id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.297 Rolnummer: A. 136585/XIV-15082 Zaak: Arrest 153297 - - 06/01/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-01-12 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 08:05 Fiche Arrest nr 153.297 van 6 januari 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 153.297 van 6 januari 2006 in de zaak A. 136.585/XIV-15.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. BUYCK, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Lombardenvest 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 12 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 februari 2003 tot weigering van regularisatie, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 oktober 2005; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. BUYCK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; XIV-15.082-1/9 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij op 20 januari 2000 een regularisatie-aanvraag indient op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op grond van artikel 2, 4/ van die wet; dat de commissie voor Regularisatie op 9 januari 2003 een ongunstig advies geeft; dat dit advies steunt op de volgende overwegingen: “Gelet op de aanvraag tot regularisatie op grond van: humanitaire reden en duurzame sociale bindingen (art. 2, 4/ van de wet van 22 december 1999) ingediend door verzoeker. Gelet op de nota van het onderzoekssecretariaat dd 28 augustus
- Verzoeker verschijnt in persoon, bijgestaan door zijn raadsman op de zitting van 14 november 2002 en legt bijkomende stukken neer. Uit deze stukken blijkt niet dat verzoeker op Belgisch grondgebied verblijf op 1 oktober
- De minimum periode van continue aanwezigheid op Belgisch grondgebied werd niet aangetoond. Er werd met getuige verklaring aangetoond dat verzoeker reeds 1993 in België was. Doch het staat alles behalve vast dat verzoeker continu in België verbleef. Zo blijkt onder andere dat hem op 23 oktober 1996 in Marokko een nieuw identiteitsbewijs werd afgeleverd en verklaarde hij ter zitting naar Marokko te zijn geweest in 1994, 1996 en
- Zelfs als zou worden aangenomen dat verzoeker meer dan zes jaar continu in ons land verblijf dan nog moeten ‘de humanitaire redenen en sociale bindingen’ die in elk geval aanwezig zijn krachtens art. 9 van de wet van 22 december
- Dit is het standpunt van de meerderheid van de commissie. Verzoeker toont onvoldoende humanitaire redenen aan of dat hij duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Uit de voorgelegde stukken en het onderhoud ter zitting blijkt dat verzoeker: - onvoldoende lang continu in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet ‘relevant’ is in de zin van art. 9, 9/ van de wet van 22 december
- - geen Nederlands spreekt - geen lessen Nederlands volgt - sinds 8 april 2002 een vergunning tot tewerkstelling bekwam, en dat hij sindsdien bij de B.V.A. Hadijco tewerkgesteld is - geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zeker niet aantoont. - zijn echtgenote en tien kinderen nog steeds in Marokko verblijven. Integratie bestaat uit een oriëntering op de Belgische samenleving op diverse vlakken. Op basis van de vastgestelde feitelijke elementen heeft de commissie geconstateerd dat er bij betrokkene geen of alleszins onvoldoende integratie aanwezig is. Dat verzoeker duidelijk nog zeer sterke bindingen (vooral familiale) heeft met zijn land van herkomst. Overwegende dat verzoeker onvoldoende aantoont dat hij alhier noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren. De commissie kan geen enkel argument van sociale integratie ontdekken, de zeer recente tewerkstelling daargelaten. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet worden bewezen, de aanvraag niet tot een gunstig advies kan leiden.”; XIV-15.082-2/9 dat de minister van Binnenlandse Zaken op 10 februari 2003 die aanvraag heeft verworpen door zich aan te sluiten bij voornoemd advies; dat dit de eerste bestreden beslissing is; dat aan de verzoekende partij op 10 april 2003 een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten wordt gegeven; dat dit de tweede bestreden beslissing is, die luidt als volgt: “(...) Reden van de beslissing: - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: - De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 23/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de minister op 10/02/2003 (...).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij twee middelen aanvoert die luiden als volgt: “EERSTE MIDDEL: Schending van art.2,4/ en art. 9,9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk Art.2,4/ van de wet van 15.12.1980 verklaart deze wet van toepassing op aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land hebben ontwikkeld. In art. 9,9/ worden deze voorwaarden verder uitgewerkt en wordt er gesteld dat de in artikel 2,4/ bedoelde vreemdelingen een bewijs dat hun aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, (en)/of het bewijs dienen te leveren dat ze wettig in België verbleven hebben (en)/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten, dienen af te leveren. De Minister in navolging van het advies van de Commissie voor Regularisatie stelt dat verzoeker 'onvoldoende lang continu in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet ‘relevant’ is in de zin van art. 9,9/ van de wet van 22.12.
