← België

Arrest 153231 - - 04/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.231 Rolnummer: A. 139250/XIV-15977 Zaak: Arrest 153231 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-16 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.231 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.231 van 4 januari 2006 in de zaak A. 139.250/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BAHRAMI, kantoor houdende te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 229 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 25 juni 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juni 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 30 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 december 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-15.977-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat A. BAHRAMI verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Iraanse nationaliteit, is België binnengekomen op 29 november 2000 en heeft zich op 30 november 2000 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 30 november 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 11 juni 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran. Ten tijde van de conflicten aan de Universiteit van Iran in de vierde of de vijfde maand van 1378 (Perzische kalender, stemt overeen met juni - juli 1999 in de Gregoriaanse kalender) had u een winkel niet ver van de plaats waar de conflicten plaatsvonden. U nam zelf niet deel aan de manifestaties, maar werd wel gedurende 24 uur vastgehouden door de Bassidj-e Mostazafan (Mobilisatie van de Verdrukten), die ook heel wat mensen arresteerde die toevallig in de straat aanwezig waren. U moest de hele nacht op het kantoor van de Bassidj blijven en kreeg regelmatig slaag. U werd door hen gedwongen te zeggen tot welke politieke groep u behoorde en wie de demonstraties organiseerde. Voor uw vrijlating moest u een document ondertekenen waarin u beloofde dat, indien u ooit nog eens gearresteerd zou worden, u dan zou moeten bekennen tot welke politieke groep u behoorde en wie de studentenprotesten coördineerde. Ergens in het begin van 1379 (lente 2000) speelde u mee in een toneelstuk over de politieke situatie in Iran, meer bepaald een satire over het machtsmisbruik van de Sepah-e Pasdaran-e Enghelab (Korps van de Revolutiewachters). U vertolkte de rol van ex-president Rafsanjani. U bent bij dat toneelstuk betrokken geraakt door een meisje dat u op straat had leren kennen: Sanaz Jamshidi, een studente aan de Universiteit van Teheran met wie u een relatie had. Het toneelstuk werd slechts één keer en enkel onder vrienden opgevoerd, maar het werd wel op videofilm vastgelegd. Een maand voor uw vertrek naar België vernam u via een vriendin van Sanaz dat Sanaz drie à vier dagen voordien (in de zevende maand van 1379, m.a.w. september - oktober 2000) gearresteerd was, vermoedelijk door het Ettelaat (Ministerie van Informatie) of de Sepah, omdat ze had deelgenomen aan de XIV-15.977-2/9 studentenbetogingen in de vierde of de vijfde maand van 1378 (juni - juli 1999) en dat men de videofilm van het toneelstuk had gevonden. U hebt sindsdien niets meer van Sanaz vernomen. Drie à vier dagen nadat u over de arrestatie van uw vriendin had gehoord, bent u, uit angst ook gearresteerd te zullen worden omwille van uw relatie met Sanaz en uw aandeel in het toneelstuk, naar een vriend in Sari (Noord-Iran) getrokken. Daar vernam u van uw familie dat het Ettelaat of de Sepah twee keer bij u thuis op zoek was geweest naar u. U bleef een tweetal weken in Sari en keerde dan terug naar Teheran, waar u onderdook bij vrienden en familieleden, om er op zoek te gaan naar een smokkelaar. Op 15 of 16 november 2000 verliet u Iran en kwam naar België, waar u aankwam op 29 november 2000 en de volgende dag asiel aanvroeg. Intussen is men nog twee keer bij u thuis langs geweest op zoek naar u en is uw vader één keer meegenomen voor ondervraging. Ter ondersteuning van uw identiteit hebt u de volgende documenten voorgelegd: een kopie van de eerste bladzijde van uw boekje van burgerlijke stand; een kopie van uw afzwaaikaart van het leger; een kopie van uw Iraans rijbewijs. B. Motivering Tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken hebt u geen enkel gewag gemaakt van het satirische toneelstuk waarin u een voorname rol speelde en de videofilm die daarvan zou zijn gemaakt. Nochtans stelde u tijdens uw gehoor in dringend beroep dat het toneelstuk de oorzaak is van uw problemen (CGVS-gehoorverslag p.10) en dat de kwestie van de film zeer belangrijk is omdat u Rafsanjani had geïmiteerd (CGVS- gehoorverslag p.21). Het feit dat u dergelijke belangrijke elementen uit uw asielrelaas niet eerder hebt vermeld, ondermijnt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas op fundamentele wijze. Gevraagd naar de reden waarom u dermate belangrijke informatie toen niet hebt meegedeeld, antwoordde u dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken niet alles durfde te vertellen omdat u bang was. Voor u was de Dienst Vreemdelingenzaken een onbekende organisatie die u wilde ondervragen (CGVS-gehoorverslag p.20). Die verklaring kan echter niet als een afdoende uitleg worden beschouwd, temeer daar blijkt dat u ook in uw verzoekschrift tot dringend beroep met geen woord gerept hebt over het toneelstuk en de video-opname. Bovendien hebt u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend. Voorts zijn in uw opeenvolgende verklaringen een aantal tegenstrijdigheden te bespeuren. