← België

Arrest 153283 - - 04/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.283 Rolnummer: A. 169065/XIV-30771 Zaak: Arrest 153283 - - 04/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.283 van 4 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.283 van 4 januari 2006 in de zaak A. 169.065/VII-35.159 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat R. WISSING, kantoor houdende te 2060 Antwerpen, Rotterdamstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 2 januari 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 29 november 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken om de termijn verleend in het bevel om het grondgebied te verlaten, niet meer te verlengen na 31 december 2005, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 26 december 2006; Gelet op de beschikking van 4 januari 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 3 januari 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 januari 2006, om 14.30 u.; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-35.159-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. WISSING, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. De feiten 1.
  2. Verzoeker diende op 4 oktober 2001 een asielaanvraag in. Op 27 november 2001 neemt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen t.o.v. de verzoekende partij een beslissing tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 8 oktober 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  3. Tegen deze beslissing leidt de verzoekende partij bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen bij arrest nr. 110.383 van 17 september
  4. 1.
  5. De verzoekende partij vult het feitenrelaas aan met volgende uiteenzetting: "(...) Verzoeker bood zich vervolgens op 18 december 2002, na afloop van de beroepsprocedure voor de Raad van State, vrijwillig aan om terug te keren naar Somalië, zijn land van herkomst en aldus het bevel om het grondgebied te verlaten uit te voeren. Verzoeker bleek echter niet repatrieerbaar en de Dienst Vreemdelingenzaken verlengt dan ook sedertdien maandelijks het bevel om het grondgebied te verlaten. Op 29 november 2005 besliste de Dienst Vreemdelingenzaken het bevel niet langer te verlengen na 31 december 2005, aangezien "de Directeur-Generaal op een interne vergadering van 24.11.2005 nieuwe instructies gegeven (heeft)". Deze administratieve beslissing werd verzoeker echter niet betekend. Hij nam er dan ook pas kennis van op 26 december 2005, toen hij op de gemeente langsging om het bevel te laten verlengen. Deze weigering tot verlenging van het bevel om het grondgebied te verlaten is de hier bestreden beslissing.".
  6. Beoordeling 2.
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst VII-35.159-2/4 dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat wordt aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent, dat voortvloeit uit de bestreden beslissing en dat door de nagestreefde schorsing ongedaan wordt gemaakt; er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd; de Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht; Met betrekking tot het moeilijk te herstellen nadeel zet de verzoekende partij het volgende uiteen: "Het niet schorsen van de bestreden beslissing zou de tenuitvoerlegging van het bevel om het grondgebied te verlaten tot gevolg hebben. Dat zou betekenen dat verzoeker dient terug te keren naar zijn land van herkomst. Wat het zuiden daarvan betreft, zijn alle internationale rapporten het er over eens dat het er extreem onveilig en gewelddadig is. De tenuitvoerlegging van deze beslissing zou voor verzoeker dan ook een inbreuk op zijn recht op een menswaardige behandeling en zijn recht op leven, zoals beschermd door de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, met zich mee dreigen te brengen. Bovendien zou de uitvoering van de bestreden beslissing verzoeker het recht ontnemen een aanvraag in te dienen op basis van artikel 9, 3de lid, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 om te kunnen genieten van het recht op regularisatie van verblijf voor vreemdelingen wegens onmogelijke terugkeer naar hun land van herkomst. Zowel de bedreiging van zijn recht op een menswaardige behandeling en zijn recht op leven, als het verlies van het recht op machtiging tot verblijf houden ontegensprekelijk een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel in voor verzoeker."; De gevraagde schorsing kan te dezen het door de verzoekende partij aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet weren. Zelfs bij schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, daargelaten de vraag of die beslissing die de uitvoering betreft van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, een voor annulatie vatbare handeling is, verliest dat bevel zijn uitvoerbaarheid niet. Dit bevel wordt als dusdanig met de voorliggende vordering niet bestreden en het nadeel zoals het is aangevoerd, vloeit voort uit dat bevel en niet uit de bestreden beslissing, die een weigering inhoudt de uitvoeringstermijn ervan te verlengen. Bijgevolg is niet aangetoond dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing het aangevoerde nadeel kan berokkenen. Aldus is niet voldaan aan de derde van de bij voornoemd artikel 17 cumulatief opgelegde voorwaarden. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, VII-35.159-3/4 BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari tweeduizend en zes, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. HUYGHEBAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, W. HUYGHEBAERT. E. BREWAEYS. VII-35.159-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.283 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.