- Hiermee voegt de Minister in navolging van deze kamer van de Commissie voor Regularisatie een voorwaarde toe aan de wet, m.n. het ‘continu’ verblijf van verzoeker. Noch art. 2,4/ noch art. 9,9/ spreken van een continu verblijf. Verzoeker legde bewijzen voor van zijn verblijf in België van het jaar 1993 tot op heden. Verzoeker verblijft nu reeds 10 jaar in België. Het feit dat hij eerlijk toegeeft 3 maal voor korte periode vakantie te hebben doorgebracht in Marokko brengt geen verandering aan de duurzame sociale bindingen die verzoeker in België gedurende de afgelopen 10 jaren heeft opgebouwd. De meesten van verzoekers familie verblijven immers in België en hij legde gedurende de vele jaren dat hij hier reeds verblijft, zoals blijkt uit de talrijke verklaringen, zeer vele sociale contacten. De periode van 10 jaar verblijf overschrijdt ruimschoots de wettelijk voorgeschreven periode van 6 jaar. Daarnaast legde verzoeker een verklaring af dat hij de afgelopen 5 jaren voor de aanvraag tot regularisatie geen bevel ontving het grondgebied te verlaten. Aangezien er in de voorwaarden in art. 9,9/ van de wet van 1999 telkens of ... of ... of... staat, is dergelijke verklaring reeds voldoende om te voldoen aan de voorwaarde van art. 9,9/ gesteld aan de categorie van art. 2,4/. In casu legde verzoeker dergelijke verklaring voor en voldoet hij dus niet enkel omwille van zij n bewijs van meer dan 6 j aar verblijf, maar ook omwille van deze verklaring aan de voorwaarde van art. 9,9/. De Minister, in navolging van de Commissie, heeft dan ook, door te stellen dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden gesteld voor de categorie van art 2,4/, art.2,4/ en art. 9,9/ geschonden. HET TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen Het Hof van Cassatie heeft naar aanleiding van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechterlijke beslissingen, gesteld dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd (Cass. 12 mei 1932, Pas., 1932, 1, 166). XIV-15.082-3/9 Naar analogie kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Minister en de Commissie voor Regularisatie de voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht hebben. In casu werd de beslissing van de Minister gemotiveerd door toevoeging van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Het advies van de Commissie beperkt zich tot een korte opsomming van een aantal opmerkingen, die zoals in het eerste middel reeds werd aangetoond niet steeds correct is (o.a. het niet relevant zijn van verzoekers verblijf in de zin van art. 9,9/ dat verzoeker geen Nederlands zou spreken). In deze beperkte opsomming vermeldt de Commissie dat verzoeker geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering. Hierbij stelt de Commissie dat dit zijn wil tot integratie zeker niet aantoont. De Commissie meent dan ook, zonder rekening te houden met de bewijzen van tewerkstelling die verzoeker voorlegde en de bijzonder talrijke verklaringen van familie, vrienden en kennissen, hieruit het besluit te kunnen trekken dat er bij verzoeker onvoldoende integratie is. Hieruit blijkt dan ook dat de Commissie en in navolging daarvan de Minister de voorgelegde bewijzen van integratie niet zorgvuldig onderzochten en hun uitspraak foutief en onvoldoende gemotiveerd is. Bijgevolg schonden de Commissie en de Minister de Wet van 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van de artt. 2, 4/ en 9, 9/ van de Regularisatiewet dd. 22.12.
