id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.189 Rolnummer: A. 132430/XIV-13664 Zaak: Arrest 153189 - - 27/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-11 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-03 07:10 Fiche Arrest nr 153.189 van 27 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.189 van 27 december 2005 in de zaak A. 132.430/XIV-13.
- In zake : XXX, wonende te A. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 28 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 16 december 2002 tot onontvankelijkverklaring van de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-13.664-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. FLACHET die, loco Advocaat Z. OTHMAN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Marokkaanse nationaliteit, zou België binnengekomen zijn eind
- Op 14 november 2001 dient verzoeker via de burgemeester van Antwerpen een aanvraag overeenkomstig artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) in. 1.
- Bij beslissing van 16 december 2002 van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt de aanvraag om machtiging van verblijf onontvankelijk verklaard. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: “MOTIVERING : De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: zou sedert 1995 in België zijn, is geïntegreerd, heeft geen banden meer met land van herkomst, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Het verhindert betrokkene niet om een aanvraag in het thuisland in te dienen.”.
- Over de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel wordt aangetoond; 2.
- Overwegende dat er evenwel geen noodzaak bestaat hierover uitspraak te doen aangezien het beroep, zoals hierna wordt uiteengezet, bij gebrek aan gegronde middelen dient te worden verworpen;
- Over de gegrondheid van het beroep. XIV-13.664-2/4 3.1.
- Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “*Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De bestreden beslissing werd op geen enkele manier uitdrukkelijk gemotiveerd. Blijkbaar zijn dit voorgedrukte formulieren met standaardclausules.”; 3.1.
- Overwegende dat de bestreden beslissing wel degelijk de redenen vermeldt waarom verzoekers aanvraag onontvankelijk werd verklaard, namelijk de motieven die verzoeker inroept: verblijf in België sedert 1995, is geïntegreerd, geen banden meer in het land van herkomst, geen buitengewone omstandigheden vormen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; dat verzoeker niet duidelijk maakt op welk punt de motivering hem niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke feitelijke en juridische gegevens de bestreden beslissing is genomen; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “*Schending van de rechten van verdediging Uit het voorgaande is duidelijk gebleken dat de rechten van verdediging geschonden werden. Immers, op geen enkel moment werd verzoeker opgeroepen om gehoord te worden. Verzoeker zou alsdan mondeling zijn toestand hebben kunnen uiteenzetten, doch deze mogelijkheid werd hem volledig ten onrechte ontnomen. Verzoeker heeft zich nooit kunnen verweren tegen de beslissing van de Minister.”; 3.2.
- Overwegende dat de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “*Schending van art. 8 EVRM Art. 8 EVRM stelt onomwonden dat eenieder het recht heeft op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. Niet alleen verzoeker, doch ook de familie van verzoeker hebben recht op een gezinsleven. Indien de beperkte financiële middelen van verzoeker worden afgenomen, betekent dit dat verzoeker in een financiële wurggreep terecht komt.”; 3.3.
- Overwegende dat de bestreden beslissing er niet toe strekt verzoekers gezinsleven te verhinderen of te bemoeilijken; dat de beslissing enkel inhoudt dat verzoeker geen buitengewone omstandigheden doet gelden die hem vrijstellen om zijn aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit zijn land van herkomst, in te dienen; dat het derde middel niet gegrond is; XIV-13.664-3/4
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig december tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.664-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.