id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20
§ 3
, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna : de OCMW-wet) moet uitgeoefend zijn, vooraleer het bestreden besluit definitief uitvoerbaar is; dat volgens haar pas dan het bestreden besluit een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is als bedoeld in artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; 1.1.2. Overwegende dat deze exceptie moet betrokken worden op het door verzoeker aangevoerde eerste middel dat verband houdt met een gebeurlijke schending van artikel 53, §
§ 3
, van de OCMW-wet; dat, zoals hierna bij het onderzoek van dat middel zal blijken, in deze artikel 53, §
§ 3
, van de OCMW- wet niet van toepassing is; dat de exceptie derhalve wordt verworpen; 1.2.
- Overwegende dat Dominiek LECOUTERE ter zitting en verzoek- schrift indient tot vrijwillige tussenkomst ten einde de “oorspronkelijke vordering tot schorsing af te wijzen als onontvankelijk want voorbarig”; dat hij hierbij stelt dat hij belang heeft “bij de beoordeling van de middelen ten gronde” die verzoeker aanwendt tegen de maatregel van afzetting; dat hij verwijst naar de omstandigheid dat “de behandeling en de vervolging” jegens verzoeker en hemzelf “volstrekt gelijktijdig en in dezelfde vergaderingen plaatsvonden” en dat de beslissing over de tuchtmaatregel lastens verzoeker en hemzelf “in dezelfde akte zijn opgenomen”; 1.2.
- Overwegende dat verzoeker met onderhavige vordering beoogt de schorsing van de ten uitvoerlegging te horen bevelen van de tuchtmaatregel van afzetting die jegens hem is uitgesproken op 1 december 2005 door de algemene vergadering van de verwerende partij; dat niet ingezien wordt dat louter het gegeven dat de tuchtprocedure gezamenlijk tegen verzoeker en tegen verzoeker in tussen- komst is gevoerd en dat de tuchtstraf lastens beide in eenzelfde akte is opgenomen aan verzoeker in tussenkomst een voldoende belang oplevert om tussen te komen in het geding waarin de schorsing van de ten uitvoerlegging wordt beoogd van de tuchtmaatregel van afzetting van verzoeker en dus niet van hemzelf; dat trouwens een schorsing van de tenuitvoerlegging van de door verzoeker bestreden beslissing geen voordeel lijkt te kunnen opleveren aan verzoeker in tussenkomst; dat het verzoek in tussenkomst bijgevolg niet ontvangen kan worden; IX-5163-15/24
- Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§
2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 53, § 1, van de OCMW-wet; dat hij hierbij uiteenzet dat het bestreden tuchtbesluit geen uitwerking kan hebben, omdat het niet werd onderworpen aan het advies van het college van burgemeester en schepenen en aan de goedkeuring van de bestendige deputatie, zoals nochtans door de voormelde wettelijke bepaling is voorgeschreven; dat de uitvoering van het bestreden tuchtbesluit minstens dient te worden geschorst totdat het voormelde administratíef toezicht is uitgeoefend; dat anders de opgelegde tuchtmaat- regel uitvoering krijgt, zonder dat hij de mogelijkheid heeft gehad tegen een eventueel goedkeuringsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een beroep bij de Koning in te dienen; 2.1.
