id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.230 Rolnummer: A. 161727/XIV-22312 Zaak: Arrest 153230 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-16 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.230 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.230 van 4 januari 2006 in de zaak A. 161.727/XIV-22.
(2)van de conventie van Genève, in die zin dat het onmogelijk is dat de weigeringsbeslissing op een correcte manier alle redenen van verzoeker, en die ertoe hebben geleid dat hij zijn land diende te verlaten, kon evalueren na summier onderzoek van de enkele elementen die de Vaste Beroepscommissie relevant achtte. De beslissing werd volledig opgehangen aan “fraus omnia corrumpit”. Verzoeker werd nooit geconfronteerd met deze informatie, en die bovendien slechts een beperkt licht werpt op de situatie in Bangladesh. Verder onderzoek, met oog op confrontatie met de ingewonnen informatie was dus onontbeerlijk. Daarenboven geeft de bestreden beslissing geen enkele motivatie naar het waarom "de informatie waarover ..." beter zou zijn dan de informatie van pakweg: Human rights Watch, Amnesty International of het US State Department, en die een geheel andere klok luiden. Het lijkt wel of "de informatie ..." allesomvattend, zelfbestendigend en zingevend is, en wel op een dergelijke wijze dat ze trekjes krijgt van een evangelie. De vraag stelt zich dan ook of "de informatie", in het vervolg niet met hoofdletters dient geschreven te worden. In elk geval is het zo dat men met éénzijdige, selectieve berichtgeving alles kan bewijzen, net zoals met godsdienst of voodoo De bestreden beslissing is derhalve niet gemotiveerd.”. 1.
- Overwegende dat de schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) niet dienstig kan worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij niet over de XIV-22.312-3/6 ontvankelijkheid, maar over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspraak wordt gedaan; dat, in de mate dat het middel ertoe strekt aan te tonen dat verzoeker wel degelijk aan de voorwaarden van artikel 1, (A), 2 van het Vluchtelingenverdrag beantwoordt, het niet in aanmerking kan worden genomen, vermits het niet aan de Raad van State toekomt het oordeel van de feitenrechter over de grond van de zaak over te doen; dat luidens artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de afdeling administratie in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaak zelf” treedt; dat de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen juridisch bindend karakter heeft; dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing zijn op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat, met betrekking tot de schending van artikel 21 van de Vreemdelingenwet dient opgemerkt dat deze bepaling handelt over terugwijzingen; dat de bestreden beslissing een beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is over de al dan niet erkenning van een persoon als vluchteling, waarbij geen terugleidingsmaatregel wordt genomen; dat de schending van deze bepaling niet dienstig kan worden aangevoerd; dat, met betrekking tot de schending van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, dient opgemerkt dat deze bepaling stelt dat de minister een vluchtelingenverklaring niet meer in aanmerking kan nemen indien reeds voorheen eenzelfde verklaring werd afgelegd; dat in casu de vluchtelingenverklaring in aanmerking blijkt te zijn genomen en beoordeeld te zijn geweest door de bevoegde instanties; dat de schending van deze bepaling niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de artikelen 3 en 9 van het E.V.R.M. niet dienstig kunnen worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing waarbij, zonder een terugleidingsmaatregel te nemen, uitsluitend uitspraak wordt gedaan over de hoedanigheid van vluchteling; dat artikel 6 van het E.V.R.M. in deze niet toepasselijk is aangezien de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen uitspraak doet over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging; dat nu de artikelen 3, 6 en 9 van het E.V.R.M. in deze niet dienstig kunnen worden ingeroepen, ook de schending van artikel 13 van het E.V.R.M. tevergeefs wordt ingeroepen; dat deze verdragsbepaling vereist dat wie zich op deze bepaling beroept, het slachtoffer is van een schending van één van de door het Verdrag gewaarborgde rechten; dat de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet wordt ontwikkeld in het middel; dat het uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen of de vreemdeling gepoogd heeft de Belgische autoriteiten te misleiden; dat deze beoordeling door de Raad