← België

Arrest 153237 - - 04/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.237 Rolnummer: Zaak: Arrest 153237 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.237 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.237 van 4 januari 2006 in de zaken A. 153.565/XIV-20.084 153.567/XIV-20.

  1. In zake : I. XXX, II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. MANDELBLAT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, A. Reyerslaan 41, bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 8 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 8 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 26 mei 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikkingen van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikkingen van 13 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2005; XIV-20.084-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. MANDELBLAT, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de procedure. 1.
  3. Overwegende dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen, gesteund is op de niet-erkenning als vluchteling van XXX, haar moeder; dat in het belang van een goede rechtsbedeling het aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen; 1.
  4. Overwegende dat de raadsman van de verzoekende partijen ter gelegenheid van de vaststelling ter terechtzitting een nota neerlegt als repliek op het verslag van het auditoraat; dat de nota niet door het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt voorzien; dat de nota uit de debatten wordt geweerd; 2.
  5. Over het beroep van XXX. 2.1.
  6. Overwegende dat in een eerste middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoekster aanvoert dat de voorgelegde stukken eenvoudigweg als niet-authentieke documenten worden bestempeld zonder dit op overtuigende wijze te motiveren, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich beperkt tot het overnemen van de redengeving van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zonder zelf een onderzoek te voeren, terwijl zij op eenvoudige wijze de waarachtigheid van haar verklaringen had kunnen toetsen, dat het geheel van haar verklaringen coherent is en zij op geen enkel moment tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, dat de voorgelegde documenten authentiek zijn, dat het verschil in handtekening op twee documenten met dezelfde ondertekenaar te verklaren is doordat het tweede document door de secretaris van de partijvoorzitter werd ondertekend, dat de handtekening op het derde attest evenwel dezelfde is als deze op het eerste attest en dat er geen sprake van XIV-20.084-2/5 is dat deze zou zijn gefotokopieerd, dat wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen -in tegenstelling tot het door haar geleverde bewijs- zijn informatie bekomt van de lokale instanties, het normaal is dat deze informatie onvolledig is gezien de aldaar heersende corruptie, dat de explosie van haar huis daarentegen blijkt uit het door haar neergelegde origineel exemplaar van een publieke krant, dat het feit dat het een rechtsgeoriënteerde krant is en dat de inhoud van het artikel niet correspondeert met de titel ervan niet aan haar toe te schrijven is, dat zij, indien zij daadwerkelijk de intentie zou hebben gehad om een artikel te laten publiceren, zij een adequate titel zou hebben gekozen, dat haar degradatie en loonsvermindering inderdaad geen levensbedreigende problemen zijn doch dat de overige door haar aangehaalde feiten (doodsbedreigingen, het stilzitten van de politie, de explosie van haar huis) wél belangrijk zijn, en dat zij niet alleen vervolgd werd omwille van de activiteiten van haar echtgenoot doch ook omwille van haar eigen politieke engagement; 2.1.
  7. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in de bestreden beslissing uitvoerig aangeeft waarom de voorgelegde documenten dubieus zijn en de geloofwaardigheid van haar asielrelaas ondermijnen; dat het daarbij uitsluitend aan de feitenrechter toekomt om te oordelen over de betrouwbaarheid van zijn informatiebronnen en om te oordelen of de door de vreemdeling afgelegde verklaringen coherent zijn, of de voorgelegde documenten authentiek zijn, en of de handtekening op het derde attest gefotokopieerd is; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zonder schending van de wet hiertoe kon besluiten, zonder dat hij daarvoor een expertise moet bevelen; dat het de Raad van State als administratief cassatierechter niet toekomt de betreffende appreciaties van de feitenrechter over te doen; dat uit niets blijkt dat de reden die verzoekster thans opgeeft voor het verschil in de handtekeningen op de twee attesten met dezelfde ondertekenaar, te weten dat het tweede attest door de secretaris van de partijvoorzitter zou zijn ondertekend, te gelegener tijd aan het oordeel van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen is onderworpen; dat deze verklaring door de Raad van State als administratieve cassatierechter dan ook niet in aanmerking wordt genomen; dat, wat de persoonlijke problemen betreft, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen genoegzaam motiveert waarom deze haar inziens niet tot de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van verzoekster kunnen leiden, met name omdat de voorgehouden problemen van lokale aard zijn en er een binnenlands vestigingsalternatief voorhanden is; dat de enkele omstandigheid dat de Vaste Beroepscom- missie voor vluchtelingen zich aansluit bij een aantal door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde weigeringsmotieven, niet betekent dat de bestreden beslissing onzorgvuldig tot stand gekomen is of gebrekkig met redenen is omkleed; dat de motivering van de bestreden beslissing overigens genoegzaam doet blijken dat tijdens de beroepsprocedure nader werd ingegaan op en dat verzoekster werd XIV-20.084-3/5 geconfronteerd met voormelde motieven; dat het eerste middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is; 2.2.
  8. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 13 van het E.V.R.M., gelet op het feit dat het risico bestaat dat de Dienst Vreemdelingenzaken een verwijderingsmaatregel neemt, niettegenstaande het hangende beroep bij de Raad van State; 2.2.
  9. Overwegende dat de schending van artikel 13 van het E.V.R.M. niet op zichzelf kan worden ingeroepen, doch enkel wanneer rechten en vrijheden welke in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, hetgeen door verzoekster niet wordt aangetoond; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
  10. Over het beroep van XXX. 2.2.
  11. Overwegende dat tweede verzoekster dezelfde middelen als haar moeder, eerste verzoekster, aanvoert; 2.2.2.
  12. Overwegende dat, wat het eerste middel betreft, niet wordt betwist -integendeel- dat verzoekster haar asielaanvraag heeft verbonden aan de asielaanvraag van haar moeder; dat de te haren opzichte genomen beslissing dan ook voldoende gemotiveerd is door de verwijzing naar de niet-erkenning van haar moeder als vluchteling; dat, indien het beroep van haar moeder wordt verworpen, de te haren opzichte genomen beslissing definitief wordt en niet langer de onwettigheid ervan kan worden aangevoerd; 2.2.2.
  13. Overwegende dat het tweede middel om dezelfde reden als voor haar moeder moet worden verworpen;
  14. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. De zaken nummers A. 153.565/XIV-20.084 en 153.567/XIV-20.085 worden gevoegd. XIV-20.084-4/5 Artikel
  16. De beroepen worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.084-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.237 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.