id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.277 Rolnummer: A. 156749/XIV-20931 Zaak: Arrest 153277 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-24 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.277 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 153.277 van 4 januari 2006 in de zaak A. 156.749/XIV-20.
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat Jos DRIESSENS, kantoor houdende te 3665 AS, Nieuwstraat 21 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 6 augustus 1975 en van Turkse nationaliteit, op 21 oktober 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 juni 2004 waarbij verzoekers visumaanvraag werd geweigerd, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 juni 2004; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 5 september 2005 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en overgemaakt aan de bevoegde kamer op 6 september 2005; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 30 november 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; XIV-20.931-1/5 Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. VANHEES die, loco Advocaat J. DRIESSENS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Op 20 juli 2002 is verzoeker te Genk gehuwd met E. R., van Belgische nationaliteit. 1.
- Op 13 augustus 2002 diende verzoeker bij de ambassade van België te Ankara (Turkije), een eerste aanvraag in tot het bekomen van een visum type D (gezinshereniging). Op 12 september 2002 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de visumaanvraag, op grond van het feit dat verzoeker een gevaar voor de openbare orde zou uitmaken. Tegen deze weigeringsbeslissing diende verzoeker geen beroep in. 1.
- Op 29 november 2002 diende verzoeker een tweede maal een aanvraag in tot het bekomen van een visum type D (gezinshereniging). Op 6 december 2002 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de visumaanvraag. Tegen deze weigeringsbeslissing diende verzoeker geen beroep in. 1.
- Op 2 april 2003 diende verzoeker een derde maal een aanvraag in tot het bekomen van een visum type D (gezinshereniging). Op 11 juli 2003 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de visumaanvraag. Op 23 juni 2004 nam de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van de visumaanvraag. Deze beslissing werd verstuurd naar de Belgische Consul te Ankara. Op 23 juni 2004 werd deze beslissing te Ankara aan verzoeker betekend. Op 25 oktober 2004 werd deze weigeringsbeslissing meegedeeld aan de Advocaat van verzoeker in België. Dit is de thans bestreden beslissing, en deze is als volgt gemotiveerd: XIV-20.931-2/5 “(...) Tot mijn spijt moet ik u meedelen dat uw visumaanvraag die u op basis van gezinshereniging heeft ingediend op 23/06/2004 door de Ministerie van Binnenlandse Zaken, beslissingnummer 5142083, werd geweigerd. De reden van weigering van uw vorige aanvraag werd gehandhaafd. Alhoewel uw strafregister geschrabd (geschrapt) werd, blijft de door u gepleegde straf nog steeds vast. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van artikel artikel 10, 4/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het niet verlenen van een visum omwille van het feit dat verzoeker een gevaar zou betekenen voor de openbare orde, slechts een preventieve maatregel is in het kader van een politieke manifestatie of bijeenkomst; dat verzoeker stelt dat, van zodra de geviseerde manifestatie of bijeenkomst heeft plaatsgevonden, de binnenkomst in België niet meer mag worden geweigerd op grond van de overweging dat verzoeker een gevaar zou betekenen voor de openbare orde; dat verzoeker uiteenzet dat, overeenkomstig artikel 10, 4/ van de Vreemdelingenwet, “de vreemdeling die de echtgenoot is van een tot een verblijf in het Rijk toegelaten of gemachtigde vreemdeling of van een tot vestiging aldaar gemachtigde vreemdeling en die met deze komt samenleven”, van rechtswege is toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, voor zover de beide betrokkenen ouder zijn dan achttien jaar; dat verzoeker betoogt dat zijn echtgenote sinds 27 juli 2000 in het bezit is van de Belgische nationaliteit; dat verzoeker aanvoert dat hij gerechtigd is tot een verblijf in België van meer dan drie maanden; dat verzoeker betoogt dat hem ten onrechte geen visum werd verleend op basis van gezinshereniging; dat verzoeker stelt dat de reden waarom hem geen visum werd verleend volledig is achterhaald, aangezien verzoeker beschikt over een blanco strafblad en bijgevolg onmogelijk een gevaar zou kunnen