← België

Arrêt / Arrest 153152 - / - 22/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.152 Rolnummer: A. 43737/V-1348 Zaak: Arrêt / Arrest 153152 - / - 22/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-25 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-07-03 07:15 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 153.152 van 22 december 2005 - Beslissing : Verwerping Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.152 van 22 december 2005 A. 43.737/V-1348 In zake:

  1. VANDE CASTEELE Philippe, Klamperdreef 7 2900 Schoten,
  2. VAN STRYTHEM Michel, F. Van Cutsemstraat 43 A 1140 Brussel, tegen: de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
  3. de Minister van Economie,
  4. de Minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij Mr. M. MAHIEU, advocaat bij het Hof van Cassatie, Louizalaan 523 1050 Brussel. Tussenkomende partij: het Instituut der Accountants, dat woonplaats kiest bij Mr. P. VAN OMMESLAGHE, advocaat bij het Hof van Cassatie, Louizalaan 81 bus 1 1050 Brussel. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 26 januari 1991 ingediende verzoekschrift waarbij Philippe VANDE CASTEELE en Michel VAN STRYTHEM de nietigverklaring vorderen: - van de artikelen 2, 1/, en 3 van het koninklijk besluit van 22 november 1990 betreffende de diploma's van de kandidaat-accountants (Belgisch Staatsblad van 29 november 1990); - van de impliciete weigering om de burgerlijk ingenieurs van de polytechnische afdeling van de Koninklijke Militaire School op te nemen op de lijst van de personen V - 1348 - 1/5 die gemachtigd zijn om de stage van accountant te beginnen en het beroep van accountant uit te oefenen; Gelet op arrest nr. 36.570 van 6 maart 1991 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de voornoemde handelingen wordt afgewezen; Gezien het op 25 april 1991 ingediende verzoekschrift waarbij het Instituut der Accountants vraagt als tussenkomende partij te mogen optreden; Gelet op de beschikking van 8 mei 1991 waarbij die tussenkomst wordt toegestaan; Gelet op arrest nr. 91.549 van 12 december 2000 waarbij de debatten heropend worden, aan de partijen een termijn van 30 dagen wordt toegekend om een aanvullende memorie in te dienen, het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee belast wordt een aanvullend verslag op te maken en de beslissing over de kosten in beraad wordt gehouden; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gezien de aanvullende memories; Gezien het verslag van Mevr. G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op basis van artikel 13 van de algemene procedureregeling; Gelet op de beschikking van 19 april 2005 waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de eerste verzoeker; Gelet op de beschikking van 19 oktober 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 22 november 2005 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van Mevr. S. GEHLEN, staatsraad; V - 1348 - 2/5 Gehoord de opmerkingen van Mr. D. VANDENBULKE, advocaat, die voor de verzoekers verschijnt, van Mr. R. LOOS, loco Mr. P. LAMBERT, advocaat, die voor de eerste verwerende partij verschijnt, en van Mr. M. MAHIEU, advocaat bij het Hof van Cassatie, die voor de tweede verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van Mevr. G. BEECKMAN de CRAYLOO, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 22 november 1990 betreffende de diploma's van de kandidaat-accountants de verschillende Belgische diploma's worden opgesomd waarvan de houders in aanmerking komen om de hoedanigheid van accountant te verkrijgen; dat de titel van burgerlijk-ingenieur, toegekend door de Koninklijke Militaire School, een titel die de verzoekers hebben, niet voorkomt in die opsomming; Overwegende dat de eerste verzoeker op 1 juli 1995 het diploma van licentiaat in de rechten heeft behaald; dat dat diploma begrepen is in de opsomming van het koninklijk besluit van 22 november 1990; dat bijgevolg de vraag rijst of de eerste verzoeker nog een dadelijk belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling; Overwegende dat verzoeker, om aan te tonen dat hij nog steeds belang heeft bij de nietigverklaring, de volgende argumenten aanvoert: - hij "betreurt dat, wat betreft de toegang tot de beroepen, zo weinig belang wordt gehecht aan een verzoeker die, tijdens een gerechtelijke procedure, blijft opkomen tegen het niet in aanmerking nemen van zijn