← België

Arrest 153126 - - 22/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.126 Rolnummer: A. 168625/XII-4611 Zaak: Arrest 153126 - - 22/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 07:06 Fiche Arrest nr 153.126 van 22 december 2005 - Beslissing : Bevolen Verwerping voorlopige maatregelen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.126 van 22 december 2005 in de zaak A. 168.625/XII-

  1. In zake : Ben VANLOOK, die woonplaats kiest bij advocaten K. Geelen en K. Wauters, kantoor houdende te Hasselt, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door:
  2. de Scholengroep 16 Midden-Limburg, die woonplaats kiest bij advocaat G. Van den Eynde, kantoor houdende te Geel, Diestseweg 155 en
  3. de delibererende klassenraad van klas 6C2 van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ben Vanlook op 16 december 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 1 [lees 8] december 2005 van de delibererende klassenraad waarbij aan hem een C-attest wordt toegekend en van de “beslissing houdende de weigering om [hem] een diploma secundair onderwijs uit te reiken”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift waarbij dezelfde verzoeker voorlopige maatregelen vordert; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de Scholengroep 16; XII-4611-1\18 Gelet op de beschikking van 16 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2005, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Wauters, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Cauwenberghs, die loco advocaat G. Van den Eynde verschijnt voor de Scholengroep 16; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Voorgaanden
  4. Overwegende dat de feiten dienstig voor de beoordeling van de vordering tot schorsing de volgende zijn : Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2004-2005 het tweede jaar van de derde graad ASO latijn-moderne talen aan het koninklijk atheneum 1 te Hasselt. De examens van juni leveren hem twee tekorten op, voor wiskunde en voor natuurwetenschappen. Voor diezelfde vakken heeft hij ook jaartekorten. De delibererende klassenraad beslist dat verzoeker bijkomende proeven moet afleggen voor wiskunde en natuurwetenschappen, met als motivering : “zware tekorten op jaarbasis”. Op 25 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef natuurwetenschappen af. Hij behaalt 63%. Op 26 augustus 2005 legt verzoeker de bijkomende proef wiskunde af. Hij zal vier vragen hebben beantwoord, wanneer de toezichthoudende leerkracht vaststelt dat op de hand van verzoeker onder meer het binomium van Newton geschreven staat. Het examen wordt niet verder afgewerkt. XII-4611-2\18 Na het gebeuren richten de ouders van verzoeker zich op 28 augustus 2005 schriftelijk tot de leden van de klassenraad. In die brief, die volgens de verwerende partij is voorgelezen tijdens de deliberatie van 30 augustus 2005, betogen zij omstandig, onder meer, “dat het om een geheugensteuntje gaat, dat hij de avond voor het examen in zijn hand schreef en dat hij niet of onvoldoende heeft afgewassen”, dat behalve de gewraakte formule, op zijn hand ook aantekeningen stonden geschreven waarmee hij toch niets kon aanvangen : “opp”, “verd”, “d en I” en “formules!”, dat dit het overzicht was van de lesonderdelen die hij nog wou nakijken de ochtend van het examen, dat verzoeker dit vergeefs heeft pogen uit te leggen aan de surveillant, wat leerlingen kunnen bevestigen, dat niet is vastgesteld dat hun zoon spiekte, dat de surveillant, “die zelfs geen deel uitmaakt van de delibererende klassenraad”, “uitspraken [doet] waardoor Ben denkt dat hij zijn examens niet verder mag afwerken”, dat de attestering de autonome bevoegdheid is van de delibererende klassenraad, dat die zich moet laten leiden door de resultaten van proeven, dat Ben onheus is beïnvloed, door te horen “je hebt in ieder geval nul”, om vroegtijdig af te geven, dat dit de correcte besluitvorming van de delibererende klassenraad bemoeilijkt, dat verzoeker een moeilijk schooljaar achter de rug heeft, dat hij op het eindexamen niettemin serieuze inspanningen deed, dat om redelijkheid verzocht mag worden. De delibererende klassenraad neemt op 30 augustus 2005 de beslissing om verzoeker te beschouwen als niet geslaagd en om hem een oriënteringsattest C te verlenen, met als “mededeling” : “Bijkomende proeven: niet geslaagd Reden . cfr gesprek klastitularis en directeur”. De directrice beslist, na overleg met de ouders, om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 6 september 2005 handhaaft de delibererende klassenraad het C- attest. Verzoeker tekent bezwaar aan tegen deze beslissing. De beroepscommissie hoort verzoeker, zijn ouders en hun raadsman op 15 september
