← België

Arrest 153296 - - 06/01/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.296 Rolnummer: A. 145912/XIV-18225 Zaak: Arrest 153296 - - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-12 Raadplegingen: 188 - laatst gezien 2026-07-03 12:35 Fiche Arrest nr 153.296 van 6 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.296 van 6 januari 2006 in de zaak A. 145.912/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat T. COECKELBERGH, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Britselei 48 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Roemeense nationaliteit, op 24 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de minister van Binnenlandse zaken, genomen op 6 december 2001, betekend aan verzoekster op 26 november 2003 inhoudende een bevel om het grondgebied te verlaten"; Gelet op de beschikking van 8 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.225-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. COECKELBERGH, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 17 mei 1999 een regularisatieaanvraag indient op basis artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat deze aanvraag overeenkomstig artikel 15 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) werd doorgestuurd naar de commissie voor Regularisatie; Overwegende dat op 12 oktober 2001 de commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleent aan de minister van Binnenlandse Zaken; dat dit advies luidt als volgt: “Gelet op de beschikking van 12 juni 2001 van de Vice-Eerste-Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie tot opdracht aan de Vierde Nederlandstalige kamer voor de zitting van 13 juli
  3. De verzoekende partij verscheen in persoon met advocaat Victoria Vandermeeren van de balie Antwerpen. Gezien de verzoekende partij bij het indienen van de aanvraag tot regularisatie verklaarde dat hij behoorde tot de categorieën waarvan sprake in artikel 2-2/ en 2-3/ van de wet van december
  4. Voor al die gevallen moest de verzoekende partij ingevolge artikel 9-1/, 9-2/, 9-3/, 9-4/ en 9-5/ van die wet voor zijn aanvraag het bewijs leveren hier bekend te zijn, daadwerkelijk op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied te hebben verbleven, alle persoonlijke gegevens en samenstelling van gezin te vermelden, copie van documenten tot vaststelling van de eigen identiteit en aanduiding van woon- en verblijfplaats. Aangezien artikel 2, 3/ van de wet van 22 december 1999 een mogelijkheid voor regularisatie voorzag voor wie ernstig ziek is en deze rechtsgrond door de verzoekende partij werd ingeroepen in de ingediende aanvraag tot regularisatie. Gezien artikel 9, 8/ van diezelfde wet de bedoelde vreemdeling een medisch attest moet voorbrengen dat slechts mag overgezonden worden aan de beoefenaars van de geneeskunde die de Commissie voor Regularisatie bijstaan. Op 27 maart 2001 kwam dokter Heidi Bergez, geneesheer bij Ministrieel Besluit van 22 mei 2000 aangeduid om de Commissie voor Regularisatie bij te staan, tot het besluit dat de verzoekende partijen XXX en M. niet ernstig ziek waren en aan geen aandoening leden die zonder behandeling de dood van de persoon tot gevolg heeft, diens levensverwachting inkort of een ernstige handicap veroorzaakt of waarvan de behandeling veelvuldige zorgen en controles vereist of een zware therapie. Deze verzoekers deden zelfs geen enkele ernstige poging meer om die zienswijze te ontkrachten en aan te tonen dat dit niet de juiste beoordeling was geweest. Aangezien de verzoekende partij kennis kon nemen van de nota van 21 mei 2001 van het secretariaat van de Commissie waarin gesteld werd dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig was maar dat er prima facie niet bleek dat de aanvraag tot een gunstig resultaat kon leiden zodat de zaak aanhangig werd gemaakt bij een Kamer van de Commissie (artikel 12 § 3 van de wet van 22 december 1999). XIV-18.225-2/8 De Commissie kon, zoals voorzien in artikel 14 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie, inzage verkrijgen van het dossier van betrokkene bij de dienst Vreemdelingenzaken en dat daar het nummer 4.748.466 draagt en eveneens betrekking heeft op XXX. Er kon eveneens kennis worden genomen van het DVZ-dossier 4.745.254 op naam van Necula Milos. Maar dit was niet het geval voor het DVZ-dossier 4.135.168 op naam van Milos Ana geboren op 3 november 1938, moeder van de verzoeker en die dit verzoek als meerderjarige trouwens in eigen naam zelf had moeten doen. Uit de gegevens van het DVZ-dossier blijkt dat deze in augustus 1999 niet aan te treffen was door de politie van Antwerpen en elders in verlof zou geweest zijn. Op 23 juni 1999 had de politie van Genk reeds opdracht gekregen om de repatriëring van de ganse familie te organiseren na een beslissing van weigering van verblijf. Het Bundeskriminalamt stuurde op 2 oktober 1998 van uit Wiesbaden de hen bekende gegevens over XXX geboren op 8 januari 1973 te Bogdanita en waar ze reeds bekend was in juli
