← België

Arrest 153219 - - 30/12/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 december 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.219 Rolnummer: A. 168979/XIV-24378 Zaak: Arrest 153219 - - 30/12/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-09 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 07:10 Fiche Arrest nr 153.219 van 30 december 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.219 van 30 december 2005 in de zaak A. 168.479/XIV-24.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 december 1975 en van Nigeriaanse nationaliteit, op 28 december 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 december 2005 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2005 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 23 december 2005; Gelet op de beschikking van 29 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 29 december 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 30 december 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROBERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste XIV-24.378-1/7 verwerende partij en van Advocaat A. DE MEU die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal van 22 december 2005 als volgt luidt: “U werd op 20 december 2005 in de Engelse taal gehoord door het Commissariaat-generaal in het geslotencentrum te Merksplas, van
  5. 15 uur tot 11.25 uur. Uw advocaat Meester Pierre Robert was gedurende het volledige gehoor aanwezig. A. Vluchtrelaas U vroeg een eerste keer in België asiel aan op 25 mei
  6. Uw aanvraag werd onont- vankelijk verklaard door het Commissariaat-generaal op 20 september
  7. Uw tweede asielaanvraag, ingediend op 29 september 2004, werd niet in overweging genomen (beslissing van Dienst Vreemdelingenzaken van 11 oktober 2004). Hierna keerde u evenmin naar Nigeria terug. U diende op 17 november 2005 een derde asielaanvraag in, met voorlegging van nieuwe elementen: een lidkaart van de PYMN en twee brieven in verband met uw activiteiten voor deze organisatie. Verder legde u een aantal rapporten voor die betrekking hebben op uw mentale problemen. B. Motivering De nieuwe documenten die u voorlegde doen geen afbreuk aan de vastgestelde ongeloof- waardigheid (zie beslissing van het Commissariaat-generaal voor uw eerste aanvraag) van de vervolgingsfeiten die u aanhaalde. De lidkaart van de PYMN met nummer 021156 bewijst hooguit dat u lid was van deze organisatie, hetgeen in de genoemde beslissing niet betwist werd. De brief dd. 21 maart 2005, getekend door de nationale secretaris en door Orlando Musa, de nationale coördinator van de PYMN, die stelt dat u een "foundation member” van deze organisatie was, doet evenmin afbreuk aan de vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw vervolgingsfeiten: enerzijds werd in de genoemde beslissing niet betwist dat u lid was van de PYMN, anderzijds stelde u tijdens het laatste gehoor voor het Commissariaat-generaal (dd. 20 december 2005) dat Orlando Musa, de nationale coördinator, zelf geen problemen kende (p. 7), wat betekent dat het loutere feit een belangrijk lid van de organisatie -zo verklaart u de term “foundation member”(p.3)- te zijn, niet automatisch een vervolgingsvrees impliceert. De brief tenslotte van 27 maart 2005 spreekt wel degelijk over onveiligheid voor de leden van de PYMN, maar zonder naar concrete feiten die u zou hebben meegemaakt te verwijzen; vooral echter kan worden gesteld dat dit document de vastgestelde ernstige tegenstrijdigheden, die op de kern van uw relaas betrekking hadden, niet kan weerleggen en dus de geloofwaardig- heid van uw relaas niet kan herstellen. Voor wat de rapporten met betrekking tot uw mentale problemen betreft, die door u werden voorgelegd om de vastgestelde tegenstrijdige verklaringen in het kader van uw eerste asielaanvraag te verantwoorden, kan het volgende worden opgemerkt. Uw bewering tijdens het gehoor door het Commissariaat-generaal (dd. 20 december 2005, p. 9) in het kader van uw tweede asielaanvraag, dat mentale problemen aan de basis liggen van uw incoherente verklaringen, kan niet worden aangenomen, en dit om verschillende redenen. Vooreerst riep u reeds in uw brief van 20 augustus 2004 aan het Commissariaat-generaal uw mentale problemen in als verklaringsgrond voor uw incoherente verklaringen. Zoals in de bevestigende beslissing van het Commissariaat-generaal (dd.20 september 2004) reeds werd opgemerkt komt het