  5. Het college van directeurs, “[r]ekening houdend met het onderzoek van de beroepscommissie”, beslist op 19 september 2005 “om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen”. XII-4611-3\18 Bij arrest nr. 149.871 van 6 oktober 2005 beveelt de Raad van State de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 19 september 2005 van het college van directeurs van de scholengroep 16 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Ben Vanlook delibererende klassenraad van het tweede jaar van de derde graad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt niet opnieuw samen te roepen. Ingevolge dit arrest beslist het college van directeurs op 13 oktober 2005 om de beslissing van 19 september 2005 in te trekken. Het college beveelt de delibererende klassenraad aan om een nieuwe beslissing te nemen rekening houdende met voormeld arrest. Op 17 oktober 2005 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C uit te reiken. Bij arrest nr. 151.060 van 8 november 2005 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 17 oktober 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan verzoeker een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. Op 14 november 2005 beslist de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C uit te reiken. Bij arrest nr. 168.625 van 1 december 2005 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 14 november 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan Ben Vanlook een oriënteringsattest C wordt afgeleverd. Op 8 december 2005 neemt de delibererende klassenraad de thans bestreden beslissing, die luidt : “Op vrijdag 26/08/05 heeft Ben Vanlook zich aangeboden op de uitgestelde proef wiskunde. Deze proef bestond uit 2 delen. Toen de toezichthoudende leerkracht (wiskunde) kwam informeren of Ben het eerste deel had afgewerkt (de vorige leerlingen waren reeds aan het tweede deel bezig), gesticuleerde Ben, waarbij de toezichthoudende leerkracht wiskunde vaststelde dat er iets op de binnenkant van Ben zijn hand stond. Ben probeerde nog tevergeefs de formule XII-4611-4\18 (binomium van Newton), die tot de leerstof behoorde en die duidelijk en helemaal uitgeschreven op zijn hand stond, naast andere aantekeningen in tekstvorm of als afkorting genoteerd, te verbergen. Ben reageerde hierop door te zeggen : ‘Ik kan die formule niet onthouden’. Ben vroeg wat de gevolgen zijn. Het antwoord was : ‘Fraude’. Nadien is Ben uit eigen beweging zijn examenkopij gaan afgeven met de opmerking : ‘Verder werken heeft totaal geen zin meer’ en hij is vertrokken. Nazicht van de door Ben ingeleverde kopij leverde cijfermatig slechts 15/70 op (vraag 1 : 3/8, vraag 2 : 2/6, vraag 3 : 5/6 vraag 4 : 0/4 vraag 5 : 2/10, vraag 6 : 0/10, vraag 7 : 0/10, vraag 8 : 3/6, vraag 9 : 0/10, vraag 9 werd niet beantwoord). De delibererende klassenraad oordeelt dat het hier om fraude gaat. De delibererende klassenraad oordeelt unaniem en autonoom dat het ongeoorloofd in het bezit hebben of ongeoorloofd gebruik van informatie die tot de leerstof van de betrokken proef behoort, als fraude wordt beschouwd. Dat was in casu het geval, de formule behoorde tot de te kennen leerstof. De klassenraad stelt bovendien vast dat deze formule in wiskundige vorm volledig uitgeschreven werd (overige in tekstvorm en afgekort), hetgeen zijn intentie tot het gebruik ervan bevestigt. De delibererende klassenraad is van oordeel dat het niet terzake is of deze formule daadwerkelijk kon gebruikt worden. Geen enkele leerling kan namelijk vooraf weten welke vragen er zullen gesteld worden op de proef. De delibererende klassenraad beslist dat dergelijke laakbare handeling resulteert in een nul voor de bijkomende proef van het betreffende vak (wiskunde). Dit element wordt toegevoegd aan het geheel van de deliberatiegegevens die hierop volgen. Het vak wiskunde nam in het schooljaar 2004-2005 in de afdeling Latijn- Moderne Talen (3de graad) vier lestijden per week in beslag. Geen enkel vak in deze richting woog zwaarder door. Ook de vakken Nederlands, Latijn en Frans telden vier uur per week, terwijl de andere vakken minder uren in beslag namen. De belangrijkheid van het vak wiskunde in de kwestieuze afdeling mag derhalve niet worden onderschat. De delibererende klassenraad beschikt over de volgende gegevens (zie bijlage 1 : de totale evaluatie van Ben Vanlook in cijfers uitgedrukt) 1) Op jaarbasis behaalt Ben - 3 goede globale jaarresultaten (aardr., L.O., latijn) - 7 voldoende globale jaarresultaten : Natuurwetenschappen : DW, 7/10, DW2 : 1,5/10, DW3 : 4,5/10, EX1 : 35/100, EX2 : 47/100 globaal jaarresultaat (verhouding DW/EX : 43,1% De leerling voldeed enkel voor de eerste rapportperiode. Hij kreeg een bijkomende proef in augustus, waarvoor hij een cijferresultaat van 63 % behaalde. 