← België

Arrest 153274 - - 04/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.274 Rolnummer: Zaak: Arrest 153274 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.274 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.274 van 4 januari 2006 in de zaken nrs. A. 154.491/XIV-20.

  1. 154.492/XIV-20.342 In zake : I.XXX II. XXX wonende te 2170 MERKSEM, Lange Bremstraat 106, bus 43 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 5 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 3 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 5 augustus 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 3 juni 2004 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikkingen van 12 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikkingen van 14 juli 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 november 2005; XIV-20.341-1/3 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. LIARNIELLO die, loco Advocaat V. NEUT verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Samenvoeging van de beroepen. Overwegende dat XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de vernietiging vragen van de beslissing waarbij hun de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de niet-erkenning van XXX, haar echtgenoot; dat derhalve het, in het belang van een goede rechtsbedeling, aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de ontvankelijkheid. 2.
  4. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat hun belang bestaat uit het wensen te verkrijgen van het rechtmatig statuut van erkend vluchteling om in België een nieuw maatschappelijk geëngageerd leven op te bouwen met hun gezin, dat gelet op hun regularisatie op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de verkrijging van hun vluchtelingenstatuut voor hen niet meer noodzakelijk is om in België te kunnen verblijven, doch het bekomen van deze hoedanigheid voor hen op moreel vlak onontbeerlijk is gelet op het feit dat zij zich enorm gekwetst voelen en menen dat zij onterecht en oneervol werden behandeld door de motivering van de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen waarbij hun erkenning werd geweigerd; 2.
  5. Overwegende dat uit de uiteenzetting van het belang in de verzoekschriften kan worden afgeleid dat het enige reële belang dat de verzoekende partijen aanvoeren bij hun beroep erin bestaat hun gekrenkte eer hersteld te zien; dat zij zelfs onomwonden toegeven dat de erkenning als vluchteling, die wordt beoogd in de huidige procedure, niet noodzakelijk is om hun verblijf in België te bestendigen; dat dit erop neerkomt dat de huidige beroepen slechts worden ingesteld om een middel gegrond te horen XIV-20.341-2/3 verklaren; dat het aangevoerde moreel belang aldus moet worden beschouwd als een onrechtstreeks belang dat niet beantwoordt aan het rechtens vereiste belang; dat de beroepen onontvankelijk zijn;
  6. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De zaken nrs. A. 154.491/XIV-20.341 en 154.492/XIV-20.342 worden gevoegd. Artikel
  8. De beroepen worden verworpen.. Artikel
  9. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-20.341-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.