← België

Arrest 153180 - - 23/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.180 Rolnummer: A. 165920/IX-5047 Zaak: Arrest 153180 - - 23/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-03 07:09 Fiche Arrest nr 153.180 van 23 december 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.180 van 23 december 2005 in de zaak A. 165.920/IX-

  1. In zake : Monique VAN DER SMESSEN, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, gevestigd te BRUSSEL, Lang Levenstraat 27-29 tegen : de politiezone DENDERLEEUW-HAALTERT, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan
  2. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique VAN DER SMESSEN op 12 september 2005 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 14 juli 2005 van het politiecollege van de lokale politiezone DENDERLEEUW-HAALTERT waarbij haar de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 5 december 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5047-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Verzoekster is commissaris van politie bij de lokale politiezone Denderleeuw-Haaltert. 1.
  5. Op 29 juni 2004 richt de zonechef een "informatieverslag" aan het politiecollege waarin hij verzoekster een reeks tekortkomingen aan de beroeps- plichten verwijt. 1.
  6. Met een inleidend verslag van 18 november 2004 stelt het politiecollege, de hogere tuchtoverheid van verzoekster, haar ervan in kennis dat het, voor de feiten die hem ter kennis werden gebracht op 29 juni 2004 en voor een feit dat door het politiecollege werd vastgesteld op 21 oktober 2004, het voornemen heeft verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Verzoekster krijgt kennis van dat inleidend verslag op 18 november
  7. 1.
  8. Na verzoekster op 28 december 2004 te hebben gehoord, beslist het politiecollege nog dezelfde dag een voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege uit te spreken. Verzoekster tekent die beslissing voor kennisneming en ontvangst op 3 januari
  9. 1.
  10. Op 6 januari 2005 dient de tuchtverdediger van verzoekster tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad, waarin hij stelt: "Verzoekende partij gaat er in eerste instantie van uit dat het voorstel van tuchtstraf, IX-5047-2/11 dat haar op het boven vermelde adres werd betekend op 3 januari 2005 en waarvan een kopie als bijlage bij het huidig verzoekschrift wordt gevoegd, materieel moet worden beschouwd als zijnde niet-bestaand (...)". Op 18 februari 2005 ontvangt het secretariaat van de tuchtraad een bijkomende nota vanwege de tuchtverdediger van verzoekster, waarin, in aansluiting op het verzoek tot heroverweging, wordt gepreciseerd waarom het voorstel van zware tuchtstraf als niet-bestaand moet worden beschouwd. Daarbij wordt onder meer verwezen naar artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet), dat volgens de tuchtverdediger zowel impliciet als expliciet een vervaltermijn van 15 dagen instelt. Er wordt ook vastgesteld dat het voorstel van zware tuchtstraf weliswaar op 31 december 2004 ter post aangetekend werd verstuurd maar slechts op 3 januari 2005 in ontvangst werd genomen, wat buiten de vervaltermijn is welke verstreek op 2 januari
  11. Op 22 februari 2005 bezorgt de hogere tuchtoverheid een "argumentatie op de aanvullende stukken" aan de tuchtraad, waarin zij, bij wege van repliek stelt dat de wetgever enkel en alleen een vermoeden "juris et de jure" van afzien van de vervolgingen bepaalt bij het ontbreken van het nemen van een beslissing binnen de termijn van vijftien dagen -dus niet bij het niet mededelen van die beslissing uiterlijk binnen de termijn van vijftien dagen- en dat er in casu geen twijfel is over het feit dat de beslissing werd genomen (en zelfs verzonden) binnen de wettelijke termijn. 1.