3) Wiskunde : Voor geen enkel rapport een voldoende cijferresultaat Globale jaarresultaat (verhoud. DW/EX) : 35,6 % en een nul voor de bijkomende proef wiskunde in augustus. Geheel het schooljaar onvoldoende voor elke aangekondigde toets (bijlage 2) Het zeer zwakke cijferresultaat voor DW3 is voornamelijk het gevolg van een onwettige afwezigheid op een aangekondigde toets wiskunde (bijlage 3) In cijferresultaten uitgedrukt ziet de evolutie er als volgt uit : DW1 : 4/10, DW2 : 3/10, DW3 : 2/10, EX1 : 42/100, EX2 : 38/100 Van een positieve evolutie is geen sprake, meer zelfs, de cijfers van Ben gaan uitsluitend in dalende lijn, alsof de student het vak gewoon naast zich neerlegt. Ben kreeg dan ook een bijkomende proef wiskunde in augustus waarvoor hij 0/100 behaalde. XII-4611-5\18 De leerling heeft de doelstellingen die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen niet bereikt gezien alle bovenstaande argumenten: 4) Bovendien stelt de klassenraad vast dat Ben voor elke rapportperiode ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten behaalt, zowel voor DW als voor de examens DW1 Lev : 4,5/10 - Wis : 4/10 DW2 Eng : 4/10, - Wis : 3/10 - Nat : 1,5/10 DW3 Wisk : 2/10 - Nat : 4,5/10 EX1 Lev : 25/100 - Frans : 47/100 - Wis : 42/100 Nat : 35/100 - Info : 43/100 EX2 Wisk : 38/100 - Nat : 47/10 (bijlage 1) Besluit : De delibererende klassenraad is zich terdege bewust dat in huidig geval een uiterst zorgvuldige motivering zich opdringt. Enerzijds zijn er voor diverse vakken matige, maar voldoende globale jaarresultaten en is er een, weliswaar grillige positieve evolutie in de cijferresultaten van het 3de trimester. Anderzijds zijn er 1) zware continue tekorten voor wiskunde voor elke rapportperiode 2) is er een nul voor de bijkomende proef wiskunde op de bijkomende proef in augustus en 3) is er het feit dat elke rapportperiode ten minste 2 onvoldoende cijferresultaten vertoont (bijlage 1) De klassenraad oordeelt dat de positieve tendens in de cijferresultaten, waarneembaar in DW3 en EX2, dus in het 3de trimester van het schooljaar, niet opweegt tegen de negatieve argumenten met name een continu zwaar onvoldoende cijfermateriaal voor wiskunde, een nul voor de bijkomende proef wiskunde, tenminste 2 onvoldoende cijferresultaten voor elke rapportperiode, te meer daar deze negatieve argumenten zich manifesteren over het ganse schooljaar. Aanvullend kan de delibererende klassenraad niet blind zijn voor het feit dat Ben geen positieve evolutie doormaakt op het vlak van studiehouding. Ben probeerde reeds eerder op het schooljaar (26/04/05) een toets wiskunde te ontlopen. De school bood hem na de 2 de examenperiode met de bijkomende proef een tweede kans, de leerling vergooide deze echter door te frauderen. Ben gaf op de toets van april 2004 zelf aan totaal onkundig te zijn. De gepleegde fraude bevestigt deze totale onkunde van de leerling. Uit de algemene evaluatie (remediëringen) opgetekend gedurende het gehele schooljaar kan bovendien duidelijk worden opgemaakt dat Ben weinig aandacht besteedt aan zijn studies in het algemeen. De klassenraad stelt vast dat de remediërende voorstellen die besproken werden met Ben en met zijn ouders op diverse ogenblikken tijdens het schooljaar niet het gewenste effect hebben gehad op de cijferresultaten (bijlage 4). Nochtans werden Ben en zijn ouders reeds op het einde van het 5de leerjaar gewaarschuwd dat zware inspanningen zouden moeten worden geleverd (bijlage II). De klassenraad kan evenmin voorbijgaan aan het feit dat het algemeen secundair onderwijs algemeen vormend is. Dit betekent dat vanuit iedere studierichting de student vrij zijn studierichting in het hoger onderwijs kan kiezen. Daarom levert ieder vak dus in het secundair onderwijs zijn specifieke bijdrage en vereist het ook de nodige studie-inspanningen. In casu hebben we te maken met een leerling die op een flagrante wijze een vak negeert dat nochtans een belangrijk integrerend deel uitmaakt van de door hem gevolgde studierichting. De klassenraad oordeelt in eer en geweten dat al de positieve, maar zeer matige jaarresultaten voor de andere vakken niet opwegen tegen dit moedwillig verwerpen van een vak en tegen de gepleegde fraude, nu dit aangeeft dat Ben XII-4611-6\18 niet over voldoende maturiteit, wil en inzet beschikt om iets van zijn studies te maken. In die zin doet de gepleegde fraude vragen rijzen omtrent de bekwaamheid van Ben om überhaupt hogere studies aan te vatten. De delibererende klassenraad oordeelt unaniem en autonoom dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt en aldus niet voldaan werd voor het geheel van de vorming van het betreffende jaar en dat de leerling niet bekwaam wordt geacht om zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs. Besluit : C-attest”; De aanwijzing van de verwerende partij 2.
  6. Overwegende dat verzoeker als verwerende partijen aanwijst, ten eerste “het Gemeenschapsonderwijs vertegenwoordigd door de scholengroep 16” en ten tweede “de delibererende klassenraad van de klas 6C2 van het Koninklijk Atheneum1” te Hasselt; Overwegende dat verwerende partij in de nota opmerkt “niet (noch in rechte, noch in feite) bij machte [te zijn] om rekening houdende met de discretionaire bevoegdheid van de klassenraad [...] de grenzen van de discretionaire bevoegdheid te laten bepalen”, dat de schoolpactwet en het organisatiebesluit de delibererende klassenraad aanduiden als enig orgaan om te beslissen en dat de delibererende klassenraad zich dan ook zelf “in rechte dient te verantwoorden voor en de gevolgen dragen van de beslissingen dewelke zij neemt als delibererende klassenraad”; 2.
