id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.159 Rolnummer: A. 78229/XII-4640 Zaak: Arrest 153159 - - 22/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-25 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-07-03 07:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 153.159 van 22 december 2005 - Beslissing : Verwerping heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.159 van 22 december 2005 A. 78.229/V-1520 In zake: 1. de Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, 2. het Waals Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, 3. DE WAGTER Danièle, die alle drie woonplaats kiezen bij Mr. Marc UYTTENDAELE, advocaat, Bronstraat 68 1060 Brussel, tegen: de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij Mr. Bart STAELENS, advocaat, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1, 8000 Brugge. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, Ve KAMER, Gezien het op 10 april 1998 ingediende verzoekschrift, waarbij de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en Danièle DE WAGTER de nietigverklaring vorderen van rondzendbrief WEL-98/01 van 9 februari 1998 van de Vlaamse Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn betreffende het taalgebruik in de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW'
- s)van het Nederlandse taalgebied en vragen de verwerende partij in de kosten te verwijzen; Gelet op arrest nr. 78.153 van 14 januari 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling wordt afgewezen; Gelet op arrest nr. 125.644 van 24 november 2003 waarbij het Vlaams Gewest buiten de zaak wordt gesteld, waarbij de uitspraak wordt uitgesteld, waarbij een V - 1520 - 1/5 prejudiciële vraag aan het Arbitragehof wordt gesteld, waarbij het door de auditeur- generaal aangewezen lid van het auditoraat ermee belast wordt een aanvullend verslag op te maken naar aanleiding van het arrest van het Arbitragehof en waarbij de beslissing over de kosten in beraad wordt gehouden; Gelet op de kennisgeving van het arrest aan de partijen; Gelet op arrest nr. 201/2004 van 15 december 2004 van het Arbitragehof, waarvan aan de Raad van State kennis is gegeven op 16 december 2004; Gezien het verslag van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur bij de Raad van State, opgemaakt op basis van artikel 13 van de algemene procedureregeling; Gelet op de beschikking van 22 maart 2005, waarbij de neerlegging van het dossier en het verslag ter griffie wordt gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 oktober 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 22 november 2005 om 9.30 uur; Gehoord het verslag van de heer P. LIENARDY, staatsraad; Gehoord de opmerkingen van Mr. G. UYTTENDAELE, loco Mr. M. UYTTENDAELE, advocaat, die voor de verzoekende partijen verschijnt en van Mr. B. STAELENS, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het advies van de heer M. LEFEVER, eerste auditeur; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de feiten die dienstig zijn voor het onderzoek van het beroep uiteengezet zijn in arrest nr. 78.153 van 14 januari 1999; V - 1520 - 2/5 Overwegende dat de verwerende partij tijdens de procedure een eerste exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest heeft opgeworpen die wordt ontleend aan ontstentenis van belang bij de nietigverklaring van beslissingen van een andere Belgische deelentiteit; Overwegende dat in arrest nr. 125.644 van 24 november 2004, op vraag van de verzoekende partijen, de volgende prejudiciële vraag is gesteld aan het Arbitragehof: " Schendt artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of gelezen in samenhang met de artikelen 13, 141, 142 en 143 van de Grondwet, artikel 2 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, de artikelen 31 tot 33bis van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, voor zover het zo uitgelegd wordt dat het van de deelentiteiten eist dat ze blijk geven van een ander belang om op te treden dan het belang waarvan ze blijk geven wanneer ze bij het Arbitragehof curatieve toetsing van een rechtsregel van een wetgevende vergadering laten plaatsvinden of wanneer ze preventieve toetsing laten plaatsvinden bij de instanties genoemd in de regels tot organisatie van het federale België?"; Overwegende dat het Hof bij zijn arrest nr. 201/2004 van 15 december 2004 voor recht heeft gezegd dat "artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (...) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet (schendt)"; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie verwijzen naar hun vroegere processtukken en vasthouden aan hun vordering om de rondzendbrief WEL-98/01 van 9 februari 1998 van de Vlaamse Minister van Cultuur, Gezin en Welzijn betreffende het taalgebruik in de OCMW's van het Nederlandse taalgebied nietig te verklaren en de verwerende partij in alle kosten te verwijzen; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar het verslag van het auditoraat waarmee ze instemt en vordert dat het beroep ingesteld door de eerste en de tweede verzoekende partij als niet-ontvankelijk wordt verworpen en dat de zaak naar de algemene rol wordt verwezen opdat ze aan een Nederlandstalige kamer wordt toegekend; Overwegende dat de Raad van State in arrest nr. 94.345 van 27 maart 2001 in zake de Franse Gemeenschap, het Waals Gewest en Jacqueline GREGOIRE tegen het Vlaams Gewest, na de tekst van artikel 129, §§ 1 en 2, van de Grondwet te hebben aangehaald, heeft geoordeeld "dat noch aan de Franse Gemeenschap noch aan het Waalse Gewest enige bevoegdheid toekwam om op het gebied bestreken door de taalregeling ingesteld door de bestreden rondzendbrief op te treden of om bij de V - 1520 - 3/5 totstandkoming van die regeling betrokken te worden; dat zij de schending van hun prerogatieven niet kunnen aanvoeren en dan ook geen functioneel belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden rondzendbrief"; Overwegende, bijgevolg, dat de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest geen belang hebben bij het onderhavige beroep tot nietigverklaring en dat dit beroep, voor zover het door hen is ingesteld, moet worden verworpen; dat, bijgevolg, alleen de derde verzoekende partij in de zaak partij blijft, zodat moet worden vastgesteld dat niet meer voldaan is aan artikel 61, 1/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin staat dat alle gedingen tussen partijen welke onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken en die een verschillend taalstelsel hebben, naar de tweetalige kamer worden verwezen; dat aangezien het beroep in de gegeven omstandigheden is ingesteld door een verzoeker die niet onder de taalwetgeving valt en de zaak zich binnen het Nederlandse taalgebied afspeelt, het met toepassing van artikel 53, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 39, § 1, juncto artikel 17, § 1, a, 1., van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aan een Nederlandstalige kamer toekomt om het onderzoek van de zaak voort te zetten, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep, voor zover het is ingesteld door de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest, wordt verworpen. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar de algemene rol om te worden toegewezen aan een Nederlandstalige kamer. V - 1520 - 4/5 Artikel 4. De kosten van de beroepen, voor zover deze werden ingesteld door de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van die verzoekende partijen ten belope van elk 347,06 euro. De beslissing over de overige kosten wordt in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van de Ve kamer, op tweeëntwintig december tweeduizend vijf door: de HH. P. LIENARDY, staatsraad, wnd. voorzitter, J. BAERT, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, Mevr. M.-Chr. MALCORPS, griffier. De Griffier, De wnd. Voorzitter, M.-Chr. MALCORPS. P. LIENARDY. V - 1520 - 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.159 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.78.153 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.644 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.398 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div