  12. Na de partijen te hebben gehoord ter zitting van 22 februari, 27 april en 18 mei 2005, geeft de tuchtraad op 9 juni 2005 zijn advies. Onder het luik "procedure" vermeldt het advies wat volgt : "Overeenkomstig artikel 38sexies, eerste lid, Tuchtwet moet de tuchtoverheid het voorstel van zware tuchtstraf nemen en mededelen uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen. Toegepast op de voorliggende zaak betekent dit dat het voorstel moest medegedeeld zijn uiterlijk op 2 januari
  13. De tuchtraad moet vaststellen dat de tuchtoverheid verzuimde bij de samenstelling van het dossier (dat aan de tuchtraad werd toegezonden) het bewijs te voegen van de kennisgeving van het strafvoorstel. In de loop van de behandeling van het verzoek tot heroverweging is gebleken dat het strafvoorstel werd betekend op het adres van CP Van der Smessen op 3 januari
  14. In de nota van de hogere tuchtoverheid opgesteld op 22 februari 2005 ("Argumentatie op de aanvullende stukken") wordt dit gegeven niet betwist. De hogere tuchtoverheid argumenteert bij deze dat de wetgever in art. 38sexies, eerste lid Tuchtwet enkel en alleen een vermoeden juris et de jure bepaalde: het ingestelde vermoeden zou alleen gevolgen hebben wanneer geen beslissing werd genomen binnen de vermelde termijn van vijftien dagen. IX-5047-3/11 Volgens de verdediging wordt daarentegen op grond van de wettelijke bepaling de tuchtoverheid geacht te hebben verzaakt aan de vervolging die was ingezet geweest tegen CP Van der Smessen. Bespreking: Het lijdt geen twijfel dat ‘de beslissing’ enerzijds en ‘de mededeling’ hiervan op grond van de wettelijke bepaling van artikel 38sexies, eerste lid, Tuchtwet twee onderscheiden handelingen uitmaken. Beide handelingen zijn substantieel in het tot stand komen van het strafvoorstel. Zo heeft het strafvoorstel dat niet aan het personeelslid wordt medegedeeld geen rechtsgevolg. Stellen dat de wet enkel vereist dat de beslissing moet genomen zijn uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de verweertermijn én dat de mededeling nog mag geschieden na het verstrijken van deze termijn is strijdig met de uitdrukkelij- ke bepaling van het vermelde wetsartikel. Artikel 38sexies Tuchtwet is formeel en laat geen enkele twijfel toe. De tekst van dit artikel stelt expliciet dat de beslissing binnen deze termijn ook ‘wordt medegedeeld’. De interpretatie van de hogere tuchtoverheid en de door haar aangevoerde argumentatie zijn gebaseerd op de weergave van een parlementaire bespreking waar in feite bedoeld werd dat het personeelslid uiterlijk vijftien dagen na de verweertermijn moest kunnen weten welk gevolg de ingestelde procedure zou hebben. Veel duidelijker is de parlementaire toelichting gegeven bij de tekst van artikel 37 Tuchtwet : ‘Welke de beslissing ook weze, zij moet worden getroffen en ter kennis worden gebracht binnen de vermelde vijftien dagen’ (Parl. St. Kamer, 1998-99, nr. 1965/1, blz. 16). Welk nut zou deze beslissingstermijn (thesis van de tuchtoverheid) hebben indien de tuchtoverheid achteraf naar eigen goeddunken de beslissing zou mogen en kunnen betekenen? Het antwoord is duidelijk ‘Geen’, want dan heeft het ook geen enkel nut de overheid te verplichten om binnen deze wettelijke termijn te beslissen. Aangezien de procedure voor de hogere tuchtoverheid (artikel 38sexies e.a. Tuchtwet, ingevoerd door de Wet van 31 mei 2001) gebaseerd is op dezelfde principes, kan niet ernstig ontkend worden dat op grond van de gedachte van de wetgever ook het strafvoorstel van de hogere tuchtoverheid moet zijn ter kennis gebracht binnen ‘de termijn van vijftien dagen’. De opmaak van het artikel 38sexies Tuchtwet geeft duidelijk aan dat binnen de voorziene termijn van vijftien dagen de betrokkene op de hoogte moet zijn van de door de tuchtoverheid genomen beslissing. In dit artikel is immers slechts eenmaal sprake van een termijn, met name waar wordt aangeduid wanneer de beslissing aan de betrokkene wordt medegedeeld. Dit impliceert dat de bedoeling van de wetgever voorlag om binnen die termijn de betrokkene duidelijkheid te geven over zijn toestand. De sanctie voorzien aan de niet naleving van die termijn voorzien in dit artikel, met name het geacht worden af te zien van de vervolging, kadert ook binnen die optiek om snel de betrokkene te informeren. Het is niet duidelijk hoe kan aangenomen worden dat die sanctie enkel betrekking heeft op het louter niet nemen van de tuchtbeslissing. Het artikel 