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingenzaken dat Sanaz geen studente was (DVZ-gehoorverslag p.7). Op het Commissariaat-generaal beweerde u dat Sanaz studeerde aan de Universiteit van Teheran (CGVS-gehoorverslag p.9). U vertelde voorts op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u reeds terug in Teheran was toen u van uw moeder vernam dat het Ettelaat of de Sepah twee keer bij u thuis was langs geweest (DVZ-gehoorverslag p.7). Tijdens het gehoor in dringend beroep stelde u weliswaar dat u dit nieuws vernam toen u ondergedoken was in Sari (CGVS-gehoorverslag p.15). Gelet op bovenstaande vaststellingen kan aan uw verklaringen omtrent uw vrees gearresteerd te zullen worden omwille van uw relatie met Sanaz en de videofilm met het toneelstuk geen geloof gehecht worden. Ten slotte dateert uw arrestatie door de Bassidj van halverwege 1999, i.e. ongeveer anderhalf jaar voor uw vlucht uit Iran en hebt u dit voorval zelf niet aangehaald als de rechtstreekse aanleiding voor uw vertrek. Bovendien werd u na 24 uur weer vrijgelaten. Het betreft hier een eenmalig gebeuren, wat hoegenaamd niet gelijkgesteld kan worden met een daadwerkelijke, systematische vervolging door de Iraanse autoriteiten. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving XIV-15.977-3/9 van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Pris de la violation de l'article 1er de la Convention de Genève du 28 juillet 1951 relative au statut des réfugiés, des articles 48, 52 et 62 de la loi du 15 décembre 1980 relative à l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, des articles 1er à 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, du principe général de bonne administration et du contradictoire, et de l'erreur manifeste d'appréciation; EN CE QUE la partie adverse estime que la demande d'asile formée par le requérant, est, à la fois frauduleuse et manifestement non-fondée; qu'à ses yeux, les omissions et contradictions émaillant les récits successifs du requérant ôtent toute crédibilité aux motifs invoqués à l'appui de la demande d'asile; que la partie adverse considère, en outre, que la seule arrestation subie par le requérant ne reflète pas une persécution effective et systématique dans son chef. ALORS QU'il découle des articles 62 de la loi du 15 décembre 1980 et 3 de la loi du 29 juillet 1991 la décision administrative prise à l'encontre du requérant doit être légalement motivée; Que la loi du 29 juillet 1991 érige en principe l'obligation de motiver formellement toute décision administrative de portée individuelle (art. 2); que la motivation «consiste en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision». «Elle doit être adéquate» (art. 3); Que l'étendue de la motivation doit être proportionnelle à l'importance de la décision (LEROY M., «La nature, l'étendue et les sanctions de motiver», Rapport de la journée d'études de Namur du 8 mai 1992 sur la motivation formelle des actes administratifs, 12-13) ; Qu'en outre, la motivation doit encore être «adéquate», ce qui signifie qu'elle doit manifestement avoir trait à la décision, qu'elle doit être claire, précise, complète et suffisante. Que les dispositions visées au moyen font interdiction à la partie adverse de refuser le séjour à un candidat réfugié politique dès l'instant où il n'est pas démontré par elle que sa demande serait manifestement étrangère à la Convention de Genève ou serait frauduleuse;
  8. Qu'il convient de souligner que la partie adverse opère une disqualification abusive du motif de demande frauduleuse, en ce que pour qu'une demande d'asile soit considérée comme frauduleuse, il doit être prouvé que le requérant ait voulu délibérément tromper les autorités belges de l'asile; que tel n'est pas le cas en l'espèce; qu'en effet, le fait pour le requérant d'avoir commis certaines contradictions ou omissions, ne suffit pas à démontrer que le requérant ait tenté de tromper les autorités belges de l'asile ; que ce faisant, la partie adverse n'a pas adéquatement motivé sa décision.
  9. Que concernant le grief portant sur l'omission issue de la confrontation des déclarations du requérant à l'Office des étranger avec les propos soutenus au du Commissariat général et portant sur la cassette vidéo de la pièce de théâtre, le requérant, interrogé à ce propos au CGRA, a fourni une explication suffisante; qu'en tout début de l'interview au CGRA le requérant a relaté les problème qu'il a rencontré lors de son audition à l'Office des étrangers; qu'il, par la suite, précisé qu'il n'a pu raconter son récit en détail dans la mesure où lors de son premier contact avec les autorité belge d'asile le requérant a été fermement invité à raconter très brièvement son problème sans donner de détail; qu'il a en outre été informé qu'il aura l'occasion de raconter son récit plus en détail lors d'auditions ultérieures.