weinig ernstig over dat u pas voor het eerst na het gehoor door het Commissariaat-generaal (dd.28 juli 2004) melding maakte van uw mentale problemen in een schrijven van 20 augustus 2004 aan het Commissariaat-generaal, en dit ter verantwoording van de incoherenties in uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. U bracht immers geen enkele concrete indicatie aan voor uw bewering dat u voordien ook al psychologische problemen zou hebben gehad of daar in België hulp zou hebben voor gezocht. Vermits u tijdens het vorige gehoor door het Commissariaat-generaal verklaarde dat u al sinds augustus 2003 in België verbleef (p. 44), is het des te opmerkelijk(er) dat u voordien - tijdens de gehoren door XIV-24.378-2/7 de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 9 juni 2004) en het Commissariaat-generaal (dd. 20 augustus 2004) - volstrekt geen melding maakte van uw mentale problemen of van eventuele stappen die u zou hebben ondernomen om in dit verband hulp te zoeken. Bovendien blijkt bij nalezing van de gehoren door de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal in het kader van uw eerste asielaanvraag dat u daar helder, precies en gedetailleerd op vele vragen antwoordde. Enkel uit het allerlaatste deel van het gehoor door het Commissariaat- generaal (p.54-55) blijkt dat u - nadat u met een aantal tegenstrijdigheden in uw verklaringen werd geconfronteerd - niet meer op de vragen wilde antwoorden (p.54-55), maar ook op dat moment maakte u geen melding van het feit dat deze incoherenties toe te schrijven waren aan eventuele mentale problemen die u op dat moment of voordien zou hebben gehad. In het rapport van de Algemene Kliniek Sint-Jan dd. 27 oktober 2004 wordt - op basis van uw verklaringen - gesteld dat de stemmen die u sinds een tiental jaren zou horen u niet beletten in contact te blijven met de werkelijkheid. Uw in dit rapport neergeschreven bewering dat u al sinds een tiental jaar mentale problemen ondervindt, laat toe om te betwijfelen dat deze enig verband zouden houden met de door u aangehaalde vervolgingsfeiten in het kader van uw eerste asielaanvraag. U situeerde deze vervolgingsfeiten immers in 2002, zodat kan worden geconcludeerd dat u reeds lang voordien mentale problemen had. De stelling dat u al zolang deze psychiatrische problemen ondervindt, wordt dan weer tegengesproken door wat u tegenover de psycholoog van de vzw Ulysse verklaarde, namelijk dat uw mentale problemen begonnen in de periode na uw aankomst in België (augustus 2003). Ook het rapport van Dr. Langlet dd. 15 oktober 2005 vermeldt dat u verklaarde dat u nooit stemmen hoorde vooraleer u in België met moeilijkheden en een gevoel van mislukking te maken kreeg. Deze tegenstrijdigheden tussen de verschillende rapporten tasten de ernst daarvan aan, zeker in de mate dat ze slechts uw verklaringen weergeven. Zonder tegen te spreken dat u mentale moeilijkheden kende of nog kent, lijkt het - in het licht van het voorgaande - duidelijk dat die niet als verklaringsgrond kunnen worden ingeroepen voor de vastgestelde ongeloofwaardigheid van uw eerdere verklaringen en meer bepaald van de genoemde incoherenties. Met het advies van het Belgisch Comité voor hulp aan Vluchtelingen dd. 19 december 2005 kan om dezelfde reden geen rekening worden gehouden. Dit advies vermeldt drie dingen om uw asielaanvraag te ondersteunen. Ten eerste dat u bewijzen aanhaalde van uw politieke activiteit, zoals gezegd, werd die echter niet betwist. Verder mensenrechtenrapporten die stellen dat politieke tegenstanders wel degelijk gevaar liepen en lopen in Nigeria; ook dat werd echter niet betwist en doet geen afbreuk aan de vastgestelde geloofwaardigheid van de persoonlijke problemen die u aanhaalde. Ten slotte uw mentale problemen, die om de bovengenoemde redenen niet als verklaringsgrond voor uw incoherente verklaringen en dus voor de ongeloof- waardigheid van uw asielrelaas, kunnen aangenomen worden. U legde geen andere documenten voor die voorliggende asielaanvraag eventueel zouden kunnen ondersteunen. Tot slot bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u het grondgebied te verlaten (Koninklijk besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat, blijkens attesten in het administratief dossier, de huidige mentale toestand van betrokkene medische en psychologische opvolging vergt.”;
  8. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XIV-24.378-3/7 2.