- Overwegende dat de door verzoeker bestreden beslissing is genomen door de algemene vergadering van het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan Autonome Verzorgingsinstelling; dat die instelling op het eerste gezicht niet ressorteert onder het OCMW van Brugge, maar onder een vereniging met eigen rechtspersoonlijkheid, zoals bedoeld in hoofdstuk XII van de OCMW-wet; dat zulks ook niet betwist is ter zitting; dat luidens artikel 126, § 1, tweede lid, van de OCMW- wet, voor de ziekenhuizen die afhangen van een dergelijke vereniging het administra- tief toezicht beperkt is tot de toepassing van de artikelen 111, §§ 1, 2, 1/, en 3, en 112 tot en met 113, van die wet; dat noch artikel 111, §§ 1, 2, 1/, en 3, noch de artikelen 112 tot en met 113 van de OCMW-wet betrekking lijken te hebben op onderhavige aangevochten beslissing, zodat het administratief toezicht met name het advies van het college van burgemeester en schepenen en de goedkeuring van de bestendige deputatie alsmede de mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen het besluit van de bestendige deputatie bij de Vlaamse regering, waarin is voorzien door IX-5163-16/24 artikel 53, §§
3, in deze niet van toepassing is en de bestreden beslissing bijgevolg onmiddellijk uitvoerbaar is; dat het middel niet ernstig is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van zowel de materiële als de formele motiveringsverplichting; dat hij met betrekking tot de schending van de materiële motiveringsverplichting laat gelden dat de bestreden beslissing ten onrechte steunt op het motief dat hij de feiten, de voorvallen en de gedragshouding, die hem in het tuchtverslag van 13 juni 2005 van de secretaris ten laste worden gelegd, ten aanzien van de tuchtoverheid niet heeft betwist in zijn conclusie van 8 september 2005, zijn mondelinge toelichting tijdens de hoorzitting van dezelfde datum, het ter zitting van 7 oktober 2005 neergelegde stuk en de toen gegeven toelichting; dat hij uiteenzet dat hij in zijn conclusie van 8 september 2005 wel degelijk de hem ten laste gelegde feiten in vraag heeft gesteld en uitdrukkelijk heeft verzocht getuigen te horen, opdat de juiste straf zou kunnen worden bepaald en dat hij bijkomende conclusies heeft willen neerleggen na het advies van de medische raad, maar dat hij dat niet tijdig heeft kunnen doen, omdat hij voor de hoorzitting van 1 december 2005 te laat werd opgeroepen; dat hij er ook op wijst dat in het proces-verbaal van de hoorzitting van 8 september 2005 geen verslag van zijn mondelinge toelichting is opgenomen; dat ook de ter zitting van 7 oktober 2005 neergelegde brief geen enkel middel ten gronde bevatte en dat zijn raadsman toen geen enkel woord tot de algemene vergadering heeft gericht; dat hij tijdens de zitting van 1 december 2005 niet eens het woord heeft gekregen; dat hij voorts de overweging van de bestreden beslissing betwist waarin wordt gesteld dat hij dokter VAN DE VOORDE, assistente, aan haar lot heeft overgelaten toen zij op 5 april 2005 om zijn bijstand vroeg: hij argumenteert in deze dat aangezien dokter LECOUTERE op de voormelde datum vanaf 18.00 uur de wachtdienst in het ziekenhuis diende te verzekeren, hij aan de assistente alleen heeft gevraagd eerst voornoemde dokter te contacteren; dat uit het tuchtverslag blijkt dat hij de feiten hoe dan ook heeft opgevolgd en bereid was bijstand te verlenen indien nodig; dat ten slotte, steeds volgens verzoeker, het motief van de bestreden beslissing dat hij geen enkele inspanning heeft gedaan om het aanslepende conflict tussen de betrokken partijen te verhelpen, feitelijk onjuist is en hierbij er op wijst dat hij op 8 december 2003 reeds een voorstel van reglement van inwendige orde heeft uitgewerkt, dat voorzag in een oplossing voor alle probleempunten, en dat hij meerdere initiatieven heeft genomen om grote medische meningsverschillen, inzonderheid aangaande het te voeren vochtbeleid, uit te klaren in medische protocollen; dat, met betrekking tot de aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting, verzoeker voorst IX-5163-17/24 doet gelden dat gelet op de “flagrante onwaarheden” die als motief worden aangewend, moet worden besloten “dat de overigens summiere motivering” van de bestreden beslissing niet afdoende is; dat “een standaard of stijlformule” werd aangewend die geen rekening zou houden met de werkelijkheid, welke had kunnen worden aangetoond “door in te gaan op de volgehouden vraag tot het horen van getuigen”; dat hij ook meent een tegenstrijdigheid te onderkennen in de overweging van de bestreden beslissing waarin hem eensdeels wordt aangewreven de hem ten laste gelegde feiten, voorvallen en gedragshouding niet te betwisten en anderdeels niet te preciseren welke feiten in werkelijkheid geen feiten, maar subjectieve belevingen zijn; 2.2.