- Verzoeker acht de voormelde wetsbepalingen kennelijk geschonden omdat naar zijn oordeel ten onrechte zou worden gesteld dat hij ‘niet voldeed aan de voorwaarden gesteld voor de categorie van art. 2, 4/. De verwerende partij laat dienaangaande vooreerst gelden dat, gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover het bestuur te dezen beschikt, de Raad van State het niet als zijn bevoegdheid kan beschouwen om verzoekers verblijfsregularisatie-aanvraag aan een volledig nieuw feitelijk onderzoek te onderwerpen. Er kan slechts worden geverifieerd of de verwerende partij in het geval van verzoeker geen kennelijk onredelijke invulling heeft gegeven aan de voor de beoordeling van zijn verblijfsregularisatie-aanvraag relevante wettelijke begrippen. In antwoord op verzoekers concrete kritiek merkt de verwerende partij op dat in het advies van de kamer van de Commissie voor regularisatie en in de in casu bestreden ministeriële beslissing dd. 10.02.2003, de elementen worden weergegeven die maken dat in casu is geoordeeld dat verzoekers regularisatieaanvraag niet kan worden ingewilligd, nu deze o.a. niet voldoet aan de primordiale toepassingsvoorwaarde van de wet, te weten het verblijf in België op 01.10.
- Inderdaad werd geoordeeld dat uit de voorliggende stukken niet blijkt dat verzoeker op 0
- 1999 in het Rijk aanwezig was. Geheel ten overvloede werd aan het voormelde nog toegevoegd dat er evenmin aan het voorschrift van art. 2, 4/ van de genoemde wet dd. 22.12.1999, in functie waarvan hij zijn verblijfsregularisatie-aanvraag heeft ingediend, te weten het bestaan van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen in zijnen hoofde, werd voldaan, alsook dat verzoeker geen "relevant verblijf' in de zin van het art. 9, 9/ van de Regularisatiewet aannemelijk kan maken. De verwerende partij merkt op dat de kwestie van de voorgehouden humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen inderdaad slechts één wettelijke voorwaarde voor de inwilliging van de verblijfsregularisatie-aanvraag betreft, waaraan cumulatief met één of meer andere van die voorwaarden moet zijn voldaan (waaronder de aanwezigheid in het Rijk op 0
- 1999). Bijgevolg volstaat de enkele vaststelling dat verzoeker geen aanwezigheid in het Rijk op 01.10.1999 aannemelijk kan maken (terwijl het voormelde een essentiële voorwaarde uitmaakt voor een eventuele toepassing van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999) op zich om betrokkenes regularisatieaanvraag te verwerpen, en diende noch de kamer van de Commissie voor regularisatie, noch de Minister van Binnenlandse Zaken nog verder in te gaan op de door verzoekende partij voorgehouden humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen en de criteria dienaangaande vervat in de Regularisatiewet. Het gegeven dat in de in casu bestreden beslissing geheel ten overvloede doch beweerdelijk onterecht werd uiteengezet dat geen humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen kunnen worden weerhouden in verzoekers hoofde, kan bijgevolg geenszins de eventuele nietigverklaring van de voormelde beslissing verantwoorden, nu zelfs indien de in de bestreden beslissing betreffende dit punt gemaakte beoordeling daadwerkelijk onjuist zou XIV-15.082-4/9 zijn, dit daarom nog niet impliceert, wel integendeel, dat dit ook m.b.t. de beoordeling de bedoelde andere voorwaarden, waaronder de aanwezigheid in het Rijk op 0
- 1999, het geval zou zijn. Ook m.b.t. de kwestie van het bewijs van het teruggaan van verzoekers aanwezigheid in België tot meer dan zes jaar, als voorzien in art. 9, 9', lid 1 van dezelfde wet dd. 22.12.1999, en verzoekers beschouwingen daaromtrent kan worden gewezen op het belang van de bovenvermelde vaststelling betreffende verzoekers situatie. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers kritiek vervat in het eerste middel, ook al ware deze gegrond, geenszins de nietigverklaring van de in casu bestreden beslissing kan verantwoorden. Geheel ten overvloede kan aan het bovenstaande nog het volgende worden toegevoegd. Uiteraard dient een verblijf, zeker wanneer een beroep wordt gedaan op het art. 2, 4' van de regularisatiewet dd. 22.12.1999, relevant en continu te zijn in de zin van het art. 9, 9' van de Regularisatiewet. De commissie voor Regularisatie, gevolgd door de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, oordeelde terecht dat verzoeker niet aannemelijk kan maken dat hij gedurende de door hem voorgehouden periode (sinds 1993) daadwerkelijk in het Rijk verbleef, en zijn verblijf geenszins relevant en continu is in die zin dat verzoeker aantoont gedurende een aanzienlijke periode in het Rijk te hebben verbleven én daarbij duurzame sociale bindingen te hebben ontwikkeld of humanitaire redenen kan worden aangenomen. Door deze beoordeling te maken wordt geenszins een voorwaarde toegevoegd aan de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, zoals de verzoekende partij poneert. De kamer van de commissie voor regularisatie, gevolgd door de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, mochten, geheel binnen het kader van de hen toebedeelde bevoegdheid en conform de Wet dd. 22.12.1999, art. 9,9% oordelen dat verzoekers regularisatieaanvraag diende te worden verworpen nu: verzoeker geen verblijf in het Rijk op 01.10.1999 aannemelijk kan maken, verzoeker niet aannemelijk kan maken dat hij sinds 1993 in het Rijk verblijft, verzoeker geen relevant en continu verblijf in de zin van het art. 9, 9' van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999 aannemelijk kan maken, hij geen duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in België en hij ook geen humanitaire redenen kan laten gelden, er geen of onvoldoende integratie aanwezig is, verzoekers echtgenote en tien kinderen nog in Marokko verblijven, er nog zeer sterke bindingen zijn met verzoekers land van herkomst, er onvoldoende wordt aangetoond dat verzoeker noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren, geen enkel argument van sociale integratie kan worden ontdekt. Deze elementen vinden steun in de gegevens van de zaak, en zijn geenszins kennelijk onredelijk. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat in casu geheel terecht werd beslist verzoekers regularisatieaanvraag te verwerpen. Verzoekers uiteenzetting kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Verzoekers eerste middel kan niet worden aangenomen. Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij. Verzoeker laat zijn tweede middel kennelijk berusten op een vermeende schending van de art. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.
- Dienaangaande stelt de verwerende partij bij lezing van verzoekers verzoekschrift vast dat deze daarin niet alleen inhoudelijke kritiek levert, waarmee hij blijk geven kennis te hebben van de motieven vervat in de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse, doch dat hij er ook in slaagt die weer te geven. Als zodanig spreekt verzoeker zich dan ook tegen als hij stelt de motivering van de door hen bedoelde akte gebrekkig te achten, terwijl hij perfect bij machte blijkt om de motieven van die akte weer te geven in zijn verzoekschrift en uit te leggen waarom hij deze beschouwt als ‘niet afdoende’. De verwerende partij is dan ook van oordeel dat o.b.v. deze vaststelling dient te worden besloten dat verzoeker het vereiste belang ontbeert bij de betrokken kritiek (cf. R.v.St. nr. 47.940, 14.06.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). De formele motiveringsplicht vervat in de wetsartikelen waarvan verzoeker de schending aanvoert, heeft immers geen ander doel dan het in kennis stellen van de bestuurde van de redenen die ten grondslag liggen aan de te zijnen opzichte genomen bestuursbeslissing, zodanig dat deze in staat is om te oordelen of het zinvol is om daartegen op te komen met de ter beschikking staande rechtsmiddelen (R.v.St. nr. 60.751, 04.07.1996, TB.P. 1996, 698), terwijl de voormelde vaststelling impliceert dat deze wettelijke doelstelling is bereikt. De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, FJF. 1998, 693). Waar verzoeker klaarblijkelijk het tegenovergestelde aanneemt, nu deze stelt dat de motieven vervat in de in casu bestreden beslissing ‘fout en onvoldoende’ zijn, is zijn XIV-15.082-5/9 toelichting niet afgestemd op de rechtsregels waarvan hij de schending opwerpt, zodat deze in rechte faalt. Geheel ten overvloede, en in antwoord op verzoekers summiere kritiek dat ‘De Commissie en in navolging daarvan de Minister de voorgelegde bewijzen van integratie niet zorgvuldig onderzochten en hun uitspraak foutief en onvoldoende gemotiveerd is’, laat de verwerende partij nog het volgende gelden. Zoals hierboven (zie sub