  9. Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dateert van 22 december 2005, dat deze beslissing de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2005, tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, bevestigt, en dat voornoemde beslissing van 22 december 2005, aan verzoeker ter kennis werd gebracht op 23 december 2005 en uitdrukkelijk overweegt dat: “behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken of (van) zijn gemachtigde verzoeker het grondgebied dient te verlaten”; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd opgesloten in het gesloten centrum voor illegalen te BRUGGE, met het oog op zijn eventuele repatriëring; Overwegende dat feitelijk vaststaat dat verzoeker alert en diligent heeft gehandeld, vermits hij bij uiterst dringende noodzakelijkheid opkomt met een verzoekschrift ingediend op 28 december 2005 tegen de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal d.d. 22 december 2005, aan verzoeker ter kennis gebracht op 23 december 2005, hetzij binnen de termijn van vijf dagen; Overwegende dat het repatriëringsgevaar reëel en imminent is, vermits verzoeker zich in een gesloten centrum bevindt en voornoemde beslissing onmiddellijk uitvoerbaar is; Overwegende dat bijgevolg is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2; 2.
  10. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het zorgvuldigheidsbeginsel; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het enig middel in essentie betoogt dat de tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende asielrelazen te wijten zijn aan psychiatrische problemen, die pas aan het licht kwamen, nadat de eerste en de tweede asielaanvraag van verzoeker respectievelijk op 20 september 2004 onontvankelijk werd verklaard door het Commissariaat-generaal en op 11 oktober 2004 niet in overweging werd genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat volgens verzoeker hij pas in oktober 2004 voor het eerst psychiatrisch werd behandeld; Overwegende dat uit de uiterst gedetailleerde motivering in feite en in rechte van de bestreden beslissing op het eerste gezicht blijkt dat er geen causaal verband XIV-24.378-4/7 bestaat tussen de actuele psychologische en psychiatrische problemen waarmee verzoeker zou kampen en de afwijzende beslissingen die tussenkwamen naar aanleiding van de eerste en de tweede asielaanvraag van verzoeker; dat verzoeker trouwens deze beslissingen nooit heeft aangevochten voor de Raad van State, zodat zij inmiddels definitief zijn geworden; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen naar aanleiding van de derde asielaanvraag van verzoeker werd geconfronteerd met de volgende nieuwe elementen: een lidkaart van het PYMN en twee brieven in verband met de activiteiten van verzoeker voor deze organisatie, dat verzoeker verder een aantal rapporten heeft neergelegd die betrekking hebben op zijn mentale problemen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal op het eerste gezicht die nieuwe elementen aan een grondig en gedetailleerd onderzoek heeft onderworpen onder punt B. (Motivering) van de bestreden beslissing (cfr. punt 1 van dit arrest); Overwegende dat, wat de medische rapporten betreft, verzoeker er op het eerste gezicht niet in slaagt aan te tonen dat de belangrijke tegenstrijdigheden in zijn opeenvolgende asielrelazen zouden te wijten zijn aan zijn geestestoestand op het tijdstip van de verschillende interviews; dat om daarin eventueel te kunnen slagen verzoeker minstens zou moeten aantonen welke nieuwe verklaringen hij naar aanleiding van zijn derde asielaanvraag zou wensen af te leggen die niet voorkomen in zijn twee vorige asielrelazen, en die de tegenstrijdigheden van deze asielrelazen zouden kunnen rechtzetten en corrigeren, dat verzoeker hier niet toe komt; zodat de medische rapporten op het eerste gezicht geen correcties aanbrengen aan de kern van zijn asielrelazen; Overwegende dat de Commissaris-generaal de psychiatrische rapporten op zich niet betwist waaruit