id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.182 Rolnummer: A. 168622/XIV-24275 Zaak: Arrest 153182 - - 23/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-12-28 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-03 07:09 Fiche Arrest nr 153.182 van 23 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.182 van 23 december 2005 in de zaak A. 168.622/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. MOREAU, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Quinten Matsyslei
- tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Cambodjaanse nationaliteit, op 16 december 2005 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2005 waarbij een verzoek om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid, van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van16 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 december om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. MOREAU die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; XIV-24.275-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij vraagt de zaak samen te voegen met de zaak gekend onder het nummer A.154.159/XIV/20.247, die is gericht tegen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 juni 2004 waarbij haar verzoek om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet niet- ontvankelijk wordt verklaard, samen met een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ter kennis van de verzoekende partij gebracht op 5 juli 2004; Overwegende dat de verzoekende partij in de zaak A.154.159 enkel een gewone vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend; dat in die zaak nog geen auditoraatsverslag is neergelegd en dat zij derhalve niet eens in staat is om te worden vastgesteld, laat staan te worden samengevoegd met de huidige zaak; dat die vaststelling reeds volstaat om niet in te gaan op het verzoek tot samenvoeging;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde betreft, artikel 8, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat: "Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen"; Overwegende dat, gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de verantwoording door de verzoekende partij van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing evident, dit wil zeggen klaarblijkelijk, dit is op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn; XIV-24.275-2/5 Overwegende dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat enerzijds dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoer- legging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en anderzijds dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; Overwegende dat de bestreden beslissing op 13 december 2005 aan de verzoekende partij ter kennis is gebracht en dat de huidige vordering is ingesteld op 15 december 2005; dat de verzoekende partij aldus diligent en alert heeft gereageerd; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat een gewone procedure van schorsing of nietigverklaring in casu te lang zou duren, in essentie omdat de jeugdrechter van Antwerpen met een beschermingsmaatregel van 6 december 2005, bevestigd op 14 december 2005, heeft bevolen dat het kind van de verzoekende partij voorlopig in het thuismilieu van de tijdelijke pleegmoeder moet blijven, dat de verzoekende partij het kind gedurende één weekend op de twee en gedurende ongeveer één week in ieder van de komende schoolvakanties bij zich zal hebben, voor het eerst van 23 tot 29 december 2005, omdat de jeugdrechter verder een begeleidingsopdracht heeft bevolen waarbij een eerste gesprek is voorzien op 19 december 2005, omdat ook na de behandeling van de zaak betreffende de adoptie voor het Hof van Beroep te Antwerpen in april 2006 begeleiding nodig zal zijn en omdat ondertussen het reële gevaar bestaat dat de verzoekende partij door de diensten van verwerende partij zal worden opgesloten en gerepatrieerd; Overwegende dat met de bestreden beslissing weliswaar de aanvraag van de verzoekende partij om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk is verklaard doch dat geen bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten is gegeven; dat integendeel enkel wordt gesteld dat de verzoekende partij gevolg dient te geven aan het op 5 juli 2004 gegeven bevel; dat de verzoekende partij het niet nodig heeft geacht het bevel van 5 juli 2004 met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan te vechten; dat uit het feit dat de verwerende partij het bijna anderhalf jaar geleden gegeven bevel nog niet heeft doen uitvoeren, veeleer kan worden afgeleid dat een tenuitvoerlegging ook thans niet nakend is; Overwegende dat, indien de verwerende partij een nieuw bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten zou geven, de verzoekende partij er zich alsnog met een nieuwe procedure, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bij de Raad van State tegen zou kunnen richten; dat, indien de verwerende partij het bevel van 5 juli 2004 alsnog ten uitvoer zou leggen, de verzoekende partij desgewenst een vordering om voorlopige maatregelen te horen bevelen zou kunnen instellen in de zaak A. 154.159; dat aldus niet valt in te zien waarom de schorsing van de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen; dat uit dit XIV-24.275-3/5 alles volgt dat de door de verzoekende partij voorgehouden uiterst dringende noodzakelijkheid bij de schorsing van de thans bestreden beslissing niet is aangetoond;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. XIV-24.275-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwin- tig december tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-24.275-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.