← België

Arrest 153187 - - 27/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.187 Rolnummer: A. 134455/XIV-14323 Zaak: Arrest 153187 - - 27/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 07:09 Fiche Arrest nr 153.187 van 27 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.187 van 27 december 2005 in de zaak A. 134.455/XIV-14.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 17 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken van 3 maart 2003 om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-14.323-1/6 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die persoonlijk verschijnt en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Marokkaanse nationaliteit, is op 9 oktober 1975 in België aangekomen, ingeschreven in het Marokkaans paspoort van zijn moeder. 1.
  4. Hij beschikt over een identiteitskaart voor vreemdelingen en de laatste verlenging wordt hem toegestaan op 5 december 1994, geldig tot 26 maart
  5. 1.
  6. Ingevolge de ambtshalve schrapping te Lier op 1 juli 1996 vervalt de geldigheid van de identiteitskaart. 1.
  7. Per brief van 19 oktober 2001 vraagt zijn advocaat om afgifte van een nieuwe verblijfsvergunning. 1.
  8. Verzoeker kan echter niet aantonen het grondgebied van het Rijk niet verlaten te hebben tijdens de periode tussen 14 juni 1997 en 25 oktober
  9. Op 3 maart 2003 wordt hem het bevel gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten bij toepassing van artikel 7, lid 1-2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). Dit is de bestreden beslissing. De motivering luidt als volgt: “REDEN VAN DE BESLISSING - artikel 7 al. 1-2/ van de wet van 15 december 1980, gewijzigd door de wet van 15 juli 1996 verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd. -tijdelijk verblijf verstreken.”. XIV-14.323-2/6
  10. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is om volgende redenen: “Verzoeker vecht een uitvoeringsmaatregel aan waarvan de eventuele nietigverklaring geen gevolgen zal hebben op zijn verblijfstoestand. De vordering is dienvolgens niet ontvankelijk.”; 2.
  12. Overwegende dat het bestreden bevel, genomen ter uitvoering van artikel 7, alinea 1, 2/ van de Vreemdelingenwet geen loutere uitvoeringsmaatregel van een eerdere beslissing is; dat de exceptie niet opgaat;
  13. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  14. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste middel: schending van artikel 22 GW en artikel 8 EVRM Artikel 8 EVRM en artikel 22 GW beschermen het recht op het privéleven en gezinsleven. Evenals iedereen heeft verzoeker recht op gezinsleven. Volgens artikel 8 lid 1 EVRM heeft eenieder recht op eerbiediging van zijn of haar privéleven, gezinsleven, huis en briefwisseling. De overheid zal zich niet alleen onthouden van ongeoorloofde inme(n)ging in het privéleven, maar is bovendien verplicht om de nodige maatregelen te nemen opdat een zinvolle beleving van het recht op privé- en gezinsleven mogelijk zou zijn. Dat het 'gezinsleven' dat in artikel 8 EVRM beschermd wordt, niet noodzakelijk slaat op een wettelijk huwelijk. Dat 'gezinsleven' zowel kan slaan op een 'wettig gezin' als op een 'feitelijk gezin'. Dat het bevel gegeven aan verzoeker om het land te verlaten het feitelijk gezinsleven dat hij heeft opgebouwd met zijn vriendin en kind ernstig in gevaar gebracht wordt. Verzoeker heeft het recht om gezin te vormen met zijn vriendin en kind. Dat het bevel om het grondgebied te verlaten dan ook onwettig is en voormelde artikelen schendt.”; 3.1.2.
  15. Overwegende dat verzoeker zich in een eerste middel beroept op de schending van artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het E.V.R.M.: hij heeft immers het recht om een gezin te vormen met zijn vriendin en kind; 3.1.2.