  7. Overwegende dat in een geding voor de Raad van State de verwerende partij in de regel een rechtspersoon is; dat dienvolgens de instelling met rechtspersoonlijkheid “het Gemeenschapsonderwijs”, opgericht bij het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs (hierna: het bijzonder decreet), de rechtspersoon is die als verwerende partij moet worden beschouwd wanneer een beslissing van één van zijn organen wordt aangevochten voor de Raad van State; dat behoudens anders luidend voorschrift die rechtspersoon best vertegenwoordigd wordt door het orgaan dat de bestreden beslissing heeft aangenomen; dat evenwel te dezen met het oog op de procesvertegenwoordiging een tekst voorhanden is : blijkens de artikelen 5, § 5, en 30, § 3, van het bijzonder decreet is de bevoegde scholengroep -zijnde het bestuursniveau dat krachtens het bijzonder decreet voor beslissingen als de voorliggende “het Gemeenschapsonderwijs” als verwerende partij vertegenwoordigt- er mee belast om in de huidige procedure voor de Raad van State de belangen van die instelling te verdedigen; dat het in de concrete XII-4611-7\18 omstandigheden van deze zaak evenwel gerechtvaardigd voorkomt om ook in zoverre met verzoeker mee te gaan, en dienvolgens ook met de verzuchting van de scholengroep rekening te houden, dat naast de scholengroep ook de delibererende klassenraad van wie de bestreden beslissing uitgaat, in het geding wordt betrokken; dat immers hij, gelet op zijn autonome bevoegdheid om over verzoekers slagen te oordelen, bij uitstek geschikt is om de verdediging van zijn bestreden beslissing op zich te nemen; dat de Raad van State wel moet vaststellen dat de delibererende klassenraad, spijts zijn oproeping ter terechtzitting, zich niet vertoont; Het voorwerp van de vordering tot schorsing 3.
  8. Overwegende dat verwerende partij in de nota de ontvankelijkheid betwist omdat een beslissing van 1 december 2005 van de delibererende klassenraad niet bestaat; 3.
  9. Overwegende dat verzoeker een afschrift van de beslissing van de delibererende klassenraad van 8 december 2005 bij de vordering heeft gevoegd en zijn grieven op de motivering van die beslissing betrekt; dat het een onachtzaamheid is die hem in het verzoekschrift “1” in plaats van “8” december 2005 heeft doen schrijven; dat die verschrijving een materiële vergissing is die overigens verwerende partij niet heeft belemmerd in het voeren van haar verweer; dat de exceptie niet wordt aangenomen; De schorsingsvoorwaarden
  10. Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  11. Overwegende, wat de eerste en de derde voorwaarde betreft, dat verzoeker in essentie wijst op het dreigende verlies van een schooljaar en de moeilijkheden om zich nog te kunnen inschrijven in een instelling van hoger XII-4611-8\18 onderwijs; dat de verwerende partij in de nota en ter terechtzitting uitdrukkelijk stelt deze voorwaarden niet te betwisten; dat ook de Raad daartoe geen reden ziet;
  12. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker een enig middel put uit de schending van de artikelen 5, § 8, 37 en 38 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (ook : organisatiebesluit) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarvan hij in het bijzonder noemt het materieel motiverings- beginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het patere legem- beginsel en het evenredigheidsbeginsel; dat hij de betekenis van de genoemde beginselen in herinnering brengt; dat hij ook de reeds door de Raad van State uitgesproken arresten in verband met de eerdere beslissingen van de klassenraad memoreert; dat hij argumenteert dat de klassenraad “steeds andere en ook tegenstrijdige motieven gebruikt”; dat volgens hem uit de gegeven motieven blijkt dat alleen de fraude gepleegd bij het examen wiskunde -die hijzelf overigens nog steeds niet als zodanig ziet- “de klassenraad opnieuw en opnieuw laat besluiten” om hem geen diploma te geven; dat hij alle argumenten ontleend aan het organisatiebesluit, het schoolreglement en zijn concrete studieresultaten herhaalt die reeds zijn terug te vinden in de eerdere vorderingen, reeds aangehaald in ’s Raads vorige arresten; dat hij daar nog aan toevoegt dat in de door hem gevolgde richting talen “deze vakken ook de hoofdmoot uitmaken (Latijn-Nederlands-Frans elk 4 uren, Duits-Engels elk 2 uren)” en het vak wiskunde in dat licht helemaal niet doorweegt zodat dit motief niet strookt met de werkelijkheid: “Het zou trouwens niet logisch [zijn] dat in een richting, die juist wordt gekozen door leerlingen die minder zijn in wiskunde, het vak wiskunde een doorslaggevende rol zou spelen”; dat hij betoogt dat de klassenraad voor de bewering dat hij weinig aandacht besteed heeft aan zijn studies verwijst naar stukken waaruit het gestelde niet blijkt; dat hij verder uiteenzet het vak wiskunde niet te negeren op moedwillige wijze: wiskunde “is voor hem simpelweg een onbegrijpelijk vak”; dat hij nog betoogt : “In huidige zaak blijkt uit alle globale resultaten