brengt ontegensprekelijk met zich mee dat de beoogde uitbreiding een onaanvaardbare verhoging van de geurhinder tot gevolg heeft. De bestreden beslissing motiveert alsdusdanig op afdoende wijze de weigering. Verwerende partij kan niet verweten worden geen rekening gehouden te hebben met de feitelijke gegevens van de zaak. Bovendien verwijst de Minister uitdrukkelijk naar het advies van de Administratie Gezondheidszorg van 19 september 1996, in navolging waarvan de adviezen van de Afdeling Milieuvergunningen en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie niet gevolgd konden worden. Voormeld advies bepaalt voornamelijk het volgende : 1) ligging gewestplan: agrarisch gebied; 2) woningen binnen de l00 m-straal : 4; 3) geurhinder : kan het aanvaardbaarheidsniveau overschrijden tot op een afstand van 150 meter. Binnen deze straal bevinden zich 5 woningen; 4) noodzakelijke oppervlakte cultuurgrond voor een ecologisch verantwoorde mestafzet: rekening houdend met de norm van 210 kg N/ha.j., is er 60.1 ha cultuurgrond nodig. Besluit : Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid wordt een ONGUNSTIG advies verleend, omdat de uitbreiding van dieren te dicht gelegen is bij woningen. De hinder voor de omwonenden kan niet tot een aanvaardbaar niveau beperkt worden'. Rekening houdende met dit advies én met de verdubbeling van het aantal runderen heeft verwerende partij terecht de vergunning geweigerd en heeft zij hierbij haar motiveringsplicht geenszins geschonden. Verzoekende partij haalt bovendien aan dat het bestreden besluit een contradictie zou inhouden. Verwerende partij zou geen rekening gehouden hebben met de gelijktijdige vermindering van de bezetting van de inrichting met 100 varkens, hetgeen nochtans tot een vermindering van de geurhinder zou leiden. VII-15.161-8/13 Verwerende partij diende geenszins met deze vermindering rekening te houden, gezien deze niets afdoet aan de verdubbeling van het aantal runderen. De verdubbeling van de rundveehouderij maakte in het bestreden besluit immers de weigeringsgrond uit. Volledigheidshalve doet verwerende partij opmerken dat losstaand van het feit dat er voor de rundveehouderijen geen dwingende afstandsregels voorhanden zijn, verwerende partij bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag over een discretionaire bevoegdheid beschikt. Verwerende partij verwijst ten deze naar de volgende overweging in het bestreden besluit (...) : De overheid dient bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag een appreciatie te maken van de voorziene hinder voor de mens en het leefmilieu. De milieuvergunning dient te worden geweigerd wanneer deze hinder de grenzen van het aanvaardbare zou overschrijden. Van discretionaire bevoegdheid is er sprake wanneer aan het bestuur enige beoordeling- of beleidsvrijheid wordt toevertrouwd over de wijze waarop de toegekende bevoegdheid wordt uitgeoefend (MAST, A., en DUJARDIN, J., Wanneer de overheid over een inhoudelijke discretionaire bevoegdheid beschikt, kan er enkel sprake zijn van een marginale toetsing, waarbij het onredelijk of onbillijk gedrag van het betrokken administratieve orgaan slechts door de rechter wordt gesanctioneerd wanneer de onredelijkheid of de onbillijkheid zo evident is dat het oordeel van de rechter met een algemeen gedeelde rechtsovertuiging overeenstemt (ibidem, p. 663, nr. 727). De rechter moet de beleidsvrijheid van het bestuur immers eerbiedigen. De marginale toetsing is dus een vorm van beperkte toetsing die de rechter slechts toelaat op te treden wanneer over de onjuistheid van het overheidsoptreden geen twijfel bestaat. Ten deze dient echter te worden vastgesteld dat de overheid haar appreciatiebevoegdheid op zorgvuldige wijze en in redelijkheid heeft uitgeoefend. In casu dient verwerende partij bij de beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag tevens rekening te houden met de termijn waarvoor dergelijke vergunningen worden toegekend. In dit opzicht dient verwerende partij, ongeacht het eventueel voorhanden zijn van bewijzen van voldoende mestafzet, mestopslagcapaciteit enz. en ongeacht het niet voorhanden zijn van dwingende afstandsregels, eveneens rekening te houden met de bestaande toestand in de omgeving van de aangevraagde inrichting en de omvang van de gevraagde uitbreiding. Verwerende partij stelde bij deze beoordeling vast dat de beoogde uitbreiding een verdubbeling van de rundstapel met zich zou meebrengen, hetgeen mede gezien het nabijgelegen woongebied tot een onaanvaardbare geurhinder zou leiden. Inzake de beweerde schending van de motiveringsplicht verwijst verwerende partij bijgevolg naar de gegeven motivering in het bestreden weigeringsbesluit, waaruit blijkt dat zij niet Het middel is niet gegrond"; VII-15.161-9/13 2.1.