van State, optredend als administratieve cassatierechter, niet kan worden overgedaan; dat de doorslaggevende overweging als volgt luidt: “Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (J. HATHAWAY, The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84); dat de afgelegde verklaringen niet in strijd mogen zijn met algemeen bekende feiten; dat de kandidaat-vluchteling een poging moet ondernemen het relaas te staven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan XIV-22.312-4/6 worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guidé des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, januari 1992, nr. 204); dat appellant evenwel heeft gepoogd de Belgische autoriteiten te misleiden; dat hij ter ondersteuning van zijn relaas een “Summon to an accused person” een “Warrant of Arrest” en een “Bond and Bailbond on preliminary Inquiry” bijbrengt; dat echter uit een expertiserapport, toegevoegd aan het dossier van de Commissie onder stuk 27, blijkt dat de Summon to an accused person is opgesteld in het Bengali, doch de hoofding in het Engels, wat strijdig is met de Bengali Language Introduction Act van 1987 en dit document inhoudelijk een contradictie vertoont door enerzijds te bevelen dat betrokkene zich in persoon, of vertegenwoordigd doorzijn advocaat, op 8 maart 2003 dient aan te bieden op de rechtbank en anderzijds dat hij dertig dagen krijgt om aanwezig te zijn op deze rechtbank; dat het expertiserapport betreffende het Warrant of Arrest opmerkt dat het is voorzien van de handtekening en een met inkt aangebrachte stempel, en derhalve geen fotokopie, van rechter Abul Kalam van de First Class, Sadar Court, Feni van 2 januari 2002 waardoor dit stuk een origineel karakter krijgt; dat dergelijke stukken interne documenten zijn tussen de rechtbanken en de politie waarvan de beschuldigde of zijn advocaat nooit worden in bezit gesteld; dat het volgens het expertiserapport onmogelijk is dat een tweede rechter, zoals blijkt uit voormelde toegevoegde handtekening van Abul Kalam, een Warrant of Arrest attesteert dat een jaar voordien door een andere rechter werd uitgevaardigd; dat het expertiserapport met betrekking tot de Bond and Bailbond on preliminary Inquiry stelt dat het een fotokopie betreft die niet werd afgeleverd volgens de daartoe voorziene bijzondere procedure en het in dit kader eveneens onmogelijk is dat deze fotokopie op 2 januari 2002 eveneens met originele handtekening en stempel werd geattesteerd door Abul Kalam; dat daarenboven deze attestatie onzinnig is vermits deze bond reeds vijf jaar voordien, in 1997, aan een ander magistraat werd voorgelegd; dat derhalve de Commissie oordeelt dat voormelde door appellant bijgebrachte stukken vals zijn en zij ter zitting vaststelt dat appellant dienaangaande geen enkel tegenbewijs bijbrengt; dat op basis van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” de asielaanvraag moet worden verworpen (R.v.St., X, nr. 100.045, 23 oktober 2001);”; dat daaruit niet kan worden besloten dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen bij het nemen van de bestreden beslissing een manifeste appreciatiefout heeft begaan; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen op afdoende blijkt wijze aan te geven waarom zij van oordeel is dat de door verzoeker aangebrachte stukken vals zijn; dat de eerbiediging van de rechten van verdediging niet inhoudt dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motieven op grond waarvan ze voornemens is een beroep af te wijzen vooraf dient mee te delen aan de vreemdeling; dat in casu dient vastgesteld dat de verzoekende partij gebruik heeft gemaakt van documenten die vals zijn; dat hij zijn rechten van verdediging daadwerkelijk heeft kunnen aanwenden; dat uit het administratief dossier blijkt dat het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in eerste instantie door een alleenzetelende rechter werd behandeld, doch er tijdens deze behandeling elementen naar voren kwamen die verhinderden dat het beroep als kennelijk ongegrond werd beschouwd; dat moet worden vastgesteld dat op 8 maart 2005 een derde zitting van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in verzoekers zaak werd georganiseerd; dat verzoeker telkens op de zittingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verscheen; dat in de gegeven omstandigheden niet kan worden staande gehouden dat hij niet voor zijn rechten is kunnen opkomen; dat het enig middel, in de mate dat het al ontvankelijk is, niet gegrond is; XIV-22.312-5/6
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-22.312-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div