betekenen voor de openbare orde; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord aanvoert dat verzoeker “een visumaanvraag ‘gezinshereniging’ (indiende) (...) in toepassing van het art. 40 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, en niet in toepassing van het art. 10, 4/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980.”; dat de verwerende partij stelt dat verzoeker zich niet dienstig kan beroepen op voormeld artikel 10, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat de verwerende partij besluit dat “het enig middel naar recht (faalt).”; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de binnenkomst en het verblijf van een vreemdeling, overeenkomstig artikel 43 van de Vreemdelingenwet, kan worden geweigerd om redenen van openbare orde; dat verzoeker stelt dat het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling op zich evenwel niet XIV-20.931-3/5 voldoende is om een EG-vreemdeling de binnenkomst te weigeren; dat verzoeker betoogt dat er eveneens moet worden nagegaan of het persoonlijk gedrag van de betrokkene een gevaar inhoudt voor de openbare orde en de veiligheid; dat verzoeker uiteenzet dat, noch uit het administratief dossier, noch uit de bestreden beslissing, blijkt dat de visumaanvraag werd geweigerd op grond van het persoonlijk gedrag van verzoeker, maar dat enkel wordt verwezen naar de strafrechtelijke veroordeling die betrokkene heeft opgelopen in Turkije; dat verzoeker aanvoert dat hem gratie werd verleend door de Turkse autoriteiten, hetgeen bevestigt dat verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde en de veiligheid; dat verzoeker tenslotte stelt dat de bestreden beslissing een inmenging uitmaakt van het recht van verzoeker op een familiaal leven, en dat de verwerende partij de visumaanvraag diende te onderzoeken, rekening houdend met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat verzoeker niet kan worden gevolgd waar hij stelt dat de weigering van een visum omwille van de openbare orde slechts een preventieve maatregel is in het kader van een politieke manifestatie of bijeenkomst, en dat men de binnenkomst in België niet meer mag weigeren, zodra de geviseerde manifestatie heeft plaatsgevonden; dat deze interpretatie van verzoeker geen steun vindt in de Vreemdelingenwet; dat artikel 43 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een visum kan worden geweigerd wanneer de aanvrager een gevaar uitmaakt voor de openbare orde; dat nergens wordt bepaald dat deze weigering slechts een preventieve maatregel uitmaakt, noch dat het verbod enkel kan slaan op het bijwonen van politieke manifestaties en bijeenkomsten; dat de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikken om te oordelen of een persoon al dan niet een gevaar voor de openbare orde uitmaakt; dat verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor het gebruik van een wapen in een bewoonde zone; dat verzoeker zijn visum “gezinshereniging” bovendien heeft aangevraagd op grond van artikel 40 van de Vreemdelingenwet, zodat er geen sprake is van een schending van artikel 10, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat verzoeker niet aantoont dat de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet op goede gronden tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat uit stuk nr. 199 van het administratief dossier, zijnde een vertaling van een Turks stuk uitgaande van het kabinet van de Procureur-generaal van KAYSERI, gedateerd op 14 juli 2004, niet blijkt dat dit stuk betrekking heeft op verzoeker, vermits de identiteitsgegevens van verzoeker niet werden ingevuld op dit stuk; Overwegende dat het administratief dossier evenmin een uittreksel uit het Belgisch strafblad van verzoeker bevat; XIV-20.931-4/5 Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, een nieuw middel formuleert, nu hij de schending aanvoert van de artikelen 20, 21 en 43 van de Vreemdelingenwet; dat een nieuw middel enkel voor het eerst ontvankelijk kan worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, wanneer het niet kon worden aangevoerd in het verzoekschrift omdat de nodige gegevens daartoe niet bekend waren of wanneer het een middel betreft dat de openbare orde raakt; dat dit in casu niet het geval is; dat dit onderdeel van het enig middel, zoals geformuleerd in de memorie van wederantwoord, niet ontvankelijk is; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-20.931-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.277 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.