  13. Overwegende dat verzoeker als volgt in zijn memorie van wederantwoord repliceert : "De bestreden beslissing is gebaseerd op twee overwegingen :
  14. dat er verdubbeling is van het aantal vergunde runderen, nl. een stijging van 80 runderen (uitbreiding van 70 tot 150)
  15. de ligging van een vijftal woningen binnen een straal van 150 meter Uit de combinatie van deze twee overwegingen heeft de verwerende partij beslist om de vergunning te weigeren omdat deze uitbreiding een onaanvaardbare verhoging van geurhinder tot gevolg zou hebben. Er moet gesteld worden dat deze motivering niet beantwoordt aan een in rechte en in feite gebaseerde motivering: Ten eerste: de verzoekende partij beschikt over veel minder runderen dan zelfs in een woongebied theoretisch kan toegelaten worden. Het uitbreiden van het aantal dieren tot 150, zelfs als het gaat over een verdubbeling van de vergunde dieren, kan op zich geen grond vormen voor de weigering van de vergunning omdat het bedrijf gelegen is in een agrarisch gebied en voldoet aan de wettelijke voorschriften i.v.m. het aantal dieren. Ten tweede: voor een rundveehouderij bestaan er geen afstandsregels. De ligging van een vijftal woningen binnen een straal van 150 meter van de uitbreidingszone kan op zich evenmin in aanmerking genomen worden voor de beoordeling van de vergunning. M.a.w., de uitbreiding is verenigbaar met de geldende wettelijke voorschriften, zoals de verwerende partij trouwens toegeeft. Natuurlijk betekent dat niet dat de vergunningverlenende overheid verplicht is om een vergunning te verlenen telkens een bedrijf beantwoordt aan alle ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften. De vergunningverlenende overheid heeft het recht en zelfs de plicht elke aanvraag te beoordelen, rekening houdende met alle wettelijke voorschriften maar ook met alle feitelijke gegevens (R.v.St. nr. 56.361, 17 november 1995). Indien uit de feitelijke gegevens blijkt dat de tolerantiedrempel van geurhinder zal overschreden worden, kan de overheid de vergunning weigeren. In casu heeft het bestuur geen rekening gehouden met alle feitelijke gegevens en de tolerantiedrempel van geurhinder wordt niet overschreden. a. Het feit zelf dat een veefokkerij gelegen is in agrarisch gebied, dat omwille van zijn bestemming voor landbouw minder gevoelig is voor hinder, en aan de afgifte van de vergunning niet alleen een aantal sectoriële, doch ook een reeks bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden kunnen worden verbonden, waarbij sommige van de laatstgenoemde voorwaarden gericht zijn op het tegengaan van geurhinder, heeft tot gevolg dat de ingeroepen geurhinder niet als ernstig moet beschouwd worden (zie bij analogie Rv.St. nr. 42.245, 11 maart 1993). De verwerende partij blijft in gebreke om aan te tonen waarom door de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden de geurhinder niet tot een aanvaardbaar niveau kan teruggebracht worden. Meer nog, de verwerende partij heeft noo it onderzocht of door opleggen van bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden de geurhinder al dan niet kan teruggebracht worden op een aanvaardbaar niveau. b. De uitbreiding zal geen stijging van geurhinder tot gevolg hebben. Immers, de uitbreiding met 80 runderen gaat gepaard met een vermindering van 100 varkens die meer geurhinder veroorzaken dan de runderen. Voor het rundveebedrijf bestaan er geen afstandsregels. Voor een varkenshouderij daarentegen voorziet VLAREM II in verplichte afstandsregels. Deze verplichte afstandsregels worden gesteld om vooral de geurhinder tegen te gaan. Elke redelijke persoon kan door een eenvoudige optelling tot de VII-15.161-10/13 conclusie komen dat de gevraagde uitbreiding geen stijging maar wel een daling van de geurhinder tot gevolg zal hebben. In zijn memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat hij geenszins rekening hoeft te houden met het feit dat er een vermindering is met 100 varkens. Dat is op zijn minst een zeer merkwaardige stelling van het bestuur dat nochtans verplicht is alle relevante feitelijke gegevens in aanmerking te nemen bij de beoordeling van individuele aanvragen. Het enige motief van de weigeringsbeslissing bestaat erin dat er een stijging zal zijn van de geurhinder en dat deze hinder, zonder te verklaren waarom, niet tot een aanvaardbaar niveau kan gebracht worden. Hoe kan het bestuur tot deze vaststelling komen zonder rekening te houden met het geurhinder verminderend effect dat het gevolg kan zijn door de vermindering van 100 varkens? Door te stellen dat er geen rekening zal gehouden worden met de positieve elementen voor de verzoeker en alleen zal rekening gehouden worden met negatieve elementen, schendt de overheid niet alleen de motiveringsplicht maar geeft zij tegelijk blijk van een manifest onredelijk en onzorgvuldig handelen bij de feitenvinding en bij de appreciatie van deze feiten. c. Er moet gesteld worden dat de woningen waarvan sprake is in de bestreden beslissing en die zogezegd geurhinder zullen ondervinden, ofwel gelegen zijn in agrarisch gebied ofwel in de onmiddellijke nabijheid van een agrarisch gebied. Het is de vaste rechtspraak van Uw Raad dat in agrarische gebieden die omwille van hun bestemming voor landbouw minder gevoelig zijn voor geurhinder, de omwonenden meer tolerantie aan de dag moeten leggen voor hinder, precies omwille van het feit dat zij zelf gekozen hebben voor het wonen in of bij een agrarisch gebied"; 2.2.