- 1) reeds werd uiteengezet betreft verzoekers kritiek slechts één wettelijke voorwaarde voor de inwilliging van de verblijfsregularisatie-aanvraag, waaraan cumulatief met één of meer andere van die voorwaarden moet zijn voldaan, zodat zelfs indien de bestreden beslissing op dit punt onvoldoende gemotiveerd zou zijn, dit daarom nog niet impliceert dat dit ook m.b.t. de beoordeling van de bedoelde andere voorwaarden het geval zou zijn. In casu besliste de kamer van de Commissie voor Regularisatie m.b.t verzoekers regularisatieaanvraag niet enkel een ongunstig advies te verlenen omdat geen humanitaire redenen of duurzame sociale bindingen konden weerhouden worden, maar ook en vooral omdat geen bewijs werd aangebracht dat betrokkene op 01.10.1999 in België vertoefde (primordiale toepassingsvoorwaarde). En als de formele motivering voldoet op een punt dat de afwijzing van de verblijfsregularisatie-aanvraag rechtvaardigt, hetgeen blijkt uit het feit dat verzoeker in zijn tweede middel waarin hij de schending van de formele motiveringsplicht aanvoert, geen kritiek uit m.b.t. tot dit aspect, dan vertoont het feit of dit ook op een ander punt het geval is, geen belang meer (cf. R.v.St. nr. 50.583, 6.12.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Tot slot merkt de verwerende partij nog op dat verzoeker niet ernstig kan poneren dat ‘de Commissie en in navolging daarvan de Minister de voorgelegde bewijzen van integratie niet zorgvuldig onderzochten en hun uitspraakfoutieven onvoldoende gemotiveerd is’ nu uit de motieven vervat in de in casu bestreden beslissing dd. 10.02.2003 afdoende blijkt dat de door de verzoekende partij naar voorgebrachte stukken werden onderzocht en beoordeeld, doch werd geoordeeld dat: uit de stukken niet blijkt dat verzoeker op 0
- 1999 in het Rijk verbleef, verzoeker met getuigenverklaringen tracht aan te tonen dat hij sinds 1993 in het Rijk, maar deze niet kunnen overtuigen, uit de voorgelegde stukken en het onderhoud ter zitting bleek dat verzoekers verblijf niet relevant is in de zin van het art. 9, 9' van de Regularisatiewet dd. 22.12.1999, - hij sinds 8 april 2002 een vergunning tot tewerkstelling bekwam, - hij geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering, er onvoldoende wordt aangetoond dat verzoeker noemenswaardige of effectieve inspanningen heeft geleverd om zich te integreren, Terwijl de verzoekende partij er niet in slaagt weer te geven met welke ‘voorgelegde bewijzen van integratie’ gen rekening zou zijn gehouden, en in welke mate deze een beslissing anders dan deze genomen door de Federale Minister van Binnenlandse Zaken zouden rechtvaardigen. De verwerende partij is derhalve de mening toegedaan dat verzoekers tweede middel in hoofdorde onontvankelijk, minstens ongegrond is.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord het volgende aan toevoegt: “Betreffende het EERSTE MIDDEL: Schending van art. 2,4/ en art. 9,9/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de, regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk In antwoord op het eerste middel aangegeven door verzoeker in het inleidende verzoekschrift stelt de verwerende partij dat de Commissie voor regularisatie en tevens de Minister toch hebben aangegeven dat verzoekers regularisatieaanvraag niet kan worden ingewilligd omdat o.a. verzoeker niet zou voldoen aan de primordiale toepassingsvoorwaarde van de wet, te weten het verblijf in België op 01.10.
- In het advies staat geschreven: 'Uit de stukken blijkt niet dat verzoeker op Belgisch grondgebied verbleef op 1.10.1999'. Men zegt dus niet en kan dit ook niet schrijven dat uit de stukken blijkt dat verzoeker niet op Belgisch grondgebied was op 1.10.