  5. Zluta Milos vroeg zowel op 30 september 1991 als op 3 augustus 1993 asiel aan in Duitsland maar tweemaal werd verblijf geweigerd en op 29 oktober 1993 volgde zelfs een repatriëring met verbod van nieuwe binnenkomst in dat Schengen-land voor betrokkene zelf maar ook voor zijn echtgenote XXX als hun kind Valeriu Milos. In België werd een beslissing genomen van weigering van verblijf met bevel het land te verlaten op 16 oktober 1998 tegenover verzoeker Zlatu Milos en tegenover XXX. In beroep nam de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen hiertegen een bevestigende beslissing van 30 april 1999 (CG/98/19181-B/23D/S98-5525/J/ovp) en op 5 januari 1999 tegenover verzoeker Zlatu Milos (CG/98/19181/23D/S98-5524/J/ovp) en deze beslissingen gingen in kracht van gewijsde. Er moet daarbij worden vastgesteld dat ze zelfs onvoldoende medewerking hadden verleend voor het daarover gevoerde onderzoek. Ter zitting vraagt de verzoekende partij om de aanvraag tot regularisatie uit te breiden met bijkomende rechtsgronden hetzij artikelen 2,2/ en 2,4/ van de wet van 22 december
  6. Artikel 2,2/ voorziet een mogelijkheid tot regularisatie wanneer er om redenen onafhankelijk van de eigen wil niet kan teruggekeerd worden naar het land waar voor aankomst in België werd verbleven, noch naar het land van herkomst noch het land waarvan de nationaliteit gedragen wordt. Hiertoe wordt volgens artikel 9,7/ een schriftelijke verklaring vereist waarin de betrokken vreemdeling die redenen worden weergegeven. Van dergelijke verklaring kon evenwel geen kennis worden genomen door de Commissie. Zowel door de Duitse als door de Belgische autoriteiten werd er eerder aangenomen dat er in dit land geen bescherming moest gegeven worden tegen de autoriteiten van het eigen land vermits zoals hoger vermeld het verzoek tot erkenning als vluchteling ongegrond werd verklaard en ook in dat verband geen enkel nieuw positief element werd aangevoerd. De verzoekende partij steunde zijn vraag tot regularisatie bijkomend dus eveneens op artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, hetzij wegens humanitaire redenen om duurzame sociale bindingen ontwikkeld in dit land. Artikel 9,9/ van diezelfde wet schreef hiertoe voor dat de vreemdeling een bewijs moest leveren van aanwezigheid in België teruggaand tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat er wettig verbleven was in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat er geen bevel gekregen werd om het grondgebied te verlaten voorafgaand aan de aanvraag. Als relevant wettig verblijf werd hierbij niet beschouwd het verblijf op grond van een toeristenvisum of als student verleende machtiging of het verblijf waartoe de kandidaat- vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag toegelaten zijn. Om te oordelen of een verblijf relevant is zal bovendien rekening worden gehouden met het criterium humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen. Verzoeker Zluta Milos had reeds voor de thans ingeroepen wetgeving bestond via de stad Antwerpen om een regularisatie van zijn verblijf verzocht als een toepassing van artikel 9 alinea 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging van vreemdelingen. Ingevolge artikel 15 van vermelde wet van 22 december 1999 werd dit nog niet afgehandeld verzoek voor verdere beoordeling overgemaakt aan de Commissie voor Regularisatie. Het hierover op 7 december 2000 aan verzoeker toegestuurde bericht met vraag om bijkomende bewijsstukken binnen de dertig dagen te bezorgen bleef volgens de aan de Commissie bekende gegevens zonder dergelijke reactie. De Commissie beschikt over geen elementen waaruit kan afgeleid worden dat er reeds sprake was van een echte integratie wanneer het verzoek tot regularisatie werd ingediend. Het is immers passend en rechtvaardig de situatie van alle aanvragers tot regularisatie te behandelen op basis van de toestand die eind januari 2000 bestond voor iedere verzoekende partij. Een behandeling op gelijke voet van alle aanvragen vereist een dergelijke benadering. XIV-18.225-3/8 Uit de elementen waarvan de Commissie kennis kon krijgen blijkt niet dat verzoekende partij of de andere gezinsleden zich op voorbeeldige wijze hebben ingeschakeld in het plaatselijke maatschappelijke leven en dat ze daarin ook door