van de proeven en de positieve tendens in deze resultaten over het jaar genomen dat verzoekende partij aanspraak kan maken op het bekomen van een A-attest. Het voorbijgaan aan deze evidente elementen kan enkel nog geacht worden binnen de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de overheid te liggen, indien blijkt dat die overheid, op grond van bijzondere concrete gegevens, die verband houden met het bereiken van de algemene doelstellingen, deze evidente elementen heeft opzij gezet”; en hij besluit : XII-4611-9\18 “Gezien de resultaten van verzoekende partij had verwerende partij na het afleggen van de bijkomende proeven, waarbij nog één proef een onvoldoende gaf, een quasi gebonden bevoegdheid om een A-attest af te leveren”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota op het middel antwoordt dat het evident is dat gelet op de tussengekomen schorsingen met daarbij horende motiveringen ook de overwegingen en motiveringen van de delibererende klassenraad wijzigden, dat de weging zoals bepaald in het studiereglement vervat is in de jaarresultaten, zodat in de bestreden beslissing wel degelijk de jaarresultaten in rekening worden gebracht en afgewogen tegenover de tekorten, dat het vak wiskunde niet als een minder belangrijk vak aangeduid kan worden, dat geen enkel vak meer lesuren had dan het vak wiskunde, dat de klassenraad een grillige positieve evolutie in de cijferresultaten van het derde trimester vaststelt, dat volgens de klassenraad de positieve tendens niet opweegt tegen de negatieve argumenten en dat de Raad van State zich niet in de plaats kan stellen van de klassenraad;
  13. Overwegende dat de delibererende klassenraad, wat het gewoon secundair onderwijs betreft, zijn bevoegdheid ontleent aan artikel 6quater van de schoolpactwet van 29 mei 1959; dat die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”; dat de delibererende klassenraad luidens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit beslist of de leerling het leerjaar al dan niet “met vrucht” heeft beëindigd; dat meer bepaald een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met vrucht beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”;
  14. Overwegende dat de Raad van State herhaalt hetgeen hij reeds in de eerdere arresten heeft overwogen; dat, zoals hij overwoog in zijn arrest van 1 december 2005, de delibererende klassenraad voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, weliswaar over een -ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt maar : “dat discretionaire bevoegdheid evenwel niet rijmt met willekeur; dat dienvolgens een beoordeling van de delibererende klassenraad door de Raad van XII-4611-10\18 State in elk geval voor onwettig wordt gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven;” Overwegende dat de Raad eveneens in herinnering brengt in hetzelfde arrest overwogen te hebben : “dat, wanneer die klassenraad ten slotte reeds twee maal over verzoeker een beslissing heeft genomen die wegens motiveringsgebreken in haar tenuitvoerlegging is geschorst, het zaak is om de motieven die het resultaat van die afweging onderbouwen in de beslissing accuraat uiteen te zetten”; dat, hoeft het gezegd, die plicht tot bijzonder nauwkeurige motivering des te meer geldt wanneer, als nu, geen twee maar drie maal een beslissing van de delibererende klassenraad wegens motiveringsgebreken in haar tenuitvoerlegging is geschorst;
  15. Overwegende dat de Raad van State op het eerste gezicht vaststelt dat de door de delibererende klassenraad in zijn vorige beslissing neergeschreven motieven, in extenso aangehaald in het arrest van 1 december 2005, hernomen worden in de thans bestreden beslissing; dat die motieven, blijkens voornoemd arrest, niet afdoende lijken te zijn om een C-attest te verantwoorden; dat ook de Raad van State in die omstandigheden in herhaling moet vervallen; Overwegende dat, in het kort, de Raad bij zijn standpunt blijft, reeds ingenomen in zijn arresten van 8 november 2005 en van 1 december 2005, dat verzoeker “voor alle vakken behalve wiskunde voldoende tot goede cijfers behaalt en dus op het eerste gezicht, behalve voor wiskunde, vak per vak geslaagd moet worden verklaard”; dat de voornaamste beweegreden voor het C-attest te vinden lijkt, voorheen zoals nu, in de door verzoeker zelf toegegeven “totale onkunde” voor het vak wiskunde, weze het dat de klassenraad dit motief ditmaal nog meer uiteen- rafelt en analyseert in deelmotieven met betrekking tot de resultaten voor de proeven, het weglopen bij een proef, het frauderen bij een proef; dat, zoals reeds voorheen de Raad heeft aangenomen, die feitelijke gegevens “inderdaad aantonen, zo lijkt, dat de delibererende klassenraad het bij het rechte eind heeft bij zijn bevinding dat verzoeker ‘de doelstellingen die in het leerplan wiskunde zijn opgenomen niet bereikt gezien alle bovenstaande argumenten’” (zie hetzelfde arrest van 1 december 2005); Overwegende dat verzoeker niettemin slechts voor dit ene vak een globaal