- Overwegende dat de bestreden beslissing met betrekking tot de betwisting door verzoeker van de ten laste gelegde feiten als volgt luidt : “Overwegende dat dokter Van Laer de hem in het verslag aangewreven feiten, voorvallen en gedragshouding niet betwist, noch in zijn op 8 september 2005 neergelegde conclusie, noch in zijn mondelinge toelichting van zelfde datum, uitvoerig opgenomen in het proces-verbaal van die zitting, noch in zijn ter zitting van 7 oktober 2005 neergelegd stuk en gegeven toelichting; dat hij weliswaar stelt ‘dat sommige zaken worden weergegeven als zijnde feiten terwijl dit helemaal niet het geval is maar een subjectieve weergave van belevingen van de betrokken partijen (zijn) die veelal gekleurd is in het voordeel of nadeel van concludent’ en dat het niet eenvoudig is ‘om belevingen van de feiten te onderscheiden’; dat hij echter niet preciseert welke feiten in werkelijkheid geen ‘feiten’ zouden zijn doch slechts ‘belevingen’”; dat deze overweging, getoetst aan de stukken van het administratief dossier, niet ondeugdelijk lijkt; dat immers uit geen enkel van de neergelegde stukken blijkt dat verzoeker ten aanzien van de tuchtoverheid heeft laten gelden dat de feiten die vermeld zijn in het tuchtverslag van 13 juni 2005, zich niet zouden hebben voorgedaan; dat het enige wat hij daarover opwerpt is dat sommige feiten slechts “een subjectieve weergave” zijn “van belevingen van de betrokken partijen”; dat evenwel in de bestreden beslissing terecht wordt opgemerkt dat verzoeker niet preciseert welke feiten hij dan voor ogen heeft; dat verzoeker er bij de tuchtoverheid wel op aangedrongen heeft om getuigen te horen, doch dat, blijkens de bewoordingen waarin hij dat verzoek tot de tuchtoverheid heeft gericht, hij zulks gedaan heeft met de uitsluitende bedoeling getuigenissen te verkrijgen over de “grondige kentering” die de laatste maanden zou ingetreden zijn, over “de huidige manier van werken en de weerslag op de dienst” en over “de wijze waarop gereageerd wordt op de huidige procedure”; dat zijn vraag om getuigen te horen derhalve losstaat van de feiten die in het tuchtverslag van de secretaris aan verzoeker worden verweten en die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen; dat IX-5163-18/24 verzoekers argumentatie in verband met de onmogelijkheid om na het advies van de medische raad nog bijkomende conclusies in te dienen hierna in het derde middel wordt onderzocht; dat voorts de bestreden beslissing de gebeurtenis van 5 april 2005 als volgt beschrijft : “(...) dat het voorval van 5 april 2005 (randnummer 36 van het verslag) typerend en illustratief is voor de totaal verziekte relatie tussen dokter Van Laer en zijn collega en diensthoofd dokter Lecoutere; dat dokter Van Laer, wetende dat dokter Lecoutere niet in het ziekenhuis aanwezig was, de assistente Van de Voorde niet aan haar lot mocht overlaten, nu zij om zijn bijstand had gevraagd wegens persisterende dyspnoe en onvoldoende verbetering in de toestand van de neonatus; dat naar omstandigheden zulk verzuim zeer zware medico-legale gevolgen zou kunnen hebben; dat ook dokter Degomme op de fona-melding neerschreef: ‘incident te situeren in het aanslepend conflictueel probleem op de NIC’; dat die verziekte relatie waarvoor dokter Van Laer geen enkele inspanning deed om ze te verbeteren, integendeel, de enige mogelijke verklaring is voor de totaal onaanvaardbare explosie die zich op 19 april 2005 heeft voorgedaan”; dat verzoeker aldus beweert dat hij geen bijstand heeft geweigerd aan dokter VAN DE VOORDE; dat evenwel uit het