38sexies Tuchtwet is onbetwistbaar opgemaakt in functie van de kennisgeving van de genomen beslissing aan de betrokkene zodat onvermijdelijk ook de voorziene sanctie hierop betrekking heeft. De wetgever heeft duidelijk als beleidsoptie gesteld dat een snelle informering van de betrokkene vereist is. Elke afwijking van die regel dient in strijd te worden geacht met dit beginsel. Volledigheidshalve weze hieraan toegevoegd dat voor het bepalen van de datum van de kennisgeving de dag wordt in aanmerking genomen waarop hetzij de beslissing aan de betrokkene wordt overhandigd, hetzij op het adres van betrokkene wordt aangeboden door de postdienst. IX-5047-4/11 De hogere tuchtoverheid betwist niet dat het strafvoorstel van 28 december 2004 op haar verzoek op 31 december 2004 ter post aangetekend werd verstuurd en dat deze zending pas werd afgeleverd op 3 januari
  15. Bij het nakende einde van een op straffe van sanctie voorziene termijn kan niets de tuchtoverheid ervan weerhouden om de genomen beslissing persoonlijk te laten overhandigen aan de betrokkene, hetgeen in casu niet is geschied. Besluit: Op grond van artikel 38sexies Tuchtwet wordt de hogere tuchtoverheid geacht af te zien van de ingestelde vervolging. De Tuchtwet voorziet de rechtsgevolgen die moeten worden in acht genomen. Dit vermoeden dat steunt op wettelijke basis, laat expliciet geen enkele beoordelingsvrijheid. De wet zelf verbiedt onrechtstreeks dat de overheid na het verstrijken van de termijn nog een tuchtstraf oplegt. Door in casu nog een straf op te leggen aan CP Van der Smessen zou de tuchtoverheid een dwingende wetsbepaling (van openbare orde) schenden. Het komt de tuchtraad voor dat de interpretatie van de tuchtoverheid enkel steun vindt in de ondeugdelijke betrachting de zaak ‘te redden’, wat in strijd is met een goed bestuur. De tuchtraad adviseert de hogere tuchtoverheid af te zien van vervolging." Uiterst ondergeschikt, adviseert de tuchtraad dat het strafvoorstel van ontslag van ambtswege onvoldoende gedragen wordt door de gegevens van het tuchtdossier. 1.
  16. Op 28 juni 2005 beslist de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de tuchtraad en het voorstel van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege toch te behouden. Wat betreft het verval van de tuchtvordering overweegt dat besluit : "De tuchtraad adviseert vooreerst de tuchtoverheid af te zien van vervolging wegens het niet respecteren van artikel 38sexies, Tuchtwet. De tuchtoverheid heeft voor de tuchtraad reeds de volgende sluitende redengeving voorgehouden m.b.t. de toepassing van artikel 38sexies, Tuchtwet: 'In tegenstelling tot gerechtelijke kennisgevingen en behoudens expliciete andersluidende bepaling komt de kennisgeving, in administratieve aangelegen- heden, overeen met de datum van ontvangst van een aangetekend schrijven en niet met de datum van verzending ervan. Onder ontvangst moet eveneens worden verstaan het aanbieden van het aangetekend schrijven aan het adres, dat de concrete kennisneming ervan, behoudens overmacht, al dan niet op dat moment geschiedt (Vaste rechtspraak van de Raad van State). De individuele administratieve handeling krijgt immers slechts uitwerking door haar kennis- geving (algemene rechtsbeginsel van de niet retroactiviteit van de administratieve handelingen). We zijn het eens dat artikel 53 van het Gerechtelijk wetboek op zich geen toepassing vindt in administratieve procedures. Artikel 38sexies van de Tuchtwet van 13 mei 1999 luidt, gedeeltelijk, als volgt : (...) IX-5047-5/11 De wetgever verplicht de tuchtoverheid haar beslissing mede te delen, naar keuze, door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangst- bewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 vindt hier geen toepassing, enerzijds omdat artikel 38sexies geen uitvoering door de Koning vergt noch voorziet en, anderzijds, omdat artikel 38sexies precies een uitdrukkelijke bepaling van de tuchtwet is die de toepassing van artikel 5 van voornoemd KB uitsluit. Dat laatste artikel slaat trouwens op mededelingen aan het personeelslid waarvoor de wetgever geen uitdrukkelijke nadere regel van mededeling heeft voorzien, zoals dit bijvoorbeeld het geval is voor de artikelen 45 en 57bis van de Tuchtwet. De wetgever verplicht de hogere tuchtoverheid om over te gaan tot de mededeling van haar beslissing aan het betrokken personeelslid, uiterlijk binnen de termijn van vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen. Die