id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.188 Rolnummer: A. 145217/XIV-17976 Zaak: Arrest 153188 - - 27/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-11 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-03 07:09 Fiche Arrest nr 153.188 van 27 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.188 van 27 december 2005 in de zaak A. 145.217/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE-ANTWERPEN, Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 12 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 oktober 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 6 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-17.976-1/8 Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat R. JESPERS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Nepalese nationaliteit, komt in België binnen op 2 juli 2001, waar hij zich op dezelfde dag vluchteling verklaart. 1.
- Uit een brief van de Dienst Vreemdelingenzaken, op 18 juli 2001 verzonden aan de gewestelijke tewerkstellingsdiensten, blijkt dat verzoekers asielaanvraag ontvankelijk werd verklaard. 1.
- Op 27 juni 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Op 17 januari 2003 verklaart de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verzoekers beroep tegen deze weigeringsbeslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “ontvankelijk doch ongegrond”. Op 26 februari 2003 dient verzoeker tegen deze beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State. Op 11 mei 2004 verwerpt de Raad van State bij arrest nummer 131.260 het door verzoeker ingediende beroep. XIV-17.976-2/8 1.
- Op 18 februari 2003 dient verzoeker een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 27 oktober 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Op dezelfde dag wordt aan verzoeker een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. Dit zijn de bestreden beslissingen waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Reden(en): er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Integratie, het hebben van werk en het volgen van een cursus Nederlands zijn geen uitzonderlijke omstandigheden die een aanvraag tot regularisatie op grond van art.9.3 van de wet van 15.12.1980 in België kunnen verantwoorden De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art . 9 van de wet in België in te dienen. (...) BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken en Ambtenarenzaken of van zijn gemachtigde, genomen op 27 oktober 2003 wordt aan: Naam, voornamen: XXX geboren te/op: Baglung (Nepal) op 24 september 1958 nationaliteit: Nepal bevel gegeven het grondgebied van het Rijk te verlaten uiterlijk op 12 december 2003, met verbod zich naar, Nederland, Luxemburg, Duitsland, Frankrijk, Portugal, Spanje, Italië, Oostenrijk en Griekenland te begeven. REDEN VAN DE BESLISSING Verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft. (Wet van 15 december 1980 - art. 7, alinea 1,2/) (...).”.
- Over de ontvankelijkheid. 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep te laat werd ingediend; 2.1.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissingen aan verzoeker werden betekend op 12 november 2003; dat, aangezien het beroep tot nietigverklaring en het verzoek tot schorsing op 12 december 2003 aangetekend aan de Raad van State werden verzonden, dient te worden vastgesteld dat zulks geschiedde binnen de vastgestelde termijn van dertig dagen; dat de exceptie wordt verworpen; XIV-17.976-3/8 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen concrete gegevens aanvoert tot staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat er evenwel geen noodzaak bestaat hierover een uitspraak te doen aangezien het beroep, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dient te worden verworpen;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “WAT BETREFT DE BESLISSING ONONTVANKELIJKHEID AANVRAAG MACHTIGING TOT VERBLIJF Eerste middel: Schending van artikel 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringen van bestuurshandelingen, van de artikels 48 en 62 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 en van artikel 3 van het EVRM. De bestreden beslissing stelt dat de aanvraag onontvankelijk is omdat verzoeker geen uitzonderlijke omstandigheden zou aanhalen waarom hij de aanvraag niet via de gewone procedure in Nepal kan aanvragen. Dit motief is op zich onjuist. Zoals hoger vermeld in het feitelijk gedeelte en zoals ook uit de aanvraag dd. 18.2.2003 blijkt werden wel buitengewone omstandigheden aangehaald. Een andere zaak is te zeggen dat de aangehaalde omstandigheden volgens tegenpartij geen buitengewone omstandigheden zijn, maar dit betreft dan een andere problematiek. Als motief eenvoudigweg vermelden dat er geen buitengewone omstandigheden werden aangehaald is een feitelijk onjuist motief. De bestreden beslissing stelt verder ten onrechte dat "de problemen in zijn land reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag" en dat derhalve vermelde problemen niet meer als een buitengewone omstandigheid kunnen worden aangehaald. Dit motief beantwoordt niet de door verzoeker opgegeven redenen met name dat hij ernstig gevaar loopt in Nepal en de meer specifieke argumentatie: "Bovendien zend ik u in bijlage een attest van de VZW Nepalese People's Progressive Forum Belgium waarin bevestigd wordt dat betrokkene om politieke redenen Nepal is ontvlucht en waarin tevens wordt aangeduid dat betrokkene in België aktief is in het kader van vermelde VZW. Ook dit gegeven maakt dat zijn terugkeer naar Nepal een gevaar voor betrokkene betekent. Tegen de afwijzing door de Vaste Beroepscommissie wordt trouwens beroep ingesteld voor de Raad van State, zodat er nog geen beslissing is die kracht van gewijsde heeft met betrekking tot de asielaanvraag van verzoeker. Ook wordt gewezen op de algemene onveilige toestand in Nepal, waar een burgeroorlog heerst en waar personen die al of niet terecht gelieerd worden met de Maoïstische guerilla, het voorwerp zijn van repressie, zo mogelijk zelfs met Belgische wapens." Dit argument wordt niet beantwoord door de vermelding dat de asielaanvraag reeds werd onderzocht. Er moet op deze specifieke argumenten geantwoord worden; dit gebeurt niet. Bovendien dient de beslissing rekening te houden met de toestand in Nepal op het ogenblik van de aanvraag en van de beslissing; op beide ogenblikken staat Nepal op de lijst van de IOM van de landen waar niet naar kan gerepatrieerd worden.”; XIV-17.976-4/8 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “artikel 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringen van bestuurs- handelingen, van de artikels 48 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van het EVRM.”; 3.1.2.
- Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op het statuut van vluchteling, terwijl de bestreden beslissing uitspraak doet over een aanvraag om machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden; dat de door verzoeker aangevoerde schending van artikel 3 van het E.V.R.M. niet wordt uitgewerkt; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker de Minister van Binnenlandse Zaken verwijt te stellen dat er geen buitengewone omstandigheden werden aangehaald; dat verzoeker stelt dat zulks feitelijk onjuist is, aangezien hij wel degelijk een aantal feiten heeft aangevoerd die volgens hem buitengewone omstandigheden uitmaken; dat verzoeker aanvoert dat de kwalificatie van deze feiten door de Minister van Binnenlandse Zaken “een andere problematiek betreft”; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in de bestreden beslissing wel degelijk ingaat op de door verzoeker aangehaalde argumenten, doch deze uitdrukkelijk niet aanvaardt als “buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker ingaat op de overweging van de Minister van Binnenlandse Zaken waar deze omtrent de door verzoeker aangehaalde feiten verwijst naar de afhandeling van zijn asielaanvraag; dat verzoeker aanvoert dat de Minister van Binnenlandse Zaken met deze overweging niet antwoordt op de door hem in zijn aanvraag aangevoerde concrete omstandigheden, waarbij hij meer bepaald verwijst naar het attest van de v.z.w. “Nepalese People’s Progressive Forum Belgium”, alsmede naar “de algemene onveilige toestand in Nepal”; dat het weliswaar correct is dat verzoeker verwijst naar de “algemene onveilige toestand in Nepal”; dat er dient op gewezen dat verzoeker hierbij meer in concreto stelt dat er in Nepal “een burgeroorlog heerst (...) waar personen die al of niet terecht gelieerd worden met de Maoïstische guerilla, het voorwerp zijn repressie”; dat in het attest van de v.z.w. waarnaar verzoeker verwijst, wordt bevestigd “dat (verzoeker) om politieke redenen Nepal is ontvlucht”; dat de door verzoeker aangehaalde redenen door de Minister van Binnenlandse Zaken bijgevolg in alle redelijkheid konden worden betrokken op verzoekers asielaanvraag, aangezien verzoeker deze asielaanvraag net baseerde op zijn activiteiten voor de Mao Badi partij, en de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in zijn beslissing van 27 juni 2002 stelde dat aan verzoekers politieke engagement “ernstig kan worden getwijfeld”; dat, waar in het attest van de v.z.w. tevens wordt vermeld dat verzoeker “in België aktief is in het kader van vermelde vzw”, dient opgemerkt dat de Minister van Binnenlandse Zaken niet verplicht is om op elk door verzoeker aangehaald feit uitdrukkelijk te antwoorden; dat, betreffende verzoekers stelling dat “Nepal op de lijst (staat) van de IOM van de landen waar niet naar kan gerepatrieerd XIV-17.976-5/8 worden”, dient vastgesteld dat zulks geenszins blijkt uit de lijst die door de Minister van Binnenlandse Zaken werd gevoegd bij het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat verzoeker niet met enig concreet element aantoont dat deze bij het bevel gevoegde lijst onjuist is; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “Tweede middel: Schending van artikel 9.3 vreemdelingenwet; schending van de omzendbrief dd. 15.12.1998 (B.S. 19.12.1998) over de toepassing van artikel 9.3 vreemdelingenwet. Schending van artikel 2.2 en 2.4 van de regularisatiewet van 22 december
- Schending van de motiveringsverplichting zoals aangehaald in het eerste middel. Verzoeker heeft zijn aanvraag duidelijk gesteund op enerzijds de onmogelijkheid tot terugkeer en anderzijds op humanitaire redenen. De aanvraag gebeurde op basis van titel IV van deel 11 van vermelde omzendbrief De aanvraag valt onder de bepalingen, minstens onder de begrippen van artikel 2.2 en 2.4 van de regularisatiewet. Deze criteria dienen in overweging te worden genomen. (zie Raad van State, Arrest 105.622, 17 april 2002, X. t. EB). Deze criteria worden niet overwogen. Met betrekking tot het al of niet bestaan van deze criteria geschiedt er geen enkele motivering.”; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “artikel 9.3 vreemdelingenwet, (...) van de omzendbrief dd. 15.12.1998 (B.S. 19.12.1998) over de toepassing van artikel 9.3 vreemdelingenwet, (...) van artikel 2.2 en 2.4 van de regularisatiewet van 22 december 1999 (...) (en) van de motiveringsverplichting zoals aangehaald in het eerste middel”; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoeker de door hem aangevoerde schending van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet niet verder uitwerkt; dat, wat de Omzendbrief van 15 december 1998 betreft, kan worden volstaan met de opmerking dat deel II van deze omzendbrief werd opgeheven ingevolge de Omzendbrief van 6 januari 2000; dat, wat verzoekers verwijt betreft dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen rekening heeft gehouden met de criteria uit de Regularisatiewet, dient te worden opgemerkt dat verzoekers aanvraag niet was gebaseerd op de Regularisatiewet, doch wel op artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, zodat de Minister van Binnenlandse Zaken dan ook helemaal geen rekening diende te houden met de criteria van de Regularisatiewet; dat, wat de door verzoeker aangevoerde schending van de materiële motiveringsverplichting betreft, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat het tweede middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-17.976-6/8 3.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert : “WAT BETREFT HET BEVEL OM HET GRONDGEBIED TE VERLATEN ENIG MIDDEL: Schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Schending van de rechten van verdediging. Schending van artikel 7, al.1, 2 de van de vreemdelingenwet van 15 december
- Het bevel steunt op de beslissing tot afwijzing van de machtiging tot verblijf. Deze is naar de mening van verzoeker nietig en dient in dit stadium van de procedure geschorst te worden. Het gaat om een administratieve en niet om een gerechtelijke beslissing, zodat niet kan uitgegaan worden van een gezag van gewijsde tot eventuele vernietiging. Vermits de basisbeslissing waarop het bevel steunt nietig is dient ook het bevel nietig te worden verklaard. Alleszins en minstens kan, zolang een administratieve beslissing geen gezag van gewijsde heeft, deze niet dienen als basis voor een bevel om het grondgebied te verlaten. Bovendien dient een bevel om het grondgebied te verlaten steeds specifiek in rechte en in feite gemotiveerd te worden. Uit een afwijzing van een aanvraag op basis van artikel 9.3 vreemdelingenwet volgt niet automatisch dat er een bevel kan verleend worden. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat het bevel ertoe leidt dat betrokkene naar het land van herkomst moet terugkeren in casu Nepal. Dit land staat op de lijst van de IOM van de landen waarnaar omwille van burgeroorlog niet kan worden gerepatrieerd. Het bevel geeft geen enkel specifiek motief, alleszins niet in feite.”; 3.3.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van zijn rechten van verdediging en van artikel 7, lid 1, 2/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat verzoeker aanvoert dat, aangezien de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 oktober 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard, dient te worden nietigverklaard, ook de juridische basis wegvalt van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; 3.3.2.
- Overwegende dat, nu uit de hierboven weergegeven bespreking blijkt dat de door verzoeker aangehaalde middelen niet kunnen worden aangenomen, deze redenering uiteraard niet kan worden gevolgd; dat, hoewel het bestreden bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten uiteraard nauw samenhangt en verband houdt met de beslissing waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken oordeelt over de ontvankelijkheid van de door verzoeker ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf, dient opgemerkt dat de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken in het kader van deze aanvraag niet de rechtsgrond vormt van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat uit het bestreden bevel overduidelijk blijkt dat deze beslissing steunt op het motief dat verzoeker overeenkomstig artikel 7, lid 1, 2/ van de Vreemdelingenwet langer in het Rijk verblijft dan de overeenkomstig artikel 6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalde termijn of dat hij er in ieder geval niet in slaagt het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft; dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd aangezien zij zowel XIV-17.976-7/8 de juridische basis vermeldt, als de feitelijke gegevens die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat, waar verzoeker ten slotte nogmaals beklemtoont dat Nepal voorkomt “op de lijst van de IOM van de landen waarnaar (...) niet kan worden gerepatrieerd”, kan worden verwezen naar hetgeen hieromtrent tijdens de bespreking van het eerste middel is gesteld; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.976-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.188 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.