- Aangezien het voor iemand die zich, illegaal op Belgisch grondgebied verblijvende, zoveel mogelijk tracht onzichtbaar te maken voor de autoriteiten bijzonder moeilijk is om een bewijs te leveren dat men precies die éne dag in oktober 1999 op Belgisch grondgebied was, werden op de Algemene Vergadering van de Kamers van de Commissie voor Regularisatie een aantal richtlijnen gegeven omtrent het leveren van het bewijs van deze primordiale toepassingsvoorwaarde. Zo werd op de Algemene Vergadering van 18.11.2000 vastgelegd dat het bewijs is geleverd wanneer het dossier ten minste één bewijsstuk bevat betreffende het jaar 1999 (van voor 1 oktober). XIV-15.082-6/9 Verzoeker legde in casu een attest voor van een dokter in de geneeskunde die verklaart dat verzoeker hem raadpleegde tijdens verscheidene jaren, waaronder ook het jaar
- Daarnaast legde verzoeker ook een attest voor van de stedelijke basisschool van de kinderen van de zus en schoonbroer van verzoeker, die getuigen dat zij verzoeker kennen aangezien hij verscheidene jaren, waaronder ook het jaar 1999, de kinderen naar en van de school brengt. Verzoeker heeft daarmee dan ook, volgens de richtlijnen van de Algemene Vergadering van de Kamer van de Commissie voor Regularisatie, voldoende bewijs geleverd dat hij op
- 10.1999 op Belgisch grondgebied was en voldoet dan ook wel aan de primordiale toepassingsvoorwaarde van de wet van 22.12.
- Bijgevolg diende de Commissie en de Minister verzoekers regularisatieaanvraag, en zeker gelet op de zeer lange verblijfsduur van verzoeker in België, wel degelijk grondig te onderzoeken en dus na te gaan of verzoeker dan verder voldeed aan art. 2,4/ waarvan de voorwaarden verder uitgewerkt staan in art. 9,9/. In art. 9,9/ wordt er gesteld dat de in artikel 2,4' bedoelde vreemdelingen een bewijs dat hun aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, (en)/of het bewijs dienen te leveren dat ze wettig in België verbleven hebben (en)/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten, dienen af te leveren. Verzoeker, die bewijzen van reeds meer dan 10 jaar verblijf in België, wat de voorgeschreven termijn van 6 jaar ruimschoots overschrijdt, en ook talrijke verklaringen van vrienden en kennissen voorlegde, bewees het bestaan van duurzame sociale bindingen in België in zijnen hoofde. De Minister in navolging van het advies van de Commissie voor Regularisatie stelt dat verzoeker 'onvoldoende lang continu in het Rijk verbleef en dat dit verblijf niet ‘relevant’ is in de zin van art. 9,9/ van de wet van 22.12.
- Hiermee voegt de Minister in navolging van deze kamer van de Commissie voor Regularisatie een voorwaarde toe aan de wet, m.n. het ‘continu’ verblijf van verzoeker. Noch art. 2,4/ noch art. 9,9/ spreken van een continu verblijf Verzoeker legde bewijzen voor van zijn verblijf in België van het jaar 1993 tot op heden. Verzoeker verblijft nu reeds 10 jaar in België. Het feit dat hij eerlijk toegeeft 3 maal voor korte periode vakantie te hebben doorgebracht in Marokko brengt geen verandering aan de duurzame sociale bindingen die verzoeker in België gedurende de afgelopen 10 jaren heeft opgebouwd. De meesten van verzoekers familie verblijven immers in België en hij legde gedurende de vele jaren dat hij hier reeds verblijft, zoals blijkt uit de talrijke verklaringen, zeer vele sociale contacten. Daarnaast legde verzoeker een verklaring af dat hij de afgelopen 5 jaren voor de aanvraag tot regularisatie geen bevel ontving het grondgebied te verlaten. Aangezien er in de voorwaarden in art. 9,9' van de wet van 1999 telkens of ... of ... of.. staat, is dergelijke verklaring reeds voldoende om te voldoen aan de voorwaarde van art 9,9/ gesteld aan de categorie van art. 2,4/. In casu legde verzoeker dergelijke verklaring voor en voldoet hij dus niet enkel omwille van zijn bewijs van meer dan 6 jaar verblijf, maar ook omwille van deze verklaring aan de voorwaarde van art. 9,9/. De Minister, in navolging van de Commissie, heeft dan ook, door te stellen dat verzoeker niet voldeed aan de voorwaarden gesteld voor de categorie van art. 2,4/ art.2,4/ en art. 9,9/ geschonden. Betreffende het TWEEDE MIDDEL: Schending van art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen De beslissing van de Minister werd gemotiveerd door toevoeging van het advies van de Commissie voor Regularisatie. Het advies van de Commissie beperkt zich tot een korte opsomming van