tuchtverslag van 13 juni 2005 blijkt dat dokter VAN DE VOORDE, toen zij verzoeker contacteerde, uitdrukkelijk heeft vermeld dat dokter LECOUTERE niet zou kunnen komen, aangezien hij haar had gezegd dat hij naar huis zou gaan; dat door het aanvankelijke stilzitten van verzoeker dokter VAN DE VOORDE klaarblijkelijk gedwongen werd dokter LECOUTERE alsnog te laten verwittigen; dat de tuchtoverheid bijgevolg daaruit vermag af te leiden dat het stilzitten van verzoeker een tekortkoming is die illustratief is voor de “verziekte relatie” tussen verzoeker en dokter LECOUTERE; dat ten slotte de omstandigheid dat verzoeker op 8 december 2003 een voorstel van reglement van inwendige orde zou hebben uitgewerkt en dat hij het initiatief zou hebben genomen tot het opstellen van medische protocollen, niet er aan in de weg staat dat uit het tuchtverslag op afdoende wijze blijkt dat hij naderhand toch nog ten volle betrokken is gebleven in het conflict met dokter LECOUTERE, dat uiteindelijk zijn hoogtepunt heeft bereikt in het incident van 19 april 2005; dat de door verzoeker aangevoerde schending van de materiële motiveringsverplichting niet ernstig is; dat bijgevolg de aangevoerde schending van de formele motiveringsverplichting in zoverre verzoeker zich daarop steunt, evenmin ernstig is; dat ook geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de overweging van de bestreden beslissing dat verzoeker de hem ten laste gelegde feiten, voorvallen en gedragshouding, niet betwist en de overweging dat verzoeker weliswaar aanvoert dat sommige feiten geen echte feiten maar subjectieve belevingen zijn, maar niet preciseert welke feiten hij dan voor ogen heeft; dat het middel niet ernstig is; IX-5163-19/24 2.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging; dat hij vooreerst laat gelden dat geen gevolg is gegeven aan zijn vraag om getuigen te horen terwijl nochtans ook andere actoren een rol speelden in het dossier; dat het wenselijk was geweest deze betrokken partijen te horen en dat zij de “disfunctionerende algemene gedragshouding” van verzoeker hadden kunnen weerleggen; dat de bestreden beslissing stelt dat deze getuigen niets konden bijbrengen over het incident van 19 april 2005; dat echter het bedoelde incident in hoofde van verzoeker niet als een tuchtfeit in aanmerking is genomen; dat hij voorts onvoldoende tijd heeft gekregen om zich voor te bereiden: dat hij pas op 8 september 2005 kennis heeft genomen van het proces-verbaal van de hoorzitting van 25 augustus 2005 met het bijgevoegde tuchtverslag en dat hij eerst het advies van de medische raad wenste te kennen, zodat hij op 8 september 2005 niet in de mogelijkheid was om zijn besluiten ten gronde te redigeren, en dat hij pas met een brief van 25 november 2005 werd opgeroepen om op 1 december 2005 voor de algemene vergadering te verschijnen; dat, volgens hem, aldus de oproepings- termijn voorgeschreven door artikel 301 van de nieuwe gemeentewet niet werd gerespecteerd; dat hij pas met een faxbericht van 29 november 2005 in kennis is gesteld van “informatie in verband met het advies van de medische raad”; dat ten slotte nergens uit blijkt dat de medische raad kennis had van het volledige tuchtdos- sier en de stukken neergelegd door de partijen, en niet alleen van de beslissing van 7 oktober 2005 van de algemene vergadering, zodat moet worden besloten dat de medische raad geen nuttig advies heeft kunnen geven; dat de medische raad bovendien geen rekening gehouden heeft met de vraag van verzoeker om bij de totstandkoming van het advies te worden gehoord; 2.3.