blijkt dat verzoeker mentale problemen kende of nog kent; dat hij alleen van oordeel is dat deze mentale problemen de vastgestelde tegenstrijdigheden niet kunnen verantwoorden; dat de bestreden beslissing aldus op basis van pertinente en draagkrachtige motieven overweegt dat de mentale problemen van verzoeker niet volstaan om de vastgestelde substantiële tegenstrijdigheden te verantwoorden; Overwegende dat het toekomt aan verzoeker om aan te tonen dat de laattijdige mededeling van zijn psychiatrische problemen aan de basis liggen van de weerhouden tegenstrijdigheden in de verschillende beslissingen die tot op heden zijn tussengekomen inzake verzoeker; dat verzoeker daar op het eerste gezicht niet in slaagt; Overwegende dat verzoeker aan de Commissaris-generaal ten grieve duidt dat hij de ingediende psychiatrische en psychologische verslagen niet in overweging neemt, zonder zelf een gespecialiseerd advies te vragen; XIV-24.378-5/7 Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht de bewijslast omkeert: het komt verzoeker toe om aan te tonen hoe zijn asielrelazen worden beïnvloed of aangetast door zijn psychische problemen en welke correcties en rechtzettingen hij wenst aan te brengen naar aanleiding van zijn derde asielaanvraag; dat verzoeker hiertoe op het eerste gezicht niet overgaat; Overwegende dat verzoeker in het tweede onderdeel van het enig middel een medisch probleem aanraakt betreffende hallucinaties waaraan hij zou lijden, betreffende de duurtijd van deze hallucinaties en de aanvangsdatum ervan; Overwegende dat verzoeker op het eerste gezicht niet aantoont welke verklaringen hij niet heeft kunnen afleggen ten gevolge van deze hallucinaties en hoe deze hallucinaties zijn asielrelazen zouden hebben kunnen beïnvloeden; Overwegende dat op het eerste gezicht het zorgvuldigheidsbeginsel niet werd geschonden; dat zoals reeds werd overwogen blijkt dat de Commissaris-generaal rekening heeft gehouden met de psychiatrische rapporten; dat de Commissaris-generaal niet diende over te gaan tot het vragen van “een even gespecialiseerd advies”, aangezien door hem op zich niet wordt betwist dat verzoeker mentale problemen heeft of heeft gehad; dat de Commissaris-generaal er zich enkel heeft toe beperkt te oordelen of deze problemen een voldoende verklaringsgrond kunnen bieden voor de vastgestelde tegenstrijdigheden, wat in casu niet het geval is; dat daaraan wordt toegevoegd dat de beoordeling van de psychiatri- sche rapporten kadert binnen de appreciatiebevoegdheid van de Commissaris-generaal; dat het niet toekomt aan de Raad van State om zijn appreciatie in de plaats daarvan te stellen; Overwegende dat het enig middel in zijn twee onderdelen niet ernstig is; Overwegende dat bijgevolg niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 2.
  12. Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker in essentie stelt dat zijn veiligheid in geval van gedwongen terugkeer naar Nigeria niet kan worden gegarandeerd; dat dit blijkt uit een attest van 27 maart 2005 van de PYMN; dat een dergelijke beschrijving van het nadeel vaag en algemeen is; dat hetzelfde geldt voor de vermeende vervolging van verzoeker ingeval van gedwongen terugkeer naar zijn land van herkomst; Overwegende dat de verantwoordelijkheid voor de gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing berust bij de tweede verwerende partij, die XIV-24.378-6/7 ongetwijfeld aandacht zal besteden aan de inhoud van de laatste paragraaf van de bestreden beslissing; Overwegende dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; Overwegende dat de ingestelde vordering op grond van wat voorafgaat, wordt afgewezen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  14. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig december tweeduizend en vijf, door : de HH. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. D. MOONS. XIV-24.378-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.153.219 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.