← België

Arrest 153291 - - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.291 Rolnummer: A. 158084/XIV-21311 Zaak: Arrest 153291 - - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-12 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.291 van 6 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.291 van 6 januari 2006 in de zaak A. 158.084/XIV-21.

  1. In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat G. VALKENBORG, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Avenue du Port 86V/419 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Soedanese nationaliteit, op 23 november 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 oktober 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 juli 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 21 december 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 15 september 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 23 november 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-21.311-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VALKENBORG, die loco advocaat K. GOVAERTS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. .Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 10 juli 2004 en zich op 13 juli 2004 vluchteling verklaart; dat op 13 juli 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 25 oktober 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart een Soedanees staatsburger te zijn afkomstig van Lou. U groeide op als slaaf van A. R. G.. U heeft uw ouders niet gekend. Uw meester had u op vierjarige leeftijd meegenomen van bij degenen die uw moeder hadden gedood. U hielp uw meester in het huishouden. Op twaalfjarige leeftijd vroeg uw meester u om voor de dieren te zorgen en leefde u buiten het dorp Lou in het bos. U had er een hut en uw meester bezocht u er 1 tot 3 keer per week. In januari 2004 werd u ziek. Eind februari 2004 kwam uw meester naar u toe, hij zag dat de dieren niet hadden gegeten. U werd gestraft en met een koord in een boom gehangen. Na vijf uur kwam uw meester de koord doorknippen en viel u. U vroeg naar uw vader, hierop antwoordde uw meester dat uw vader dood is en dat hij u ook zou doden. In april 2004 zei uw meester u dat wanneer hij zou terugkeren van zijn bedevaart hij u zou offeren. U wachtte tot 15 mei 2004, de dag waarop uw meester op bedevaart trok, om naar het dorp Lou te lopen. U ging naar de priester en legde uw situatie uit. U verbleef er twee weken en kreeg medicatie. U keerde terug naar het bos omdat uw meester zou terugkomen. De priester beloofde u in het bos te komen opzoeken. In juni 2004 kwam de priester langs en u toonde hem hoe u er leefde. U keerde met de priester terug naar het dorp Lou. De priester stelde u voor aan Brutus Ashong die u tot in Khartoum bracht, waar u een week verbleef. Brutus Ashong bracht u naar de luchthaven in Khartoum. U heeft Soedan verlaten op 11 juli 2004 en op 13 juli 2004 in België asiel gevraagd. B. Motivering Allereerst dient te worden vastgesteld dat u doelbewust hebt getracht de Belgische asielinstanties te misleiden door te verzwijgen dat u asiel hebt aangevraagd in Nederland zoals een vergelijking van uw vingerafdrukken, afgenomen bij de Dienst Vreemdelingenzaken met deze waarover de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst beschikt, heeft aangetoond (zie informatie in het administratief dossier). Uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, blijkt dat u op 14 mei 2003 in Nederland aankwam en er asiel aanvroeg. Tijdens het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken ontkende u echter uitdrukkelijk ooit in enig ander EU-land te hebben verbleven of er asiel te hebben aangevraagd (verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken, punt 16 en 26). Geconfronteerd door het Commissariaat-generaal bleef u ontkennen (verhoorverslag CGVS, p. 32). Aangezien u aldus trachtte de Belgische autoriteiten te misleiden, kan bijgevolg geen geloof worden gehecht aan uw verklaringen ter ondersteuning van uw huidige asielaanvraag. Zo ook zijn uw verklaringen voor de Belgische asielinstanties omtrent uw problemen als slaaf van Alaji Radeen Ghasom totaal ongeloofwaardig gezien zij zich situeren op het ogenblik dat u in Nederland verbleef. Daarbij dient te worden vastgesteld dat u voor de Nederlandse Immigratie- en Naturalisatiedienst verklaarde Atotuoma Godwin te heten en te zijn geboren op 11 september 1968 te Arotune, Nigeria, terwijl u voor de Belgische autoriteiten verklaart Shakaj Tobi te heten en te zijn geboren in 1981 in Soedan. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat u geen documenten bezit die toelaten uw identiteit en uw reisweg na te gaan. XIV-21.311-2/6 Uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep bevat verder geen element dat vermag afbreuk te doen aan bovenstaande vaststellingen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  3. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord een exceptie van niet-ontvankelijkheid opwerpt omdat het verzoekschrift tot nietigverklaring geen feitelijke uiteenzetting zou bevatten; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord stelt dat de bestreden beslissing is gesteund op het feit dat de verzoekende partij de Belgische asielinstanties zou hebben trachten te misleiden, dat met de verwijzing daarnaar in het verzoekschrift tot nietigverklaring aan de vereiste van de feitelijke uiteenzetting is voldaan, dat in dat verzoekschrift ook wordt verwezen naar de feiten die de verzoekende partij in het land van herkomst heeft ondergaan en die de grond voor haar asielaanvraag in België vormen en dat de exceptie derhalve ongegrond is; 2.