  10. Que concernant le grief portant sur les contradictions issues de la confrontation des déclarations du requérant à l'Office des étranger avec les propos soutenus au du Commissariat général, le requérant ne parvient pas à expliquer lesdites contradiction autrement que par une traduction défectueuse de ses propos à l'Office des étrangers; les XIV-15.977-4/9 contradictions relevées par la partie adverse ne sont pas, au vu de l'importance et du sérieux du récit global du requérant, de nature à porter le discrédit sur l'ensemble des faits invoqués à l'appui de la demande et la réalité des craintes mises en avant; Que la requérant produit, en effet, un récit particulièrement étoffé et précis de sorte que la partie adverse n'a pu sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation, estimer que certaines contradictions, à les supposer établies, quod non, pouvaient suffire à écarter la demande dès le stade de la recevabilité; Qu'en tout état de cause, il convient de relever que la partie adverse s'est, en méconnaissance du principe du contradictoire, abstenue de confronter le requérant avec les contradictions qui lui sont imputées en termes de décision;
  11. Que concernant la circonstance que les motifs invoqués par le requérant à l'appui de sa demande d'asile ne refléteraient pas une «persécution effective et systématique», il convient de remarquer que la partie adverse tente vainement d'écarter l'arrestation subie par le requérant en 1999 pour la raison que le requérant ne l'aurait pas directement invoqué à l'appui de sa demande ; qu'à cet, égard, il convient de noter que le requérant a pris la pénible décision de quitter son pays après évaluer avec raison le risque de persécution dans son chef après l'arrestation de Sanaz notamment au regard de sa précédente arrestation; Que la partie adverse ne pouvait, sans dénaturer l'esprit de la Convention de Genève, exiger une « persécution effective et systématique » ; que l'existence d'une crainte réelle de persécution suffit à l'application de ladite Convention ; que de surcroît, le requérant a souligné qu'il a été, effectivement, arrêté, détenu et sévèrement frappé par les autorités iraniennes ; que la partie adverse a, dès lors, omis d'apprécier la crainte réelle de persécution dans le chef du requérant au regard des motifs invoqués à l'appui de la demande d'asile notamment l'arrestation de Sanaz, la saisie de la cassette vidéo, de la venue des agent d'Etelaat au domicile du requérant à sa recherche et de l'arrestation du père du requérant. Que l'acte entrepris méconnaît ainsi les règles visées au moyen et doit dès lors être annulé par Votre haute juridiction.”; 2.2.
  12. Overwegende dat in een enig middel verzoeker zich beroept op de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève, de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, met name het tegensprekelijk debat; dat verzoeker meent dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tevens een “manifeste beoordelingsfout” heeft begaan; 2.2.
  13. Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet een algemeen geformuleerd artikel is dat het recht op asiel voor bepaalde personen omschrijft en geen automatisme inhoudt voor personen die zich op de Vluchtelingenconventie beroepen om asiel te verkrijgen; 2.2.
  14. Overwegende dat het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen aan de Verdragsluitende Staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische Overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, §1, 2/, a) en 7/ van de Vreemdelingenwet de XIV-15.977-5/9 Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag concludeert en dit omwille van de volgende motieven: “(...) Tijdens het gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken hebt u geen enkel gewag gemaakt van het satirische toneelstuk waarin u een voorname rol speelde en de videofilm die daarvan zou zijn gemaakt. Nochtans stelde u tijdens uw gehoor in dringend beroep dat het toneelstuk de oorzaak is van uw problemen (...) Voorts zijn in uw verklaringen een aantal tegenstrijdigheden te bespeuren. (...) Ten slotte dateert uw arrestatie door de Bassidj van halverwege 1999, i.e. ongeveer anderhalf jaar voor uw vlucht uit Iran en hebt u dit voorval zelf niet aangehaald als de rechtstreekse aanleiding voor uw vertrek. (...)”; 2.2.
  15. Overwegende dat verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen slechts kan beslissen dat een asielaanvraag bedrieglijk is wanneer bewezen is dat de asielzoeker moedwillig de Belgische overheid heeft willen bedriegen; dat verzoeker meent dat het aanhalen van enkele tegenstrijdigheden niet voldoende is om vast te stellen dat verzoeker de overheid heeft willen bedriegen; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker stelt, het bedrieglijk karakter, onder meer, kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene tegenstrijdig zijn of niet overeenstemmen met geloofwaardige gegevens waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft vastgesteld dat verzoeker het hoofdmotief van zijn vlucht niet heeft vermeld bij de Dienst Vreemdelingenzaken; dat het gegeven dat men bij de aanvang van de asielprocedure het hoofdmotief van een vlucht niet vermeldt, voldoende kan zijn om tot de bedrieglijkheid te besluiten; 2.2.