de plaatselijke bevolking werden aanvaard ingevolge hun integratie. Het kennen van het Nederlands als taal van de streek waarin er verbleven werd is ook niet overtuigend en het leveren van een inspanning daartoe al evenmin. Van het toetreden door verzoeker tot een normaal arbeidscircuit kon er ook geen kennis worden genomen. Het hier bestaan van duurzame sociale bindingen of speciale humanitaire redenen die een regularisatie zouden kunnen verrechtvaardigen worden onvoldoende vastgesteld. Aangezien deze vaststelling hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000, p 588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000.”; dat op 6 december 2001 de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verwerpt door zich aan te sluiten bij de overwegingen van de commissie; Overwegende dat op 26 november 2003 aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten wordt gegeven, dat luidt als volgt: “(...) Reden van de beslissing Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de minister op 06/12/
  7. De asielaanvraag ingediend door betrokkene werd definitief afgesloten (...).”; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in het verzoekschrift de vernietiging vordert van “de beslissing van de minister van Binnenlandse zaken, genomen op 26 november 2001, betekend aan verzoekster op 11 december 2003 inhoudende een bevel om het grondgebied te verlaten”; dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat niet duidelijk is welke beslissing wordt aangevochten; dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verduidelijkt dat zij de vernietiging vordert van “de beslissing gedaan op 26 november 2003 waarbij aan verzoekster het bevel werd gegeven om uiterlijk op 11 december 2003 het land te verlaten”; dat het beroep tot nietigverklaring derhalve enkel het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 23 oktober 2003 tot voorwerp heeft, zoals de verzoekende partij aangeeft; 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opwerpt dat het beroep tot nietigverklaring tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten niet-ontvankelijk is aangezien de middelen alleen betrekking hebben op de beslissing van 6 december 2001 de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van regularisatie en dat deze beslissing niet het voorwerp uitmaakt van het beroep tot nietigverklaring; dat de opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid samenhangt met XIV-18.225-4/8 het onderzoek van de middelen; dat dient te worden nagegaan of de middelen al dan niet op ontvankelijke wijze kunnen worden aangevoerd; 3.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij twee middelen aanvoert die luiden als volgt: “l/ Middel: Schending van de Wet van 22 december 1999 Bij het indienen van de aanvraag tot regularisatie behoorde verzoekster o.a. tot de categorieën waarvan sprake in artikel 2-2/ en 2-3/ van de wet van december
  11. Voor al die gevallen moest verzoekster ingevolge artikel 9-1/, 9-2/, 9-3/, 9-4/ en 9-5/ van die wet voor zijn aanvraag het bewijs leveren bier bekend te zijn, daadwerkelijk op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied te hebben verbleven, alle persoonlijke gegevens en samenstelling van gezin vermelden, kopij van documenten tot vaststelling van de eigen identiteit en aanduiding van woon- en verblijfplaats. Aangezien uit de motivering in het advies van de kamers voor regularisatie zelf gewag werd gemaakt van administratieve beslissingen waaronder een beslissing tot weigering van verblijf met bevel het land te verlaten op 16 oktober 1998 tegenover verzoeksters zoon Z. en schoondochter M waarna deze laatsten in beroep gingen bij het Commissariaat voor Vluchtelingen en Staatlozen hetwelk een bevestigende beslissing t.o.v. M. nam op 30.04.1999 ( GC/98/1918 1 -B/23D/S985525/J/ovp) en op 05.01.1999 tegenover haar zoon Z. ( CG/98/19181/23D/S98-5524/J/ovp). Dat aldus daadwerkelijk is komen vast te staan dat verzoekster en haar gezin hier minstens sedert 1998 verbleven. Dat het verzoek tot regularisatie kadert in de filosofie en in de ontstaansreden van de wet van december 1999 waarbij men een rechtszekere toestand wou tot stand brengen in het statuut van langdurig op het grondgebied verblijvende illegalen. Dat het zich enkel baseren op de afwezigheid van een ernstige ziekte (voorzien bij artikel 2,31 Wet dec. 1999) zoals blijkt uit het verslag van dokter Heidi Bergez, onvoldoende is om de regularisatieaanvraag af te wijzen aangezien de Commissie voor regularisatie in haar advies uitdrukkelijk stipuleerde dat na analyse van het dossier en op basis van de stukken van het dossier, blijkt dat daadwerkelijk aan alle andere vereisten van de wet van 22 december 1999 voldoende werd voldaan. Dat bijgevolg de Minister had dienen te besluiten tot regularisatie. 