verplichting is evenwel niet op straffe van verval voorgeschreven. De vaste rechtspraak van de Raad van State hieromtrent is eenduidig: bij gebrek aan uitdrukkelijke wetsbepaling, zijn de termijnen van de tuchtwet geen ‘fatale termijnen’ in de zin van de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Zie, ondermeer, RVS arrest DEJONCKHEERE, n/ 136.166 van 18 oktober 2004, punt 2.4.5.) De wetgever bepaalt enkel en alleen een vermoeden juris et de jure van afzien van de vervolgingen bij het ontbreken van het nemen van een beslissing binnen de voormelde termijn van vijftien dagen. De bepalingen die verband houden met de verjaring raken de openbare orde en moeten strikt worden geïnterpreteerd. De wetgever heeft en in artikel 37 en in artikel 38sexies, op ondubbelzinnige wijze, het wettelijk vermoeden van afzien van de tuchtvervolging los gemaakt van de betekening van de beslissing van de tuchtoverheid. De parlementaire handelingen ter zake, daterend uit februari 1999, scheppen mogelijk verwarring door te melden dat “Welke de beslissing ook weze, zij moet worden aangetroffen en ter kennis worden gebracht binnen de voormelde vijftien dagen (artikel 37, eerste lid), zoniet wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van verdere tuchtrechtelijke vervolging (artikel 37, derde lid)”. Besprekingen in de Kamer spreken dit trouwens tegen (Kamer, 49ste Zittings- periode -1998-1999 GZ -Handelingen- PLEN 24.03.1999, n/ 326, blz 11533 : ‘Wordt er geen uitspraak gedaan binnen de 15 dagen, dan wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van een vervolging voor de feiten die de betrokkene ten laste worden gelegd’). Betrokken parlementaire handelingen van februari 1999 zijn echter onver- zoenbaar met de tekst van de desbetreffende bepaling door het ongeoorloofd toevoegen van een voorwaarde. Artikel 37, eerste lid van de tuchtwet, maakt immers geen gewag van enig verval of vermoeden van afzien van de tuchtvervol- ging. De interpretatie van een wettelijke bepaling aan de hand van parlementaire handelingen kan niet tot gevolg hebben dat de gegeven interpretatie onverzoen- baar wordt met de termen van de betrokken wettelijke bepaling. Het is in casu niet artikel 37 maar wel artikel 38sexies, ingevoegd bij wet van 31 mei 2001 dat wordt toegepast. Er moet worden vastgesteld dat de wetgever bij de totstandkoming van dat artikel, niet opportuun heeft geacht om, voor zover dit zijn bedoeling was, de tekst van het nochtans bij dezelfde wet van 31 mei 2001 gewijzigd artikel 37 bijkomend te wijzigen om het in overeenstemming te brengen met de parlementaire handelingen van februari 1999 en van de gelegenheid gebruik te maken om artikel 38sexies in dezelfde zin op te stellen. Artikel 37 en artikel 38sexies werden nog later gewijzigd bij de wetten van 26 april 2002 en 2 augustus 2002, en dit evenmin in de zin van de parlementaire handelingen van februari
  17. IX-5047-6/11 De tuchtoverheid is bijgevolg overtuigd dat meer dan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de artikelen 37 en 38sexies expliciet, duidelijk en zonder enige twijfel als gevolg hebben dat het vermoeden van afzien van de tuchtvervolging niet van de betekening van de beslissing maar wel van het nemen van de beslissing binnen de gestelde termijn afhangt. Was de bedoeling van de wetgever anders had hij ongetwijfeld voornoemde bepalingen opgesteld in de bewoording van het opgeheven artikel 307 NGW: ‘Wordt van de beslissing geen kennis gegeven binnen de termijn van tien werkdagen, dan wordt ze als ingetrokken beschouwd. Er is geen twijfel over het feit dat de beslissing in casu genomen en zelfs verzonden werd binnen de wettelijke termijn, overeenkomstig artikel 38sexies van de tuchtwet van 13 mei 1999’. De tuchtraad haalt in haar advies terecht aan dat de beslissing, enerzijds, en de mededeling ervan, anderzijds, twee onderscheiden handelingen uitmaken. Artikel 38sexies, eerste lid, Tuchtwet stelt dat de beslissing binnen de termijn van 15 dagen moet worden meegedeeld. Aan de overschrijding van de termijn om de beslissing mee te delen wordt echter geen sanctie gekoppeld. Artikel 38, sexies, vierde lid, Tuchtwet verbindt enkel een sanctie aan de vereiste dat de beslissing wordt genomen binnen de gestelde termijn van 15 dagen. Enkel indien de tuchtoverheid geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van 15 dagen wordt zij geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd. Geheel ten onrechte