- Overwegende dat, het weze herhaald, verzoekers vraag om getuigen te horen klaarblijkelijk als enig doel heeft gehad de tuchtoverheid ervan te overtuigen dat de verhouding tussen hem en dokter LECOUTERE inmiddels is verbeterd, minstens dat eraan wordt gewerkt onder begeleiding van dokter VAN DEN AMEELE; dat de tuchtoverheid terecht vermocht te oordelen dat dergelijke getuigenissen geen afbreuk konden doen aan de feiten uit het verleden, met name aan het reeds jaren aanslepende en escalerende conflict tussen verzoeker en dokter LECOUTERE dat zijn hoogtepunt bereikte in het voorval van 19 april 2005; dat dokter VAN DEN AMEELE trouwens op 24 april 2005 nog tot de vaststelling gekomen is dat “bij beide partijen voldoende inzicht in de dynamiek van de problematiek aanwezig is,(...), (maar) weinig bereidheid om tot een constructieve oplossing te komen”; dat de omstandigheid dat na het tuchtverslag van 13 juni 2005, IX-5163-20/24 waarin de afzetting van zowel verzoeker als Dominiek LECOUTERE wordt voorgesteld, een gunstige kentering in de relatie tussen verzoeker en dokter LECOUTERE zou zijn ingetreden, hoe dan ook geen afbreuk doet aan de voorgaande feiten, die de tuchtoverheid hebben aangezet om de thans bestreden tuchtmaatregel te nemen; Overwegende dat verzoeker ook aanvoert dat hij te weinig tijd zou hebben gehad om zijn verdediging voor te bereiden; dat een overzicht van de chronologie leert dat hij met een aangetekende brief van 13 juni 2005 opgeroepen is voor het verhoor door de algemene vergadering en dat, na uitstel op zijn verzoek, dat verhoor pas op 25 augustus 2005 zou plaatsvinden; dat bij de oproeping het tuchtverslag van 13 juni 2005 van de secretaris was gevoegd, zodat verzoeker ten volle in de mogelijkheid was het verhoor voor te bereiden; dat het voorschrift van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, dat de oproeping ten minste twaalf werkdagen vóór de hoorzitting dient te gebeuren, ertoe strekt het personeelslid toe te laten de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien, in deze gerespecteerd is; dat zulks in beginsel niet meer geldt voor de verderzetting van de behandeling van de tuchtzaak in navolgende hoorzit- tingen, zoals in de onderhavige zaak op 8 september 2005, 7 oktober 2005 en 1 december 2005 is gebeurd; dat verzoeker weliswaar in de loop van de maand november nog in kennis is gesteld van het advies van de medische raad en dat hij daarop met een brief van 25 november 2005 werd uitgenodigd voor de hoorzitting van 1 december 2005; dat dit evenwel niet eraan in de weg stond dat hem nog voldoende tijd restte om zijn standpunt met betrekking tot dit advies ten aanzien van de tuchtoverheid te bepalen; dat voorts niet valt in te zien dat het faxbericht van 29 november 2005 van het bestuur aan verzoeker, met daarbij gevoegd een afschrift van de adviesaanvraag aan de medische raad, nog nieuwe informatie bevatte die verzoeker niet toeliet zijn verweer tegen de hoorzitting van 1 december 2005 ten volle voor te bereiden; dat in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert uit de bestreden beslissing blijkt dat naast het besluit van 7 oktober 2005 van de algemene vergadering waarbij het voornemen werd geformuleerd om verzoeker en dokter LECOUTERE bij tuchtmaatregel af te zetten, het volledige tuchtdossier aan de medische raad werd voorgelegd; dat er geen regel lijkt te bestaan die de medische raad ertoe zou verplicht hebben verzoeker te horen alvorens aan de tuchtoverheid een advies over de voorgenomen afzetting bij tuchtmaatregel te verstrekken; dat het middel niet ernstig is; IX-5163-21/24 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van artikel 43 van het Gerechtelijk Wetboek; dat hij betoogt dat het gerechtsdeurwaardersexploot waarmee op 2 en 8 december 2005 aan hem kennis is gegeven respectievelijk van het tuchtbesluit en van de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan, geen melding maakt van de hoedanigheid en de inschrijving in het handels- register of het ambachtsregister van de persoon op wiens verzoek het exploot werd betekend, zoals nochtans is voorgeschreven door artikel 43, eerste lid, 2/, van het Gerechtelijk Wetboek; 2.4.