  16. Overwegende dat verzoeker langer in het Rijk verblijft dan de overeenkomstig artikel 6 van de Vreemdelingenwet bepaalde termijn of er niet in slaagt het bewijs te leveren dat deze termijn niet werd overschreden; dat bovendien zijn tijdelijk verblijf is verstreken; dat verzoeker dit niet betwist; dat de Minister derhalve gerechtigd was verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten te betekenen, overeenkomstig artikel 7, lid 1-2/ van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker nog altijd via de geëigende procedure, wanneer hij aan de voorwaarden voldoet, verblijfsrecht kan verkrijgen; dat, zoals de Minister in zijn brief, waarbij hij opdracht gaf verzoeker het bevel te betekenen aangaf, verzoeker wanneer hij aan de voorwaarden voldoet, zich kan beroepen op het XIV-14.323-3/6 koninklijk besluit van 7 augustus 1995 betreffende de machtiging tot terugkeer; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
  17. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede middel: schending van bepalingen van het Kinderrechtenverdrag Dat verzoeker recht heeft op omgang met zijn zoon. Dat dit recht van verzoeker op omgang met zijn zoon ontleend werd aan het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, "B.S.", 17 januari
  18. Dat deze Belgische wet bepaalt dat:
  19. Het kind onmiddellijk na de geboorte moet worden ingeschreven en het o.a. het recht heeft zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. (Art. 7 van het Verdrag)
  20. De Staten die partij zijn, waarborgen dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil. (Art. 9, lid 1 van het Verdrag)
  21. Dezelfde staten eerbiedigen het recht van het kind dat van een ouder of van beide ouders is gescheiden, op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden. (Art. 9, lid 3 van het Verdrag)
  22. Dat de aanvragen van een kind of zijn ouders betreffende gezinshereniging door de Staten met “welwillendheid, menselijkheid en spoed " (Art. 10, lid 1 van het Verdrag) moeten behandeld worden.
  23. Dat de staten de toegang tot of het verlaten van het grondgebied door de ouders eerbiedigen om op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact mogelijk te maken. (Art. 10, lid 2 van het Verdrag) Dat een verwijdering van verzoeker uit België in strijd is met al deze bepalingen.”; 3.2.2.
  24. Overwegende dat verzoeker zich in een tweede middel beroept op de schending van de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag; 3.2.2.
  25. Overwegende dat, daargelaten de vraag of de door verzoeker aangehaalde artikelen directe werking hebben, verzoeker niet aantoont waarom de bestreden beslissing strijdt met deze artikelen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 3.3.
  26. Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “Derde middel: schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Om wettig te zijn dient de bestreden beslissing gemotiveerd te zijn; Gelet op het feit dat de bestreden beslissing in casu een bestuurshandeling betreft, diende de beslissing gemotiveerd te zijn overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. De wet van 29.07.1991 schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen. Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet daarenboven afdoende zijn dit wil zeggen draagkrachtig en deugdelijk. Dat de reden van de beslissing zeggende art. 7 al 1-2/ van de wet van 15 december 1980, gewijzigd door de wet van 15 juli 1996 verblijft langer in het rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat deze termijn niet overschreden werd niet volstaat als motivering voor zo een zwaarwichtige beslissing temeer verzoeker steeds op het Belgisch grondgebied heeft verbleven en temeer zijn vaste relatie met Natascha en het recht op omgang met zijn kind. XIV-14.323-4/6 De bestreden beslissing is dan ook onwettig wegens schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991, voornoemd.”; 3.3.2.
  27. Overwegende dat verzoeker zich in een derde middel beroept op de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat volgens verzoeker de opgegeven motivering niet volstaat; 3.3.2.
  28. Overwegende dat de motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: “- artikel 7, al. 1-2/ van de wet van 15 december 1980, gewijzigd door de wet van 15 juli 1996 verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat deze termijn niet werd overschreden. - tijdelijk verblijf verstreken.”; dat de motivering van de bestreden beslissing aldus de juridische en feitelijke overwegingen bevat die eraan ten grondslag liggen; dat zij tevens afdoende is; dat een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet kan worden aangenomen; dat het derde middel niet gegrond is;
  29. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  30. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.323-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.323-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.