en afgetekend onvoldoende behaalt; dat daarom de Raad van State, zoals in elk vorig arrest, thans opnieuw het artikel 57 van het organisatiebesluit in herinnering brengt; dat luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel XII-4611-11\18 56, “het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden [is] aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming”; dat die bepaling de Raad van State prima facie leert dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet; Overwegende dat die reden kan te vinden zijn in de aard van het vak zelf, bij voorbeeld wegens zijn aandeel in de totale studie, omwille van zijn belang voor de gekozen richting of omwille van de specifieke kunde die het bedoelde opleidingsonderdeel wil en moet uittesten; dat men bij wijze van voorbeeld kan denken aan opleidingsonderdelen zoals een stage, een thesis of voor de opleiding noodzakelijke praktische vaardigheden; dat te dezen de klassenraad wel wijst op het feit dat het vak wiskunde “niet [mag] worden onderschat” omdat het even veel lestijden per week heeft als de vakken Latijn, Nederlands en Frans; dat dit feitelijk juist is, maar niet aantoont, zo lijkt, waarom aan dit ene, niet te ónderschatten vak een bijzonder (óver-)gewicht moet worden gegeven in de door verzoeker gekozen opleiding; dat in de huidige stand van de rechtspleging aangenomen wordt dat verzoeker terecht opmerkt, dat het opleidingsonderdeel wiskunde niet in die mate richtinggevend is in een opleiding Latijn-Moderne Talen en niet in die mate van bepalend belang is voor de finaliteit van die opleiding, dat het enkele falen voor dit vak zonder meer het bewijs levert dat een leerling niet heeft voldaan voor “het geheel van de vorming” en in een C-attest mag resulteren; dat de aanvullende verwijzing door de klassenraad naar een aan verzoeker op het einde van het vijfde schooljaar gegeven waarschuwing niet tot een andere conclusie noopt; dat die zogenaamde waarschuwing immers, voortgaande op een niet gedagtekend, niet ondertekend stuk van het administratief dossier, een uitspraak zou zijn van de titularis wiskunde aan de ouders van verzoeker bij het ophalen van het rapport “dat hij in elk geval zeer hard voor dit vak zou moeten werken”; dat die informele vermaning van één leerkracht aan verzoekers ouders niet gelijk te stellen is met een door de delibererende klassenraad zelf aan een leerling uitgereikt A-attest met een formele waarschuwing, en eventuele begeleidende maatregelen die voor het vak waarvoor de waarschuwing geldt de door de leerling concreet te leveren inspanningen in de loop van het jaar opsomt, zoals blijkens de jurisprudentie van de Raad van State gangbaar is in - andere- scholen (zie, bij voorbeeld, de arresten nr. 111.088, Hofmans, van 8 oktober 2002 en nr. 133.387, De Smedt, van 30 juni 2004); XII-4611-12\18 Overwegende dat de delibererende klassenraad er niet in slaagt, in zijn vierde voor de Raad bestreden beslissing, thans de Raad wél ervan te overtuigen dat de onvoldoende voor dit ene vak mag volstaan om verzoeker een C-attest te geven; Overwegende voorts dat het bijkomend inroepen van de “gepleegde fraude” als motief -dus in zoverre die fraude niet reeds voldoende verdisconteerd is in de nul-quotering voor de bijkomende proef wiskunde- in essentie de studiehouding van verzoeker betreft, waarover de Raad reeds overwoog in zijn arrest van 8 november 2005, en thans herhaalt, “dat verwerende partij evenwel geen bepaling uit een toepasselijk leerplan aanwijst waaruit blijkt dát, noch hoé ‘studiehouding’ als doelstelling er in is opgenomen; dat zij leerplannen zelfs niet heeft neergelegd in het administratief dossier; dat de Raad dan ook niet kan beoordelen welke plaats voor studiehouding is gereserveerd in het leerplan; dat hij enkel kennis kan nemen van het schoolreglement, dat door de verwerende partij is overgelegd” en “dat, met het schoolreglement voor ogen, een leerling dan ook zou mogen verwachten voor zijn gedrag gesanctioneerd te worden, eensdeels, in de punten voor dagelijks werk, of, anderdeels, met eventuele tuchtprocedures; dat, voor zover de studiehouding daarnaast en daarenboven ook in aanmerking wordt genomen voor de eindbeoordeling, dit prima facie als element niet zoals te dezen doorslaggevend of uitsluitend als beweegreden kan dienen, maar enkel om andere motieven aan te vullen of te versterken”; dat, nog daargelaten of het plegen van fraude in het algemeen, of de door verzoeker concreet begane misstap een aanvullend bewijs kan leveren omtrent de bekwaamheid om hogere studies aan te vatten, dat de delibererende klassenraad alleszins dat bewijs niet levert door slechts op te merken dat “de gepleegde fraude vragen [doet] rijzen”; dat het de Raad voorkomt dat het een klassenraad, om een C-attest uit te reiken en daarmee een diploma te onthouden aan verzoeker, niet te beurt valt vragen te doen rijzen maar over zijn argumenten gegronde zekerheid hebben; Overwegende dat de thans bestreden beslissing aan de reeds eerder opgesomde