en in strijd met de (letterlijke tekst van de) wet breidt de tuchtraad het toepassingsgebied van voormelde sanctie uit van het nemen van de beslissing naar het meedelen van de beslissing. De tuchtraad stelt hierdoor de door haar voorgestane lezing van artikel 38sexies, Tuchtwet in de plaats van de letterlijke tekst van de wet hetgeen onmogelijk is. De sanctie van het verval van de tuchtvordering kan enkel door de regelgever zelf worden voorzien en niet contra legem worden uitgebreid op de onderscheiden handeling van het meedelen van de beslissing. Een duidelijke tekst behoeft geen verdere interpretatie en kan in ieder geval niet worden geïnterpreteerd tegen de uitdrukkelijke tekst zelf. Het advies van de tuchtraad kan bijgevolg geenszins worden gevolgd waar wordt gesteld dat ‘de interpretatie van de tuchtoverheid enkel steun vindt in de ondeugdelijke betrachting de zaak ‘te redden’, wat in strijd is met een goed bestuur’. Wel integendeel." 1.8.
  18. Op 6 juli 2005 dient verzoekster een verweerschrift in. 1.8.
  19. Op 14 juli 2005 neemt de hogere tuchtoverheid de definitieve beslissing om aan verzoekster de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, bevat geen bijkomende argumentatie met betrekking tot de toepassing van artikel 83sexies van de tuchtwet, omdat de problematiek daaromtrent tijdens de hoorzitting niet meer aan de orde was gesteld. IX-5047-7/11
  20. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  21. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de tuchtwet); dat zij het middel onder meer adstrueert met de argumentatie die de tuchtraad in zijn advies van 9 juni 2005 -hiervoor sub 1.6 geciteerd- uiteengezet heeft; dat de verwerende partij in haar nota met opmerkingen herhaalt wat zij in haar intentiebesluit van 28 juni 2005 -hiervoor sub 1.7 geciteerd- heeft aangevoerd; 3.2.
  22. Overwegende dat artikel 38quater van de tuchtwet, ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 31 mei 2001, luidt als volgt : "Het betrokken personeelslid of zijn verdediger dient zijn verweer in binnen dertig dagen na de dag volgend op de ontvangst van het inleidend verslag. Na deze termijn wordt het personeelslid geacht geen schriftelijk verweer te willen indienen"; Overwegende dat artikel 38sexies van de tuchtwet, ingevoegd bij artikel 20 van de wet van 31 mei 2001, en gewijzigd bij artikel 158 van de wet van 2 augustus 2002 luidt als volgt : "Op grond van het volledige dossier en van het verweer, deelt de hogere tuchtoverheid haar beslissing mede door kennisgeving aan het betrokken personeelslid tegen een ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven. De beslissing kan zijn, ofwel dat zij beslist heeft geen tuchtstraf uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft één van de lichte tuchtstraffen uit te spreken, ofwel dat zij beslist heeft een voorstel van één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. De beslissing wordt aan het betrokken personeelslid medegedeeld, uiterlijk vijftien dagen na het verstrijken van de in artikel 38quater bedoelde termijn van dertig dagen en vermeldt het recht van de betrokkene om tegen het voorstel van zware tuchtstraf bij de tuchtraad overeenkomstig artikel 52bis een verzoek tot heroverweging in te stellen. (...). (...). Wanneer geen enkele in het eerste lid bedoelde beslissing genomen wordt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen, in voorkomend geval verlengd met de termijn bedoeld in artikel 24, derde lid, of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, wordt de hogere IX-5047-8/11 tuchtoverheid geacht af te zien van de vervolgingen voor de feiten die de betrokkene ten laste gelegd werden. (...)"; 3.2.
  23. Overwegende dat het eerste lid van artikel 38sexies een regeling bevat inzake het mededelen van de beslissing van de hogere tuchtoverheid; dat het vierde lid van het artikel bepaalt dat uit de ontstentenis van beslissing binnen de termijn bepaald in het eerste lid, het vermoeden volgt dat de tuchtoverheid afziet van de tuchtvervolging; dat die twee bepalingen duidelijk bij elkaar aansluiten; dat evenwel de opbouw van de regeling onduidelijkheid creëert in die zin dat het eerste lid verwijst naar de kennisgeving van een beslissing -hetgeen het nemen van een beslissing vooronderstelt- terwijl het vierde lid verwijst naar het nemen van de beslissing maar dan weer de kennisgeving buiten beschouwing laat; dat voor die onlogische opbouw geen verklaring bestaat; 3.2.