  16. Overwegende dat verzoeker stelt dat hij bij de aanvang van het verhoor bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de problemen die hij gekend heeft tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft uiteengezet; dat hij vervolgens duidelijk heeft uitgelegd dat hij tijdens het verhoor bij de Dienst XIV-15.977-6/9 Vreemdelingenzaken verzocht werd zijn problemen kort uiteen te zetten; dat uit het verhoorverslag blijkt dat verzoeker verklaarde dat hij bij de Dienst Vreemdelingenzaken niet alles zo uitgebreid kon vertellen; dat uit de verklaring voor de reden waarom hij dit niet vermeldde bij de Dienst Vreemdelingenzaken geenszins blijkt dat men hem verzocht kort zijn problemen uiteen te zetten; dat verzoeker het theaterstuk en de video evenmin als asielmotief in zijn dringend beroep vermeldde; dat de verklaring die verzoeker thans geeft niet aannemelijk is; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve de door verzoeker tijdens het betreffende verhoor afgelegde verklaringen in aanmerking kon nemen bij het nemen van de bestreden beslissing; 2.2.
  17. Overwegende dat verzoeker stelt dat vastgestelde tegenstrijdigheden slechts kunnen verklaard worden door een slechte vertaling van zijn verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken, dat de tegenstrijdigheden niet van die aard zijn dat ze het gehele asielrelaas kunnen ondermijnen en in elk geval niet voldoende zijn om zijn aanvraag af te wijzen in het stadium van de ontvankelijkheid, dat hij niet werd geconfronteerd met de tegenstrijdigheden vermeld in de bestreden beslissing zodat het principe van het tegensprekelijk debat werd miskend; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij zowel op de Dienst Vreemdelingenzaken als op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uitgebreid de gelegenheid heeft gekregen om zijn asielmotieven uiteen te zetten; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoeker geen opmerkingen heeft geformuleerd terwijl hij daartoe wel de mogelijkheid had, vermits zijn verklaringen hem op het einde van het interview werden voorgelezen; dat door het plaatsen van zijn handtekening onder het verhoor, verzoeker bevestigde dat het verhoorverslag overeenstemt met de verklaringen die hij heeft afgelegd; dat uit het uitgebreid verhoorverslag van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bovendien blijkt dat verzoeker geen enkele opmerking gemaakt heeft over een eventuele slechte vertaling van de tolk; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve de door verzoeker tijdens het betreffende verhoor afgelegde verklaringen in aanmerking kon nemen bij het nemen van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van geen enkele wettekst, noch van enig rechtsbeginsel verplicht was de asielzoeker te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier en van het verhoor; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen jurisdictionele beslissing neemt zodat het beginsel van de rechten van verdediging niet van toepassing is; dat uit de nalezing van het verhoorverslag trouwens blijkt dat verzoeker verschillende keren werd gewezen op de nadelige elementen in zijn verklaringen en dat hij tijdens het verhoor de nodige uitleg heeft kunnen verschaffen over tegenstrijdigheden die werden vastgesteld en het niet vermelden van het hoofdmotief; 2.2.
  18. Overwegende dat in een vierde onderdeel verzoeker stelt dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij zijn arrestatie van 1999 niet meteen heeft vermeld terwijl XIV-15.977-7/9 hij de zware beslissing om te vluchten pas heeft genomen op het ogenblik dat Sanaz werd gearresteerd; dat vooreerst dient opgemerkt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker over Sanaz tegenstrijdige verklaringen aflegde die door hem in het verzoekschrift niet worden weerlegd; dat bovendien uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker in 1999 éénmaal werd gearresteerd en 24 uur later weer werd vrijgelaten, hetgeen door verzoeker niet wordt betwist; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen derhalve in redelijkheid kon beslissen dat deze niet kan gelijkgesteld worden met een daadwerkelijke en systematische vervolging door de Iraanse autoriteiten; dat dient opgemerkt dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het geheel van de zin de bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel tot de weigeringsbeslissing heeft geleid; dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat de weergegeven motivering buiten alle redelijkheid is; dat hij evenmin aantoont dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een manifeste appreciatiefout heeft begaan; dat de bestreden beslissing, na een uiteenzetting van het vluchtrelaas, gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveren; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  19. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-15.977-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.977-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.