motieven ook toevoegt dat de remediërende voorstellen “niet het gewenste effect hebben gehad op de cijferresultaten”; dat de Raad van State op het eerste gezicht niet begrijpt hoe de klassenraad zulks kan beweren -behalve misschien wat dan weer het vak wiskunde betreft- nu, eensdeels, die remediërende voorstellen blijkens het dossier vooral in het begin van het schooljaar te situeren zijn en, anderdeels, de Raad reeds in zijn vorige arrest overwoog en ook voor de huidige vordering er vooralsnog bij blijft “dat de onvoldoende cijferresultaten die verzoeker XII-4611-13\18 naast wiskunde behaalt, grotendeels te situeren zijn in het eerste examen en dat verzoeker, al is hij geen schitterend leerling, zijn tekortkomingen voor die andere vakken gedurende het jaar -en wat natuurkunde betreft, bij de uitgestelde proef- heeft kunnen rechtzetten; dat verzoeker zich daarbij overigens terecht mag afvragen, zo lijkt, waarom de delibererende klassenraad in zijn geval meent te mogen afwijken van de in het schoolreglement geschreven richtlijn dat de klassenraad meer waarde hecht aan de eindproef en, bijgevolg, waarom de klassenraad voorbijgaat aan de evolutie die verzoeker, hoe ‘grillig’ ook, tijdens het schooljaar in positieve zin doormaakt”; dat de voorliggende beslissing van de klassenraad, verre van die vraag te beantwoorden, haar nog luider doet klinken;
  16. Overwegende dat wat voorafgaat tot de conclusie leidt dat de klassenraad zijn beslissing prima facie niet heeft aangevuld met afdoende beweegredenen; dat het middel ernstig is;
  17. Overwegende dat bovenal evenwel de Raad in herinnering brengt, in zijn arrest van 1 december 2005 te hebben overwogen “dat, om in die concrete omstandigheden toch te besluiten ‘dat de doelstellingen die in het leerplan werden opgenomen niet in voldoende mate werden bereikt’, van de delibererende klassenraad op het eerste gezicht wordt verwacht dat hij nagaat of zulks niet alleen voor het vak wiskunde het geval was, maar ook voor andere vakken en voor ‘het geheel van de vorming’ tegen de achtergrond van de leerplannen; dat daarvoor moet worden getoetst aan die leerplannen; dat dit moet blijken uit de beslissing” en dat de Raad met de volgende, onlosmakelijk met het dictum verbonden motieven overwoog dat de beslissing om aan verzoeker een diploma te ontzeggen “dermate gewichtig is, dat evenredig eisen moeten worden gesteld aan de daartoe opgegeven motieven; dat te dezen één globale onvoldoende voor wiskunde, een vak waarvan niet wordt beweerd dat het in de gevolgde richting profielbepalend is, en enkele sporadische tekorten worden aangevoerd die bij de eindexamens -én bij beschouwen van het totaalresultaat per vak- blijken te zijn opgehaald; dat, als grondslag voor de conclusie dat verzoeker voor het geheel van de vorming niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt, die gegevens, samen genomen, prima facie niet zonder meer overtuigen; dat, ofschoon zulks in de concrete omstandigheden van deze zaak van de delibererende klassenraad mag worden gevergd, de beslissing enige band met die leerplannen niet veruitwendigt noch duiding geeft over de op grond van de aangevoerde gegevens beweerd niet bereikte doelstellingen”; XII-4611-14\18 Overwegende dat, spijts het gezag van het aangehaalde arrest, de delibererende klassenraad het essentieel lijkt te houden bij dezelfde motieven, waaraan reeds een vermoeden van onwettigheid kleeft: het enkele falen voor het vak wiskunde, de beweerd gebrekkige resultaten van de remediërende voorstellen en het “grillige” maar uiteindelijk en globaal positieve cijferresultaat; dat daarentegen, net zo min als voorheen, in de thans bestreden beslissing door de delibererende klassenraad de inspanning lijkt te zijn geleverd om het presteren van verzoeker voor alle vakken en voor het geheel van de vorming uitdrukkelijk te toetsen aan de leerplannen en, indien de daaruit resulterende beslissing weerom een C-attest moet zijn, om zulks dan ook in de motivering aantoonbaar, accuraat en gefundeerd met de leerplannen te verbinden; dat de delibererende klassenraad geen enkele poging ondernomen lijkt te hebben om de op hem prima facie rustende verplichtingen, verwoord in de vorige schorsingsarresten, in de thans bestreden beslissing na te komen; dat nochtans een schorsingsarrest en de voor de schorsing in aanmerking genomen redenen nieuwe gegevens vormen die van zulke aard zijn dat het bestuur verplicht is er mee rekening te houden, indien hij ingevolge een heroverweging zijn eerdere beslissing intrekt en ze door een nieuwe vervangt; Overwegende dat in de huidige stand van de rechtspleging dan ook wordt vastgesteld, dat de delibererende klassenraad er na ieder schorsingsarrest, tot vier maal toe, niet in slaagt andere dan prima facie onwettige redenen te geven voor het uitreiken van het C-attest aan verzoeker; dat de verwerende partij, die oorspronkelijk over een ruime beoordelingsvrijheid beschikte, bij het heroverwegen van haar beslissing bij machte is geweest meer dan eens op de motieven van haar handelen toe te zien; dat zij geacht moet worden alle concrete en nuttige gegevens betreffende verzoeker bij haar beoordeling betrokken te hebben; dat zij bij voortduring in gebreke is gebleven toereikende motieven te geven; dat zij door zo te handelen op dit ogenblik moet worden geacht geen rechtsgeldige motieven meer te hebben, minstens te kunnen aantonen dat zij ze heeft, om verzoeker niet een diploma uit te reiken; dat er ook geen enkele reden zich als vanzelfsprekend aanmeldt; dat verzoeker bijgevolg geacht moet worden, zo lijkt, recht te hebben op het diploma; dat het middel ten aanzien van de impliciete weigeringsbeslissing eveneens ernstig is;