  24. Overwegende dat de vervaltermijn, bedoeld in artikel 38sexies, ingesteld is in het voordeel van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid; dat, vanuit dat gegeven, het logisch lijkt de onduidelijkheid die artikel 38sexies bevat, te interpreteren in het voordeel van het personeelslid en derhalve aan te nemen dat niet alleen de beslissing aangaande het voorstel om een zware tuchtstraf op te leggen moet getroffen zijn binnen de voorgeschreven termijn, maar dat die beslissing ook binnen dezelfde termijn ter kennis van het personeelslid gebracht moet zijn; dat die interpretatie bevestigd wordt door de parlementaire voorbereiding van artikel 38sexies, waaruit blijkt dat de procedureregeling voor de hogere tuchtoverheid de overname is van de regeling die voor de gewone tuchtoverheid uitgewerkt is (zie Parl. St., Kamer, 2000-2001, stuk 1173/1, p. 10), terwijl de memorie van toelichting bij artikel 37 van de tuchtwet duidelijk stelt wat volgt: “(...) Het betrokken personeelslid beschikt over vijftien dagen om zijn verweer te laten kennen (artikel 35). Vervolgens beschikt de gewone tuchtoverheid over vijftien dagen om uitspraak te doen. (...). Welke de beslissing ook weze, zij moet worden getroffen en ter kennis gebracht binnen de voormelde vijftien dagen (artikel 37, eerste lid), zoniet wordt de gewone tuchtoverheid geacht af te zien van verdere tuchtrechtelijke vervolging (artikel 37, derde lid)” (Parl. St., Kamer, 1998-1999, stuk 1965/1, p. 16); dat dit standpunt van de minister nooit formeel tegengesproken is; dat de Raad van State er dan ook van uitgaat dat de tuchtoverheid, op straffe van verval, binnen de termijn van artikel 38sexies niet alleen een voorstel van zware tuchtstraf moet formuleren maar dat voorstel ook ter kennis moet brengen van het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid; IX-5047-9/11 3.2.
  25. Overwegende dat in dit geval niet betwist wordt dat verzoekster niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn kennis gekregen heeft van de beslissing van het politiecollege waarin voorgesteld wordt haar ambtshalve te ontslaan; dat zij met name op 18 november 2004 in kennis gesteld is van het inleidend verslag en dat zij op 3 januari 2005 kennis gekregen heeft van het voorstel van de verwerende partij om haar ambtshalve te ontslaan, terwijl de termijn van vijftien dagen, bedoeld in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet afliep op zondag 2 januari 2005; dat het middel ernstig is; 4.
  26. Overwegende, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, dat verzoekster onder meer betoogt dat het bestreden besluit bij haar “moreel uiterst hard aan(komt)”, aangezien zij van oordeel is dat zij een grote verantwoordelijk- heidszin heeft en de tuchtoverheid haar precies het tegendeel aanwrijft; dat zij verwijst naar “de schandvlek” die de bestreden tuchtstraf voor haar oplevert, inzonderheid nu zij voorheen korpschef was in een kleine gemeente van de politiezone, nu de zaak buiten het korps bekend geraakt is en een deel van de bevolking zal besluiten dat zij “zich uiterst en onvergeeflijk zwaar heeft misdragen”; 4.
  27. Overwegende dat de verwerende partij ter zake betoogt dat zij de vaststaande rechtspraak van de Raad van State betreffende het evident nadeel dat verbonden is met een maatregel waarbij een ambtenaar tuchtrechtelijk uit de dienst verwijderd wordt, niet betwist; dat de Raad van State dan ook, aansluitend bij de vaste rechtspraak, vaststelt dat het door verzoekster aangevoerd moreel nadeel aanwezig is, BESLUIT: Artikel
  28. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 juli 2005 van het politiecollege van de lokale politiezone Denderleeuw- Haaltert waarbij aan Monique VAN DER SMESSEN de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Artikel
  29. IX-5047-10/11 De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig december 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-5047-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.180 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.160.522 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.