2/ Middel : Schending van het redelijkheidsbeginsel en van de beginselen van behoorlijk bestuur Dat thans verzoekster en haar gezin anno 2003, meer dan 5 jaar later nog steeds woonachtig zijn op hetzelfde adres in België, inmiddels volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij, de drie kleinkinderen regelmatig school lopen in Antwerpen. Dat het niet als redelijk overkomt te stellen dat er van integratie geen sprake is en dat verzoekster om deze reden dient te worden teruggeleid. Dat het evenmin redelijk is te argumenteren dat de regularisatiecommissie het bestaan van duurzame bindingen of speciale humanitaire redenen zou afleiden uit het al dan niet toetreden door verzoekster van een normaal arbeidscircuit terwijl vreemdelingen zonder onbeperkt verblijfsstatuut geenszins in aanmerking komen tot het bekomen van een arbeidskaart. Dat de situatie van voortdurende onzekerheid, die intussen reeds meer dan vijfjaar aansleept onaanvaardbaar en onverzoenbaar is met de beginselen van behoorlijk bestuur en met de mensenrechten. Dat ook om deze redenen de regularisatie zich opdringt.”; 3.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van ‘de wet van 22 december 1999'. De verwerende partij acht het eerste middel van de verzoekende partij niet ontvankelijk. Immers, er werd reeds geoordeeld dat onontvankelijk is, het onderdeel (en a foriori het middel) dat met het oog op een vernietiging van een beslissing een schending aanvoert maar hiervoor geen wetsbepaling als geschonden aanduidt (cf. naar analogie: Cass. AR C.94.0369.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2, 9.5.1997, Arr. Cass. 1997,531). XIV-18.225-5/8 Aan deze laatste vereiste beantwoordt volgens de verwerende partij niet de loutere vermelding dat er sprake is van een schending van ‘De Wet van 22 december 1999'. Een dergelijke algemene verwijzing, zonder dat één of meer bepalingen binnen de bedoelde wet als geschonden worden aangeduid, maakt volgens de verwerende partij niet de voldoende duidelijke en precieze omschrijving van de geschonden geachte rechtsregels) uit die is vereist opdat er sprake zou kunnen zijn van een middel als bedoeld in art. 20, lid 2, 20 van het Koninklijk besluit dd. 9.7.2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (cf. R.v.St. nr. 50.142, 9.11.1994, R.A.CE 1994, z.p.; R.v.St. nr. 48.643, 20.7.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.; R.v.St. nr. 43.137, 2.6.1993, R.A.CE. 1993, z.p.). De verwerende partij is derhalve van oordeel dat het eerste middel van verzoekster in rechte onvoldoende behoorlijk is onderbouwd om als ontvankelijk te kunnen worden beschouwd. Ten overvloede, en in antwoord op verzoeksters concrete kritiek, laat de verwerende partij nog het volgende gelden. Verzoekster poneert dat 'Daadwerkelijk is komen vast te staan dat [zij] en haar gezin hier minstens sedert 1998 verbleven’, en verwijst dienaangaande naar beslissingen die ten hunnen aanzien werden genomen in de periode van 16.10.1998 tot 30.04.1999 (beslissingen genomen in het kader van de asielaanvragen). Echter, het feit een asielaanvraag te hebben ingediend in 1998 en het vervolgens gedurende de enkele maanden in het Rijk te hebben verbleven, maakt geenszins dat dan maar moet worden aangenomen dat verzoekster en haar gezin ook op 01.10.1999 in het Rijk verbleven, temeer nu o.a.; - desbetreffend geen enkel stuk naar voor is gebracht, - betrokkene en haar gezin in augustus 1999 niet aan te treffen waren door de politie te Antwerpen, en zij elders in verlof zouden zijn geweest. Verzoeksters vage en naakte kritiek terzake kan dan ook niet worden aangenomen. Terwijl ook verzoeksters overige summiere en ongestaafde kritiek geenszins afbreuk kan doen aan de beslissing dd. 06.11.2001 van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoeksters regularisatieaanvraag. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoeksters eerste middel niet kan worden aangenomen. Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij. In een tweede middel beroept verzoekster zich op een vermeende schending van ‘het redelijkheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur’. Ter ondersteuning voert verzoekster aan dat zij ‘en haar gezin anno 2003, meer dan vijf jaar later nog steeds woonachtig zijn op hetzelfde adres in België, inmiddels volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij ...’ alsook dat ‘de situatie van voortdurende onzekerheid, die intussen reeds meer dan vijf jaar aansleept onaanvaardbaar en onverzoenbaar is met de beginselen van behoorlijk bestuur’. Dienaangaande merkt de verwerende partij op dat de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, gelet op verzoeksters situatie en de voorliggende concrete gegevens, geheel binnen de hem toebedeelde bevoegdheid en conform de ter zake relevante rechtsregels, het redelijkheidsbeginsel incluis, heeft beslist om het ongunstig advies van de vierde kamer van de Commissie voor Regularisatie te volgen en betrokkenes regularisatieaanvraag te verwerpen. Verzoeksters beschouwingen kunnen aan het voorgaande geen afbreuk doen, temeer nu er, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij voorhoudt, er geen sprake is van een ‘situatie van voortdurende onzekerheid, die intussen reeds meer dan vijfjaar aansleept’. Immers, -in 1998 diende verzoekster een asielaanvraag in, dewelke reeds op 16.10.1998 door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk werd verklaard, - verzoekster stelde een dringend beroep in tegen deze te haren opzichte genomen beslissing, beroep dat werd verworpen door de Adjunct-Commissaris-generaal voor de vluchtelingenen de staatlozen, - vervolgens diende verzoekster een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, dewelke in toepassing van het art. 15 van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 voor onderzoek werd overgemaakt aan de Commissie voor regularisatie, -na grondig onderzoek en het horen van verzoekster werd reeds op 06.11.2001 door de Federale Minister van Binnenlandse Zaken beslist de regularisatieaanvraag te verwerpen, - gezien betrokkenen niet konden worden aangetroffen, en zij pas op een later tijdstip weer opdoken, werden zij pas toen in kennis gesteld van de voormelde beslissing. Van enige ‘situatie van voortdurende onzekerheid, die intussen reeds meer dan vijfjaar aansleept` is er dan ook geen sprake. Indien er al enige onduidelijk was, is dit enkel en alleen te wijten aan het gedrag van de verzoekende partij zelf Gelet op het bovenstaande is de verwerende partij de mening toegedaan dat verzoeksters tweede middel niet kan worden aangenomen.”; XIV-18.225-6/8 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Wat het eerste middel betreft wordt opgeworpen dat verzoeker geen wetsbepalingen als geschonden heeft aangevoerd. Verzoekster stelde nochtans dat bij het indienen van de aanvraag tot regularisatie zij behoorde tot de categorieën waarvan sprake in artikel 2-2/ en 2-3/ van de wet van december
  14. Voor al die gevallen moest verzoekster ingevolge artikel 9-1/, 9-2/, 9-3/, 9-4/ en 9-5/ van die wet voor zijn aanvraag het bewijs leveren hier bekend te zijn, daadwerkelijk op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied te hebben verbleven, alle persoonlijke gegevens en samenstelling van gezin vermelden, kopij van documenten tot vaststelling van de eigen identiteit en aanduiding van woon- en verblijfplaats Als dusdanig werden de geschonden wetsbepalingen aangegeven op basis waarvan het bevel werd gegeven nl. met toepassing van de wet van 22 december
  15. Dat het verzoek tot regularisatie kadert in de filosofie en in de ontstaansreden van de wet van december 1999 waarbij men een rechtszekere toestand wou tot stand brengen in het statuut van langdurig op het grondgebied verblijvende illegalen. Dat thans verzoekster en haar gezin anno 2004, meer dan 5 jaar later nog steeds woonachtig zijn op hetzelfde adres in België, inmiddels volledig geïntegreerd zijn in de Belgische maatschappij, de drie kleinkinderen regelmatig school lopen in Antwerpen. Dat het niet als redelijk overkomt te stellen dat er van integratie geen sprake zou zijn en dat verzoekster om deze reden dient te worden teruggeleid. Dat de situatie van voortdurende onzekerheid, die intussen reeds meer dan vijfjaar aansleept onaanvaardbaar en onverzoenbaar is met de beginselen van behoorlijk bestuur en met de mensenrechten.”; 3.
  16. Overwegende dat de middelen niet zijn gericht tegen het bestreden bevel, maar tegen het advies van de commissie voor Regularisatie en de navolgende beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2001 tot weigering van regularisatie; dat de vordering derhalve niet-ontvankelijk is;
  17. Overwegende dat de verzoekende partij geen ontvankelijke middelen tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-18.225-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari tweeduizend en zes door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.225-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.296 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970509.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.