  16. Overwegende, vooreerst, dat uit de sub 1.6 weergegeven motivering van het bestreden besluit duidelijk blijkt dat het decisief motief tot weigering van de gevraagde uitbreiding met 80 runderen is dat de verdubbeling van het aantal runderen een onaanvaardbare verhoging van de geurhinder tot gevolg zal hebben voor de vijf woningen die binnen een straal van 150 meter gelegen zijn; dat de formele motiveringsplicht niet werd geschonden; 2.2.
  17. Overwegende dat de gevraagde uitbreiding gepaard gaat met een vermindering van 100 varkens; dat in zijn advies de afdeling Milieuvergunningen onder meer stelde : "Overwegende dat, gezien de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied en op 100 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter, er voldaan is aan de voorschriften van titel II van het Vlarem; dat voor runderen immers geen afstandsregels gelden; dat de motivering tot weigering in het beroepen besluit niet kan bijgetreden worden; dat immers niet kan gesteld worden dat de hinder van het houden van 19.800 kippen niet aanvaardbaar is; dat immers het verlenen van de vergunning voor 19.800 kippen door het College van Burgemeester en Schepenen op 14/03/1990, zonder dat hiertegen beroep werd ingediend, impliceert dat de overheid heeft geoordeeld dat de hinder hiervan wel aanvaardbaar is; dat in huidige aanvraag wel de mogelijke bijkomende hinder afkomstig van de 80 bijkomende runderen dient geëvalueerd; dat de nieuwbouw aan de runderstal wordt gebouwd weg van het zuidelijk VII-15.161-11/13 gelegen woongebied; dat deze uitbreiding wel dichter bij de woning op perceel nr. 294 l komt, zijnde de woning van 1 van de bezwaarvoerders; dat de uitbreiding tot op 30 m van deze woning komt; dat deze woning in agrarisch gebied is gelegen; dat anderzijds de geurhinder door het verminderen met 100 varkens wordt beperkt; dat uitbreiding en vermindering elkaar kompenseren zodat er geen abnormale verhoging van de hinder zal optreden"; 2.2.
  18. Overwegende dat, zoals de afdeling Milieuvergunningen oordeelde, in alle redelijkheid moet worden aangenomen dat de gevraagde vermindering van het aantal varkens wel degelijk een vermindering van de geurhinder, veroorzaakt door het bedrijf, tot gevolg zou hebben; dat desbetreffend kan worden verwezen naar het feit dat voor varkens in Vlarem II dwingende afstandsregels zijn opgenomen juist omwille van de geurhinder, terwijl voor rundveestallen dit reglement geen dwingende afstandsregels bevat; dat daarbij nog komt dat in casu de nieuwe runderstal wordt gebouwd weg van het zuidelijk gelegen woongebied en dat de uitbreiding ten opzichte van de dichtstbijzijnde woning gelegen in agrarisch gebied een loods voor voertuigen betreft; 2.2.
  19. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de vermindering van 100 varkens die met de gevraagde verandering gepaard gaat; dat het eerste middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  20. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 18 december 1996 waarbij het beroep dat René LAEREMANS had ingediend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 13 juni 1996 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning om zijn inrichting gelegen te Herselt, Westerlosesteenweg 66, te veranderen, ongegrond wordt bevonden en het beroepen besluit wordt bevestigd. VII-15.161-12/13 Artikel
  21. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-15.161-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.