  18. Overwegende dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen; XII-4611-15\18 Voorlopige maatregelen
  19. Overwegende dat verzoeker in een afzonderlijk verzoekschrift vordert als voorlopige maatregel te bevelen “dat verzoekende partij de kans wordt geboden om zich in te schrijven op de universiteit of op een hoge school van zijn keuze, afhankelijk van de richting die hij wenst te volgen, waarbij verwerende partij hem voorlopig alle documenten aflevert die hem die kans bieden, documenten die worden afgeleverd onder de voorwaarde dat verzoekende partij bij een herdeliberatie toch als geslaagd wordt verklaard”; Overwegende dat verwerende partij in de nota vragen stelt bij de juridische waarde van studiebewijzen, afgeleverd onder de voorwaarde van een nog door de delibererende klassenraad te nemen gunstige beslissing voor verzoeker en bij de mogelijkheid voor verzoeker om zich met een dergelijk studiebewijs in te schrijven in een universiteit;
  20. Overwegende dat de Raad van State overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder de in artikel 17, § 2, eerste lid, bepaalde voorwaarden, alle nodige maatregelen kan bevelen om de belangen van de partijen of van de personen die belang hebben bij de oplossing van de zaak veilig te stellen, met uitzondering van de maatregelen die betrekking hebben op de burgerlijke rechten; dat die maatregelen ook, overeenkomstig artikel 18, derde lid, van dezelfde wetten, kunnen worden bevolen in geval van uiterst dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de voorlopige maatregelen die de Raad mag bevelen, “nodig” moeten zijn om “de belangen van de partijen” veilig te stellen; dat de door verzoeker welbepaald gevorderde maatregelen aan die eis te dezen niet voldoen; dat immers verzoeker in de vordering verklaart “van plan” te zijn “om op universitair niveau de richting criminologie aan te vatten”, en wel “zo snel mogelijk”; dat hij blijkbaar thans nog steeds studies secundair onderwijs volgt en zijn laatste jaar overdoet; dat hij blijkens de gevorderde maatregelen hogere studies wenst aan te vatten op voorlopige en precaire wijze -dit wil zeggen, vooraleer een definitief gunstige beslissing over zijn diploma te hebben gekregen en met het risico die niet te krijgen; dat dan de vraag rijst waarom hij dat tot heden nog niet heeft gedaan, of minstens niet alles te hebben gedaan wat binnen zijn mogelijkheden ligt om die studies nuttig te kunnen volgen; dat van verzoeker met andere woorden het bewijs mag worden verwacht van enige concrete inspanningen; dat evenwel aan de Raad XII-4611-16\18 niets wordt overgelegd over de welbepaalde studies, de gekozen onderwijsinstelling of de mogelijkheden van inschrijving aldaar, waarbij wordt bedacht dat de recente hervorming van het hoger onderwijs meerdere onderwijstrajecten mogelijk maken; dat voorts verwerende partij ter terechtzitting geloofwaardig oppert dat onderwijsinstellingen enerzijds wel voorlopige inschrijvingen willen aanvaarden en anderzijds een volwaardig studiebewijs eisen vooraleer aan examens wordt deelgenomen; dat verzoekers raadsman ter terechtzitting dit niet kan weerleggen of ten minste niet kan aantonen welke informatie verzoeker daaromtrent concreet heeft ingewonnen; dat, kortom, de Raad niet overtuigd is door verzoeker dat het “voorlopig” en “voorwaardelijk” diploma dat hij bij wijze van voorlopige maatregel vraagt inderdaad vereist is om thans reeds lessen te kunnen volgen, eensdeels, en voldoende is om te gelegener tijd examens te mogen afleggen, anderdeels; dat om die reden de vordering niet wordt ingewilligd, BESLUIT: Artikel
  21. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 8 december 2005 van de delibererende klassenraad van het koninklijk atheneum 1 te Hasselt, waarbij aan Ben Vanlook een oriënteringsattest C wordt afgeleverd en van de impliciete weigering om aan Ben Vanlook het diploma secundair onderwijs uit te reiken. Artikel
  22. De vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
  23. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-4611-17\18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4611-18\18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.126 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.116 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.