eerste diploma"; - het lijkt hem vrij immoreel en in strijd met de geest van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat diegene die een extra diploma behaalt in de loop van het geding, zijn belang verliest, terwijl diegene die passief de beslissing van de Raad van State afwacht, zijn belang niet verliest; - het eerste diploma van verzoeker zou hem in staat stellen vrijstellingen te krijgen bij opleidingen, die hij niet noodzakelijk zou krijgen op basis van zijn diploma van licentiaat in de rechten, ook al verleent dat diploma hem toegang tot de stage; - aangezien verzoeker de basisverordening bestrijdt, kan hem niet worden verweten dat hij "bijgedragen heeft tot een overbelasting van de rol van de rechtscolleges door V - 1348 - 3/5 extra geschillen (bv. een vordering tot individuele inschrijving), waarbij de kern van het probleem zit in de toepassing van de basisverordening (die het eerste diploma van verzoeker duidelijk uitsluit)"; - verzoeker haalt nog het arrest CAUFRIEZ aan, nr. 138.684 van 20 december 2004; hij legt uit dat artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van toepassing is op geschillen die verband houden met de toegang tot een beroep, en dat de rechtsingang hem niet ontzegd mag worden ook al is de redelijke termijn overschreden; hij is van oordeel dat in casu, de periode van 1990 tot 1995 niet buiten beschouwing mag worden gelaten; - in ondergeschikte orde vraagt hij dat de kosten ten laste van de verwerende partij worden gebracht; Overwegende dat verzoeker dankzij zijn diploma van licentiaat in de rechten toegang heeft tot het beroep van accountant; dat hij geenszins aantoont dat hij tijdens de periode 1990 tot 1995, het jaar waarin hij zijn diploma van licentiaat in de rechten heeft behaald, ook maar enigszins stappen heeft ondernomen om toegang te krijgen tot het beroep van accountant en op een weigering zou zijn gestuit; dat de vraag niet is, zoals verzoeker lijkt te denken, of hij al dan niet beroepen heeft ingesteld tegen eventuele individuele weigeringsbeslissingen, maar dat moet worden nagegaan of hij concreet nadeel heeft kunnen ondervinden door de toepassing van de regelgeving die hij aanvecht; dat zulk een nadeel niet vaststaat, net zo min als datgene dat zou voortvloeien uit de onmogelijkheid om vrijstellingen te krijgen voor bepaalde vakken van de accountantsopleiding; dat wat die vrijstellingen betreft, verzoeker niet beweert dat deze hem ontzegd zouden zijn in de periode1990-1995; dat de door verzoeker geschetste situatie voor de toekomst onzeker en louter hypothetisch is; dat het beroep van de eerste verzoeker in die omstandigheden een beroep in het belang van de wet lijkt en niet ontvankelijk is; dat het onderhavige geval voorts volstrekt niets uitstaande heeft met de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest CAUFRIEZ, nr. 138.684 van 20 december 2004, zodat de verwijzing naar dat arrest niet opgaat; Overwegende dat de tweede verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan de brief van de auditeur-rapporteur van 27 december 2004, waarin hem gevraagd is of er ontwikkelingen waren in zijn situatie en of hij nog een dadelijk belang heeft bij het beroep; dat verzoeker, door niet te antwoorden op dermate belangrijke vragen en te weigeren mee te werken met het onderzoek, geen blijk heeft gegeven van een voldoende dadelijk belang; dat hij bovendien, na de kennisgeving van het verslag van de auditeur, die besloten heeft tot verwerping van het beroep, niet de voortzetting van de procedure heeft gevraagd; dat er bijgevolg wat hem betreft grond is om artikel 14quater van de V - 1348 - 4/5 algemene procedureregeling toe te passen en de afstand van geding toe te wijzen overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, BESLUIT: Artikel
  5. De afstand van geding van Michel VAN STRYTHEM wordt toegewezen. Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten, bepaald op 272,69 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op tweeëntwintig december tweeduizend vijf door: de HH. P. LIENARDY, staatsraad, wnd. voorzitter, J. BAERT, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De wnd. Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. P. LIENARDY. V - 1348 - 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.152 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.549 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.