  5. Overwegende dat de uiteenzetting van de feiten in het verzoekschrift tot nietigverklaring slechts is voorgeschreven met het oog op het situeren van de zaak en voor een goed begrip van de aangevoerde middelen, dit om enerzijds tegemoet te komen aan de rechten van de verdediging en anderzijds de Raad van State toe te laten zijn wettigheidscontrole naar behoren uit te oefenen; dat daarover te dezen geen enkele onduidelijkheid bestaat; dat een afzonderlijke feitelijke uiteenzetting in een afzonderlijk hoofdstuk echter niet is vereist; dat de exceptie wordt verworpen; 3.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als een enig middel kan worden beschouwd de schending opwerpt van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en van de motiveringsplicht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij dit toelicht als volgt: “(...) Dat ten onrechte werd geoordeeld dat de aanvraag van verzoeker ongegrond en zelfs bedrieglijk zou zijn; dat verzoeker betwist dat hij de Belgische asielinstanties zou hebben trachten te misleiden door een eerdere asielaanvraag in Nederland te verzwijgen; dat verzoeker heeft aangetoond dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een vrees voor vervolging; XIV-21.311-3/6 dat de elementen van het dossier niet toelaten om te besluiten dat verzoeker eerder onder een andere naam in Nederland asiel zou hebben aangevraagd; dat de aangevoerde indicaties daartoe onvoldoende zijn; dat de bestreden beslissing in dat opzicht bijgevolg onjuist, onlogisch en niet-coherent is gemotiveerd. Dat verzoeker in zijn land van herkomst Soedan als een slaaf werd behandeld; dat de slavernij in strijd is met de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; dat deze rechten en vrijheden in Soedan niet gewaarborgd zijn; dat zeker niet is bewezen dat de Soedanese autoriteiten tegen deze vorm van slavernij voldoende bescherming bieden; dat de bestreden beslissing ook in dat opzicht onvoldoende is gemotiveerd. Dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft genomen zonder er zich van te vergewissen dat hij over alle elementen beschikte die nodig waren om met kennis van zaken te kunnen oordelen; dat het bestaan van slavernij in Soedan niet werd onderzocht en evenmin of de Soedanese overheid tegen deze slavernij bescherming biedt; dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden; dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar de omstandigheden van de zaak.”; 3.
  7. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Enig middel: schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980, alsook van de Conventie van Genève en de beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betwist dat hij opzettelijk getracht zou hebben de Belgische autoriteiten te misleiden. De elementen in het administratief dossier zouden niet toelaten om tot deze conclusie te komen. Verweerder antwoordt dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker onder een andere naam reeds asiel heeft aangevraagd in Nederland (zie EURIODAC bevestiging en eerste gehoor IND Nederland). Daarnaast blijkt uit de gehoorverslagen van de Belgische asielinstanties dat verzoeker dit meermaals expliciet ontkend heeft voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaatgeneraal (Dienst Vreemdelingenzaken verslag punt 16 en 26, gehoorverslag Commissariaat-generaal p. 32). Verweerder antwoordt dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de ‘bedrieglijkheid’ (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. Ook aanvaardt de Raad dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden afgeleid uit de tegenstrijdigheid van verzoekers diverse verklaringen of extreem vage en incoherente verklaringen (zie arr. nr. 85.078 van 03 februari 2000). De Commissaris-generaal besloot aldus terecht tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag. Volledigheidshalve merkt verweerder op dat de verdere uiteenzetting over verzoekers asielrelaas in zijn summiere verzoekschrift geen relevantie heeft vermits duidelijk vaststaat dat verzoeker opzettelijk getracht heeft de asielinstanties te misleiden. Bovendien zouden verzoekers problemen als slaaf in Afrika zich afgespeeld hebben terwijl hij effectief in Nederland verbleef voor een aanvraag tot asiel. De bestreden beslissing is op correcte wijze genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas, door verzoekende partij zelf aangevoerd tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal, bevat de bevestigende beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren.”; 3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Verzoeker betwist dat uit het dossier op voldoende overtuigende wijze zou blijken dat hij eerder onder een andere naam in Nederland asiel zou hebben aangevraagd: voor zover dit feitelijk element niet voldoende naar recht is bewezen, is meteen ook aangetoond dat de bestreden beslissing niet correct is gemotiveerd en dat de verwerende partij de beslissing heeft genomen zonder alle elementen van de zaak te onderzoeken.”; XIV-21.311-4/6 3.
  9. Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij slechts op algemene wijze haar standpunt herhaalt en beweert dat de commissaris-generaal zijn onderzoek niet grondig genoeg zou hebben gevoerd met betrekking tot het bestaan van slavernij in Soedan; dat zij volledig voorbijgaat aan de concrete motivering van de bestreden beslissing, met name wat betreft haar pogingen om de Belgische asielinstanties te misleiden en het gebruik van verschillende namen in België en in Nederland, waaruit de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag wordt afgeleid; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat één van de door haar aangehaalde bepalingen of beginselen geschonden zou zijn; dat het enige middel ongegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-21.311-5/6 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-21.311-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.291 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.