een aantal opmerkingen, die zoals in het eerste middel reeds werd aangetoond niet steeds correct is (o.a. het niet relevant zijn van verzoekers verblijf in de zin van art. 9,9/ dat verzoeker geen Nederlands zou spreken). In deze beperkte opsomming vermeldt de Commissie dat verzoeker geen deel uitmaakt van een vereniging of groepering. Hierbij stelt de Commissie dat dit zijn wil tot integratie zeker niet aantoont. De Commissie meent dan ook, zonder rekening te houden met de bewijzen van tewerkstelling die verzoeker voorlegde en de bijzonder talrijke verklaringen van familie, vrienden en kennissen, hieruit het besluit te kunnen trekken dat er bij verzoeker onvoldoende integratie is. De Commissie en de Minister gaan tevens, zoals uitgebreid in het eerste middel besproken, volledig voorbij aan de verklaringen van 2 officiële instanties (een dokter in de geneeskunde en een stedelijke basisschool) die verklaren verzoeker ook in het jaar 1999 gekend te hebben door te stellen dat uit de stukken niet blijkt dat verzoeker aanwezig was op Belgisch grondgebied op 1.10.
- Hieruit blijkt dan ook dat de Commissie en in navolging daarvan de Minister de voorgelegde bewijzen van integratie niet zorgvuldig onderzochten en hun uitspraak foutief en onvoldoende gemotiveerd is. Bijgevolg schonden de Commissie en de Minister de Wet van 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.”; XIV-15.082-7/9 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij haar aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op basis van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, dat luidt als volgt : “Art.
- Onverminderd de toepassing van artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is de wet van toepassing op de aanvragen tot regularisatie van verblijf die ingediend worden door vreemdelingen die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van de aanvraag : (...) 4/ hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in hun land hebben ontwikkeld” Overwegende dat artikel 9, 9/, van dezelfde wet bovendien bepaalt dat voor de in artikel 2, 4/, bedoelde vreemdelingen het bij de aanvraag gevoegde dossier een bewijs moet omvatten “dat (hun) aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan en/of in voorkomend geval, het bewijs dat ze wettig in België verbleven hebben en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat ze in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen hebben om het grondgebied te verlaten”; dat uit deze bepalingen blijkt dat de vreemdeling die ‘duurzame sociale bindingen’ doet gelden, voorafgaandelijk het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/, van de genoemde wet van 22 december 1999; Overwegende dat de bestreden beslissing ondermeer is gesteund op het motief dat de verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 9, 9 van de Regularisatiewet, met name dat niet blijkt dat de verzoekende partij op 1 oktober 1999 in België verbleef; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij dit motief niet aanvecht; dat de middelen enkel zijn gericht tegen het motief aangaande haar ononderbroken verblijf in België en haar duurzame sociale bindingen en humanitaire redenen; dat, rekening houdend met voormeld determinerend motief, de verzoekende partij zich daarbij richt tegen een overtollig motief, zodat de eventuele gegrondheid van de middelen op dat vlak niet kan leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing; dat de beide middelen derhalve niet-ontvankelijk zijn; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van antwoord zich voor het eerst richt tegen het motief betreffende het gebrek aan bewijs van haar aanwezigheid in België op 1 oktober 1999; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij deze kritiek niet in het verzoek tot nietigverklaring had kunnen doen gelden; dat deze uitbreiding van de middelen derhalve niet-ontvankelijk is; XIV-15.082-8/9 Overwegende dat de verzoekende partij op het verzoekschrift tot nietigverklaring tweemaal het zegelrecht van 175 euro heeft aangebracht; dat haar het teveel betaalde bedrag van 175 euro dient te worden terugbetaald. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Artikel
- Het ten onrechte betaalde zegelrecht van 175 euro, dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zes januari tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.082-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.