← België

Arrest 153199 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.199 Rolnummer: A. 162506/X-12311 Zaak: Arrest 153199 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-03 07:10 Fiche Arrest nr 153.199 van 29 december 2005 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.199 van 29 december 2005 in de zaak A. 162.506/X-12.

  1. In zake : Leon SERVAES, die woonplaats kiest bij Advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Leon SERVAES op 13 mei 2005 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 17 februari 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning met bedrijfsruimte op een perceel gelegen te Rumst, Petrus Van der Taelenstraat 48A, kadastraal bekend Sectie B, nr. 33x; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 1 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 september 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. VERLINDEN, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat R. PROOST, die verschijnt voor de verwerende partij; X-12.311-1/5 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat er vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat een onderzoek van en uitspraak over deze exceptie alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat artikel 17, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten dient te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen; dat artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten "een uiteenzetting van de feiten die kunnen aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de eiser een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen"; dat uit deze bepalingen volgt dat verzoekende partij in haar verzoekschrift duidelijk en concreet dient aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaat of dreigt te ondergaan, en dat met niet in het verzoekschrift tot schorsing opgenomen feiten en verklaringen hieromtrent geen rekening kan worden gehouden; X-12.311-2/5 Overwegende dat verzoeker, wat de tweede voorwaarde betreft, doet gelden dat ingevolge het bestreden besluit de leefbaarheid van de bestaande landbouwactiviteiten wordt bedreigd en dat het voortbestaan van zijn exploitatie in het gedrang wordt gebracht; dat het voor verzoeker als groenteteler niet langer voldoen aan de normen van het Flandria-kwaliteitskenmerk een ondraaglijk inkomstenverlies inhoudt, dat een blijvend jaarlijks verlies van die omvang (tot 25 % van de omzet) gedurende een periode van een aantal jaren niet meer kan worden goedgemaakt; dat hij voorts betoogt dat, ten einde blijvend te kunnen voldoen aan de Flandria-normen, in de toekomst de huidige (nood)woning binnen het bedrijfsgebouw eveneens mee dient te worden gebruikt als eigenlijke bedrijfsruimte, dat indien hij de noodwoning niet kan gebruiken voor de eigenlijke landbouwactiviteiten, de continue vervulling van de Flandria-normen niet kan worden gegarandeerd; dat hij betoogt dat hij "immers absoluut de ruimte waar eerder ten voorlopige titel een noodwoning werd ingericht, (moet) kunnen aanwenden voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten", dat "indien niet blijvend kan worden voldaan aan de Flandria-normen, (verzoeker) (zijn) geteelde producten niet tegen een aanvaardbare prijs op de markt (kan) brengen en het voortbestaan en de leefbaarheid van het landbouwbedrijf in het gedrang (wordt) gebracht", dat "aldus (...) de onmogelijkheid om een nieuwe volwaardige bedrijfswoning in te richten, de leefbaarheid van de onderneming in het gedrang (brengt)", dat ingevolge de weigering voor de bouw van de bedrijfswoning het verzoeker onmogelijk wordt gemaakt de landbouwactiviteit verder uit te oefenen, dat de weigering van de bestreden vergunning ernstige problemen met zich meebrengt inzake het beheer van meststoffen en de bewaring van geteelde producten en inzake de ventilatie, dat bovendien de uitbating van de landbouwactiviteiten de enige beroepsactiviteit is van verzoeker waaruit een gezinsinkomen wordt gegenereerd, zodat hij dreigt in een onomkeerbare financiële situatie terecht te komen; dat hij tot slot wijst op de enorme investering die hij deed bij de overname van het landbouwbedrijf, dat die investering dreigt verloren te gaan ingevolge de thans bestreden weigering, dat minstens dient te worden vastgesteld dat ingevolge het bestreden besluit, in afwachting van een uitspraak over de annulatie, gedurende meerdere jaren exploitatiemogelijkheden van landbouwactiviteiten verloren gaan; Overwegende dat de geweigerde stedenbouwkundige vergunning uitsluitend tot voorwerp heeft de oprichting van een "vrijstaande eengezinswoning met bedrijfsruimte"; dat op het eerste gezicht de bedrijfsruimte in de eengezinswoning een "bureel", een "archief" en een "berging materieel" (autobergplaats) betreft; X-12.311-3/5 Overwegende dat, afgezien van de vraag of verzoeker voldoende aannemelijk maakt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit het verzoeker onmogelijk maakt om in de toekomst nog te voldoen aan de zogenaamde "Flandria-normen", het argument dat het tenuitvoerleggen van het bestreden besluit zodanige consequenties zou hebben dat verzoeker, voor wie de groenteteelt de enige beroepsactiviteit is waaruit een gezinsinkomen wordt gegenereerd, in onherstelbare problemen zou geraken, in wezen neerkomt op een financieel nadeel; dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is; dat verzoeker in gebreke blijft aan de hand van concrete en precieze gegevens een duidelijk beeld te verschaffen over zijn activiteiten, zijn huidige financiële situatie en de weerslag van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit erop; dat zijn bewering dat hij in een onomkeerbare financiële situatie dreigt terecht te komen niet afdoende wordt gestaafd; dat een "blijvend jaarlijks verlies van die omvang (tot 25% van de omzet) gedurende een periode van een aantal jaren" wel één zaak is (met name inzake de gevreesde omzetvermindering), doch dat dit op zich niet afdoende aantoont dat ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden weigering tot het oprichten van een bedrijfswoning, verzoeker een financieel nadeel zal leiden dat dermate substantieel is dat het als een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel kan worden beschouwd; dat verder de duurtijd van de annulatieprocedure vreemd is aan de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; dat de uiteenzetting van verzoeker onvoldoende concrete en precieze gegevens bevat waaruit blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, X-12.311-4/5 BESLUIT: Artikel
  2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december 2005, door : de H. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-12.311-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.199 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.