- Overwegende dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek krachtens artikel 2 van dat wetboek van toepassing zijn op de rechtsplegingen voor de hoven en de rechtbanken; dat zij evenwel niet van toepassing zijn op tucht- procedures voor organen van het actief bestuur; dat hoe dan ook een gebeurlijke onregelmatigheid bij de betekening van de bestreden beslissing als zodanig geen afbreuk vermag te doen aan de wettigheid van die beslissing zelf; dat het middel niet ernstig is; 2.5.
- Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij hierbij uiteenzet dat de opgelegde tuchtstraf niet in verhouding staat tot de ten laste gelegde feiten, in acht genomen dat de werking van de dienst neonatologie nooit in het gedrang is geweest en hij nooit eerder het voorwerp is geweest van een tuchtprocedure en/of sanctie; dat hij laat gelden dat indien de feiten zo ernstig waren dat ze een afzetting konden verantwoorden, de verwerende partij onmiddellijk had moeten overgaan tot een preventieve schorsing en dat de verwerende partij heeft toegelaten dat hij nog het weekend en de week na de bestreden tuchtmaatregel in het ziekenhuis bleef; dat de opgelegde tuchtmaatregel niet aangepast is aan het hem ten laste gelegde feit van 5 april 2005 en de hem ten laste gelegde disfunctionerende algemene gedragshouding en dat de tuchtoverheid geen rekening heeft willen houden met de vele verzachtende omstandigheden die in het dossier zijn terug te vinden; 2.5.
- Overwegende dat de Raad van State ten aanzien van de aard en de zwaarte van een oplegde tuchtstraf slechts beschikt over een marginale toetsings- bevoegdheid zodat hij enkel een kennelijk in wanverhouding tot de tuchtfeiten staande straf onwettig kan bevinden en dat voor het overige de tuchtoverheid op discretionaire wijze oordeelt over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf; dat de Raad van State aldus alleen die sancties onwettig kan bevinden die IX-5163-22/24 kennelijk buiten verhouding staan tot de feiten waarvoor ze werden opgelegd, dit wil zeggen die sancties die als dermate buiten verhouding staand tot de feiten moet worden beschouwd dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen; dat te dezen geen dergelijke wanverhouding wordt onderkend; dat de opgelegde tuchtstraf weliswaar de zwaarste straf is, doch de aan verzoeker ten laste gelegde feiten eveneens een zwaarwichtig karakter hebben; dat de bestreden beslissing zelf de keuze van de tuchtoverheid voor de tuchtmaatregel van de afzetting zeer uitvoerig motiveert en dat uit die motieven op afdoende wijze blijkt dat aan verzoeker niet de afzetting wordt opgelegd voor één of voor enkele feiten, maar voor een jarenlange volgehouden en “constante gedragshouding” die verregaande ongunstige gevolgen had voor de goede werking van de dienst neonatologie en tevens zorgde voor een belangrijke negatieve uitstraling naar de ouders van de patiënten en de buitenwereld toe; dat de omstandigheid dat de verwerende partij in het verleden niet tot de preventieve schorsing van verzoeker heeft beslist, er niet aan in de weg staat dat zij de thans ten laste gelegde feiten dermate ernstig bevindt dat zij deze met de zwaarste tuchtsanctie kan bestraffen; dat voorts de omstandigheid dat verzoeker na de uitspraak van de tuchtmaatregel nog een week in het ziekenhuis aan het werk is kunnen blijven, lijkt te moeten worden verklaard door de onzekerheid die alleszins bij verzoeker zelf, maar ook bij de verwerende partij - wat zij ter zitting heeft toegegeven - bestond over de onmiddellijke uitvoerbaarheid van de opgelegde tuchtstraf; dat verzoeker ten slotte niet aangeeft met welke verzachtende omstandig- heden, die naar zijn oordeel in het tuchtdossier zouden terug te vinden zijn, de tuchtoverheid geen rekening heeft gehouden; dat dit middel niet ernstig is; 2.
- Overwegende dat aldus niet is voldaan aan een van de voor- waarden van artikel 17, §§
2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, IX-5163-23/24 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van Dominiek LECOUTERE in het administratief kort geding wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de verzoeker in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig december 2000 en vijf, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5163-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.192 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.616 ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.603 ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.050 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div